Richtlijn kredietservicers en kredietkopers (EU) 2021/2167 (Volledig)

Volledige wettekst.

Titel I. Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stelt een gemeenschappelijk kader en vereisten vast voor:

a)

kredietservicers van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die is gesloten door een in de Unie gevestigde kredietinstelling, die namens een kredietkoper optreden;

b)

kredietkopers van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet renderende kredietovereenkomst zelf, die is gesloten door een in de Unie gevestigde kredietinstelling.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op:

a)

kredietservicers die namens een kredietkoper optreden met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die is gesloten door een in de Unie gevestigde kredietinstelling overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en nationale recht;

b)

kredietkopers van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die is gesloten door een in de Unie gevestigde kredietinstelling overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en nationale recht.

2.   Ten aanzien van kredietovereenkomsten die binnen haar toepassingsgebied vallen doet deze richtlijn geen afbreuk aan beginselen van het contractenrecht of het burgerlijk recht die deel uitmaken van het nationale recht met betrekking tot de overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of van de kredietovereenkomst zelf, en evenmin aan de bescherming die wordt geboden aan consumenten of kredietnemers op grond van, in het bijzonder, Verordeningen (EG) nr. 593/2008 en (EU) nr. 1215/2012, en Richtlijnen 93/13/EEG, 2008/48/EG en 2014/17/EU en de nationale bepalingen tot omzetting daarvan, of andere relevante bepalingen van Unierecht en nationaal recht inzake consumentenbescherming en rechten van kredietnemers.

3.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de beperkingen in het nationale recht van de lidstaten met betrekking tot de overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die niet achterstallig is of minder dan 90 dagen achterstallig is, dan wel niet is beëindigd overeenkomstig het nationaal burgerlijk recht.

4.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de vereisten in het nationale recht van de lidstaten met betrekking tot de servicing van de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of van de kredietovereenkomst zelf, indien de kredietkoper een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden is in de zin van artikel 2, punt 2), van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad , op voorwaarde dat dat nationale recht:

a)

geen afbreuk doet aan het door deze richtlijn geboden niveau van consumentenbescherming;

b)

waarborgt dat de bevoegde autoriteiten de nodige informatie van kredietservicers ontvangen.

5.   Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)

het servicen van de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of van de kredietovereenkomst zelf, door:

i)

een in de Unie gevestigde kredietinstelling;

ii)

een beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerder) die over een vergunning beschikt of een notificatie heeft gedaan overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU, of een beheermaatschappij, of een beleggingsmaatschappij die over een vergunning beschikt overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG op voorwaarde dat de beleggingsmaatschappij geen beheermaatschappij overeenkomstig die richtlijn heeft aangewezen, namens het fonds dat zij beheren;

iii)

een niet-kredietinstelling die is onderworpen aan toezicht door een bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat overeenkomstig artikel 20 van Richtlijn 2008/48/EG of artikel 35 van Richtlijn 2014/17/EU bij het uitvoeren van activiteiten in die lidstaat;

i)

een in de Unie gevestigde kredietinstelling;

ii)

een beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerder) die over een vergunning beschikt of een notificatie heeft gedaan overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU, of een beheermaatschappij, of een beleggingsmaatschappij die over een vergunning beschikt overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG op voorwaarde dat de beleggingsmaatschappij geen beheermaatschappij overeenkomstig die richtlijn heeft aangewezen, namens het fonds dat zij beheren;

iii)

een niet-kredietinstelling die is onderworpen aan toezicht door een bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat overeenkomstig artikel 20 van Richtlijn 2008/48/EG of artikel 35 van Richtlijn 2014/17/EU bij het uitvoeren van activiteiten in die lidstaat;

b)

het servicen van de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of van de kredietovereenkomst zelf, die niet is gesloten door een in de Unie gevestigde kredietinstelling, behalve wanneer de rechten van de kredietgever krachtens de kredietovereenkomst, of de kredietovereenkomst zelf, worden vervangen door een kredietovereenkomst die door een dergelijke kredietinstelling is afgesloten;

c)

de aankoop van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, door een in de Unie gevestigde kredietinstelling;

d)

de overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of van de kredietovereenkomst zelf, vóór de in artikel 32, lid 2, eerste alinea, bedoelde datum.

6.   Het servicen van de rechten van de kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of van de kredietovereenkomst zelf, door notarissen en deurwaarders als gedefinieerd in het nationale recht of advocaten in de zin van artikel 1, lid 2, punt a), van Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad  mag door de lidstaten worden uitgezonderd van de toepassing van deze richtlijn wanneer zij als onderdeel van hun beroep kredietservicingactiviteiten uitvoeren.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)

“kredietinstelling”: een kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

2)

“kredietgever”: een kredietinstelling die een krediet heeft verleend, of een kredietkoper;

3)

“kredietnemer”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kredietovereenkomst heeft gesloten met een kredietinstelling, met inbegrip van zijn rechtsopvolger of rechtverkrijgende;

4)

“kredietovereenkomst”: een overeenkomst zoals oorspronkelijk afgesloten, gewijzigd of vervangen, waarbij een kredietinstelling een krediet verleent in de vorm van een uitgestelde betaling, een lening of een andere soortgelijke financieringsregeling;

5)

“kredietservicingovereenkomst”: een schriftelijk contract gesloten tussen een kredietkoper en een kredietservicer betreffende de door de kredietservicer namens de kredietkoper te verrichten diensten;

6)

“kredietkoper”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die geen kredietinstelling is en die de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, koopt in het kader van de uitoefening van zijn handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten, overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en nationale recht;

7)

“kredietservicingaanbieder”: een derde partij die door een kredietservicer wordt gebruikt om een van de kredietservicingactiviteiten uit te voeren;

8)

“kredietservicer”: een rechtspersoon die in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten namens een kredietkoper de rechten en verplichtingen met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of tot de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, beheert en de nakoming ervan afdwingt, en die ten minste één of meer kredietservicingactiviteiten verricht;

9)

“kredietservicingactiviteiten”: een of meer van de volgende activiteiten:

a)

het innen en invorderen, overeenkomstig het nationale recht, van verschuldigde betalingen van de kredietnemer in verband met de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of in verband met de kredietovereenkomst zelf;

b)

het opnieuw onderhandelen met de kredietnemer, overeenkomstig het nationale recht, over alle voorwaarden met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of de kredietovereenkomst zelf, in overeenstemming met de door de kredietkoper gegeven instructies, indien de kredietservicer geen kredietbemiddelaar is in de zin van artikel 3, punt f), van Richtlijn 2008/48/EG of artikel 4, lid 5, van Richtlijn 2014/17/EU;

c)

het beheren van alle klachten met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of tot de kredietovereenkomst zelf;

d)

het in kennis stellen van de kredietnemer van alle wijzigingen in rentevoeten, kosten of alle verschuldigde betalingen in verband met de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of met de kredietovereenkomst zelf;

a)

het innen en invorderen, overeenkomstig het nationale recht, van verschuldigde betalingen van de kredietnemer in verband met de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of in verband met de kredietovereenkomst zelf;

b)

het opnieuw onderhandelen met de kredietnemer, overeenkomstig het nationale recht, over alle voorwaarden met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of de kredietovereenkomst zelf, in overeenstemming met de door de kredietkoper gegeven instructies, indien de kredietservicer geen kredietbemiddelaar is in de zin van artikel 3, punt f), van Richtlijn 2008/48/EG of artikel 4, lid 5, van Richtlijn 2014/17/EU;

c)

het beheren van alle klachten met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of tot de kredietovereenkomst zelf;

d)

het in kennis stellen van de kredietnemer van alle wijzigingen in rentevoeten, kosten of alle verschuldigde betalingen in verband met de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of met de kredietovereenkomst zelf;

10)

“lidstaat van herkomst”: met betrekking tot een kredietservicer, de lidstaat waar zijn statutaire zetel is gevestigd, of, indien de kredietservicer op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor is gevestigd of, met betrekking tot een kredietkoper, de lidstaat waar de kredietkoper of zijn vertegenwoordiger woont of zijn statutaire zetel gevestigd is of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor gevestigd is;

11)

“lidstaat van ontvangst”: de lidstaat, die niet de lidstaat van herkomst is, waar de kredietservicer een bijkantoor heeft of kredietservicingactiviteiten verricht, en in ieder geval waar de kredietnemer woont, of zijn statutaire zetel gevestigd is of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor gevestigd is;

12)

“consument”: een natuurlijk persoon die, bij kredietovereenkomsten in de zin van deze richtlijn, handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen;

13)

“niet-renderende kredietovereenkomst”: een kredietovereenkomst die is aangemerkt als een niet-renderende blootstelling overeenkomstig artikel 47 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Hoofdstuk I. Vergunningverlening aan kredietservicers

Artikel 4

Algemene vereisten

1.   De lidstaten verplichten een kredietservicer ertoe om in een lidstaat van herkomst een vergunning te verkrijgen voordat hij zijn activiteiten op het grondgebied van die lidstaat aanvangt in overeenstemming met de vereisten van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

2.   De lidstaten verlenen de bevoegdheid om een vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel te verlenen aan de op grond van artikel 21, lid 3, aangewezen bevoegde autoriteiten.

Artikel 5

Vereisten voor het verlenen van een vergunning

1.   Onverminderd artikel 6 stellen de lidstaten de volgende vereisten vast voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 4, lid 1:

a)

de aanvrager is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en zijn statutaire zetel of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, zijn hoofdkantoor, is gevestigd in de lidstaat waar de aanvrager een vergunning wil verkrijgen;

b)

de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan staan als voldoende betrouwbaar bekend, hetgeen wordt aangetoond doordat zij bewijzen dat:

i)

zij een blanco strafblad of ander nationaal equivalent ten aanzien van relevante strafbare feiten hebben, met name in verband met eigendom, financiële diensten en activiteiten, witwassen van geld, woekerpraktijken, fraude, fiscale misdrijven, schending van het beroepsgeheim of de lichamelijke integriteit, en ten aanzien van alle andere strafbare feiten uit hoofde van het recht inzake ondernemingen, faillissement, insolventie of consumentenbescherming;

ii)

de cumulatieve effecten van kleine voorvallen geen afbreuk doen aan hun betrouwbaarheid;

iii)

zij altijd transparant, open en coöperatief zijn geweest in hun vroegere zakelijke betrekkingen met toezichthoudende en regelgevende autoriteiten;

iv)

zij niet aan een lopende insolventieprocedure zijn onderworpen of voorheen failliet zijn verklaard, tenzij zij overeenkomstig het nationale recht zijn gerehabiliteerd;

i)

zij een blanco strafblad of ander nationaal equivalent ten aanzien van relevante strafbare feiten hebben, met name in verband met eigendom, financiële diensten en activiteiten, witwassen van geld, woekerpraktijken, fraude, fiscale misdrijven, schending van het beroepsgeheim of de lichamelijke integriteit, en ten aanzien van alle andere strafbare feiten uit hoofde van het recht inzake ondernemingen, faillissement, insolventie of consumentenbescherming;

ii)

de cumulatieve effecten van kleine voorvallen geen afbreuk doen aan hun betrouwbaarheid;

iii)

zij altijd transparant, open en coöperatief zijn geweest in hun vroegere zakelijke betrekkingen met toezichthoudende en regelgevende autoriteiten;

iv)

zij niet aan een lopende insolventieprocedure zijn onderworpen of voorheen failliet zijn verklaard, tenzij zij overeenkomstig het nationale recht zijn gerehabiliteerd;

c)

het leidinggevende of bestuursorgaan van de aanvrager als geheel beschikt over voldoende kennis en ervaring om het bedrijf op competente en verantwoorde wijze te leiden;

d)

de personen die een gekwalificeerde deelneming in de aanvrager hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013 staan als voldoende betrouwbaar bekend doordat zij voldoen aan de vereisten die worden genoemd in punt b), i) en iv), van dit lid;

e)

de aanvrager beschikt over robuuste governanceregelingen en adequate internecontrolemechanismen, waaronder risicobeheer en accountingprocedures, die de inachtneming van de rechten van de kredietnemer en de naleving van het recht dat van toepassing is op de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of op de kredietovereenkomst zelf, en van Verordening (EU) 2016/679 waarborgen;

f)

de aanvrager voert een passend beleid dat de naleving van de regels inzake de bescherming, en de eerlijke en zorgvuldige behandeling van kredietnemers waarborgt, door onder meer rekening te houden met hun financiële situatie en door kredietnemers, in voorkomend geval, te verwijzen naar schuldadviesdiensten of sociale diensten;

g)

de aanvrager beschikt over passende en specifieke interne procedures die de registratie en behandeling van klachten van kredietnemers waarborgen;

h)

de aanvrager beschikt over adequate procedures tegen witwassen van geld en terrorismefinanciering wanneer in nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn (EU) 2015/849 kredietservicers worden aangewezen als meldingsplichtige entiteiten voor het voorkomen en bestrijden van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;

i)

de aanvrager is op grond van het toepasselijke nationale recht onderworpen aan vereisten inzake rapportage en openbaarmaking.

2.   De EBA verstrekt na raadpleging van alle relevante belanghebbenden en rekening houdend met alle betrokken belangen richtsnoeren overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 voor de in lid 1, punt c), van dit artikel genoemde vereisten.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst weigeren een vergunning als bedoeld in artikel 4, lid 1, te verlenen wanneer de aanvrager niet voldoet aan de vereisten vastgesteld in lid 1 van dit artikel, en in voorkomend geval, in artikel 6, lid 2, punt a).

Artikel 6

Vermogen om gelden aan te houden

1.   De lidstaten bepalen of het kredietservicers bij het verrichten van kredietservicingactiviteiten op hun grondgebied ofwel:

a)

toegelaten is gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden om die aan kredietkopers over te maken, ofwel

b)

verboden is gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden.

2.   De lidstaten, in gevallen waarin kredietservicers gelden van kredietnemers mogen ontvangen en aanhouden overeenkomstig lid 1, punt a):

a)

stellen, in aanvulling op de in artikel 5, lid 1, gestelde vereisten voor het verlenen van een vergunning, de eis dat de aanvrager over een afzonderlijke rekening bij een kredietinstelling beschikt waarop alle van kredietnemers ontvangen gelden moeten worden gecrediteerd en bewaard totdat zij naar de respectieve kredietkoper worden doorgeleid, onder de met de kredietkoper overeengekomen voorwaarden;

b)

zorgen ervoor dat overeenkomstig het nationale recht die gelden in het belang van de kredietkopers worden beschermd tegen de vorderingen van de andere kredietgevers van de kredietservicers, met name in geval van insolventie;

c)

bepalen dat, ingeval een kredietnemer een betaling verricht aan een kredietservicer, teneinde, geheel of gedeeltelijk, de verschuldigde bedragen terug te betalen met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of tot de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die betaling wordt behandeld als zijnde verricht aan de kredietkoper;

d)

verplichten een kredietservicer, wanneer die gelden van de kredietnemer ontvangt, een ontvangstbewijs of een kwijtingsbrief, op papier of op een andere duurzame drager, aan de kredietnemer te verstrekken waarin de ontvangst van de bedragen wordt bevestigd.

3.   Indien een kredietservicer niet voornemens is gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden als onderdeel van zijn bedrijfsmodel, vermeldt de kredietservicer dat voornemen in zijn vergunningsaanvraag als bedoeld in artikel 4, lid 1. In dergelijke gevallen zijn de overeenkomstig lid 2, punt a), van dit artikel opgenomen vereisten niet van toepassing.

Artikel 7

Procedure voor vergunningverlening aan kredietservicers

1.   De lidstaten stellen een procedure voor vergunningverlening aan kredietservicers vast waarbij een aanvrager een aanvraag indient en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst alle nodige informatie verstrekt om te verifiëren dat de aanvrager aan alle voorwaarden die zijn vastgelegd in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 5, lid 1, en, in voorkomend geval, aan artikel 6, lid 2, punt a), heeft voldaan.

2.   De in lid 1 bedoelde vergunningaanvraag van kredietservicers gaat vergezeld van:

a)

bewijs van de rechtsvorm en een kopie van de oprichtingsakte van de aanvrager en van de vennootschapsstatuten;

b)

het adres van het hoofdkantoor of de statutaire zetel van de aanvrager;

c)

de identiteit van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de aanvrager en de personen die een gekwalificeerde deelneming hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

d)

bewijs dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, punten b) en c);

e)

bewijs dat de personen die een gekwalificeerde deelneming hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, punt d), van deze richtlijn;

f)

bewijs van de in artikel 5, lid 1, punt e), bedoelde governanceregelingen en internecontrolemechanismen;

g)

bewijs van het in artikel 5, lid 1, punt f), bedoelde beleid;

h)

bewijs van de in artikel 5, lid 1, punt g), bedoelde interne procedures;

i)

bewijs van de in artikel 5, lid 1, punt h), bedoelde procedures;

j)

in voorkomend geval, bewijs van het bestaan van een afzonderlijke rekening bij een kredietinstelling als bepaald in artikel 6, lid 2, punt a);

k)

eventuele uitbestedingsovereenkomsten als bedoeld in artikel 12, lid 1.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van herkomst binnen 45 dagen na ontvangst van de vergunningsaanvraag beoordelen of de aanvraag volledig is.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de aanvrager binnen 90 dagen na ontvangst van een volledige aanvraag, of ingeval de aanvraag onvolledig wordt geacht, na de ontvangst van de vereiste informatie, meedelen of de vergunning wordt verleend of geweigerd, en dat zij de redenen vermelden voor een weigering.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat een aanvrager beroep bij de rechter kan instellen in het geval dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst een vergunningsaanvraag op grond van artikel 5, lid 3, besluiten af te wijzen of in het geval zij niet binnen de in lid 4 van dit artikel bepaalde termijn een besluit nemen ten aanzien van de vergunningsaanvraag.

Artikel 8

Intrekking van een vergunning

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 22 de toezichts- en onderzoeksbevoegdheden hebben, alsook de bevoegdheden om sancties op te leggen, die nodig zijn om de aan een kredietservicer verleende vergunning in te trekken, indien één van de volgende situaties van toepassing is op die kredietservicer:

a)

hij maakt geen gebruik van de vergunning binnen twaalf maanden na de verlening ervan;

b)

hij doet uitdrukkelijk afstand van de vergunning;

c)

hij heeft sinds meer dan twaalf maanden de activiteiten van kredietservicer gestaakt;

d)

hij heeft een vergunning verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

e)

hij vervult de vereisten voor de verlening van een vergunning als kredietservicer zoals vastgesteld in artikel 5, lid 1, en indien van toepassing artikel 6, lid 2, punt a), niet meer;

f)

hij begaat een ernstige inbreuk op de toepasselijke regels, inclusief de bepalingen van nationaal recht tot omzetting van deze richtlijn, of op andere regels inzake consumentenbescherming, met inbegrip van de toepasselijke regels van de lidstaat van ontvangst en de lidstaat waar het krediet is verleend.

2.   Wanneer overeenkomstig lid 1 van dit artikel een vergunning wordt ingetrokken, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan onmiddellijk in kennis stellen indien de kredietservicer diensten in de zin van artikel 13 aanbiedt, evenals de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het krediet is verleend indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst.

Artikel 9

Lijst of register van kredietservicers met vergunning

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten ten minste een lijst of, waar dat passender wordt geacht, een nationaal register opstellen en bijhouden van alle kredietservicers met een vergunning om op hun grondgebied diensten te verlenen, inclusief kredietservicers die diensten verrichten op grond van artikel 13 van deze richtlijn.

De EBA ontwikkelt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren voor het opstellen en bijhouden van dergelijke lijsten of registers en met een nadere vermelding van de soort informatie die erin moet worden opgenomen om te zorgen voor een gelijk speelveld in de hele Unie en transparantie voor kredietkopers en kredietnemers.

2.   De in lid 1 bedoelde lijst of het in lid 1 bedoelde register wordt online openbaar gemaakt op de website van de bevoegde autoriteiten en regelmatig bijgewerkt.

3.   Indien een vergunning is ingetrokken op grond van artikel 8, werken de bevoegde autoriteiten de lijst of het register zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel onverwijld bij.

Artikel 10

Betrekkingen met de kredietnemer, communicatie in verband met overdrachten en verdere communicatie

1.   De lidstaten verplichten kredietkopers en kredietservicers om bij hun betrekkingen met kredietnemers:

a)

te goeder trouw, eerlijk en professioneel te handelen;

b)

informatie te verstrekken aan kredietnemers die niet misleidend, onduidelijk of onjuist is;

c)

de persoonlijke informatie en de privacy van kredietnemers te respecteren en te beschermen;

d)

met kredietnemers te communiceren op een wijze die niet kan worden aangemerkt als intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding.

2.   De lidstaten waarborgen dat de kredietkoper of, wanneer die is aangewezen om kredietservicingactiviteiten uit te voeren, de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit, dan wel de kredietservicer na elke overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, aan een kredietkoper, en steeds vóór de eerste inning van de schuld, maar ook wanneer de kredietnemer daarom vraagt, de kredietnemer een mededeling doet toekomen, op papier of op een andere duurzame drager, die ten minste het volgende bevat:

a)

informatie over de overdracht die heeft plaatsgevonden, met inbegrip van de datum van de overdracht;

b)

de identificatie en de contactgegevens van de kredietkoper;

c)

de identificatie en de contactgegevens van de kredietservicer of van de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit, indien die is aangewezen;

d)

bewijs met betrekking tot de op grond van artikel 7 verleende vergunning van een kredietservicer, indien die is aangewezen;

e)

in voorkomend geval, de identificatie en de contactgegevens van de kredietservicingaanbieder;

f)

een duidelijk gepresenteerd contactpunt bij de kredietkoper of, wanneer die is aangewezen om kredietservicingactiviteiten uit te voeren, bij de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit, dan wel bij de kredietservicer en, in voorkomend geval, bij de kredietservicingaanbieder, waar indien nodig informatie kan worden gevraagd;

g)

informatie over de op het moment van de mededeling door de kredietnemer verschuldigde bedragen, met vermelding van wat verschuldigd is als kapitaal, rente, vergoedingen en andere toegestane kosten;

h)

een verklaring dat alle relevante nationale en Uniewetgeving betreffende met name de afdwinging van de naleving van overeenkomsten, consumentenbescherming, de rechten van kredietnemers en het strafrecht van toepassing blijft;

i)

de naam, het adres en de contactgegevens van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de kredietnemer woont of zijn statutaire zetel gevestigd is, of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor gevestigd is en waar hij een klacht kan indienen.

De in de eerste alinea bepaalde mededeling wordt opgesteld in een duidelijke, voor het grote publiek begrijpelijke taal.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietkoper of, wanneer die is aangewezen om kredietservicingactiviteiten uit te voeren, de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit, dan wel de kredietservicer in alle verdere communicatie met de kredietnemer de in lid 2, punt f), van dit artikel bedoelde informatie opneemt, behalve wanneer het gaat om de eerste communicatie na de aanwijzing van een nieuwe kredietservicer, in welk geval ook de in de lid 2, punten c) en d), van dit artikel bedoelde informatie wordt opgenomen.

4.   De leden 2 en 3 doen geen afbreuk aan eventuele aanvullende vereisten met betrekking tot communicatie waarin in ander toepasselijk Unie- of nationaal recht wordt voorzien.

Artikel 11

Contractuele relatie tussen kredietservicer en kredietkoper

1.   Indien een kredietkoper zelf geen kredietservicingactiviteiten uitvoert, zorgen de lidstaten ervoor dat de aangewezen kredietservicer zijn diensten met betrekking tot het beheer en de afdwinging van de naleving van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, verleent op basis van een kredietservicingovereenkomst met een kredietkoper.

2.   De in lid 1 bedoelde kredietservicingovereenkomst omvat:

a)

een gedetailleerde beschrijving van de door de kredietservicer uit te voeren kredietservicingactiviteiten;

b)

het beloningsniveau van de kredietservicer of de wijze waarop de beloning wordt berekend;

c)

de mate waarin de kredietservicer de kredietkoper kan vertegenwoordigen tegenover de kredietnemer;

d)

een door de partijen aangegane verbintenis om het op de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of op de kredietovereenkomst zelf, toepasselijke Unierecht en nationale recht na te leven, ook ten aanzien van de consumenten- en gegevensbescherming;

e)

een clausule waarin de eerlijke en zorgvuldige behandeling van de kredietnemers wordt vereist.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde kredietservicingovereenkomst ook een vereiste omvat dat de kredietservicer, voordat hij zijn kredietservicingactiviteiten uitbesteedt, de kredietkoper daarvan in kennis stelt.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor een periode van ten minste vijf jaar na de datum waarop de in lid 1 bedoelde kredietservicingovereenkomst wordt beëindigd of voor de duur van de in de lidstaat van herkomst toepasselijke wettelijke verjaringstermijn, doch in geen geval langer dan tien jaar, de kredietservicer de volgende bescheiden bewaart:

a)

de relevante correspondentie met de kredietkoper en de kredietnemer, onder de krachtens het toepasselijke nationale recht vastgestelde voorwaarden;

b)

de relevante van de kredietkoper ontvangen instructies ten aanzien van de rechten van de kredietgever krachtens elke niet-renderende kredietovereenkomst, of de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die hij beheert en waarvan hij de naleving afdwingt namens die kredietkoper, onder de krachtens het toepasselijke nationale recht vastgestelde voorwaarden;

c)

de kredietservicingovereenkomst.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer de in lid 4 bedoelde bescheiden op verzoek aan de bevoegde autoriteiten ter beschikking stelt.

Artikel 12

Uitbesteding door een kredietservicer

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer, wanneer hij een kredietservicingaanbieder gebruikt om een kredietservicingactiviteit uit te oefenen, volledig verantwoordelijk blijft voor de nakoming van alle verplichtingen krachtens nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn. De uitbesteding van die kredietservicingactiviteiten is aan de volgende voorwaarden onderworpen:

a)

tussen de kredietservicer en de kredietservicingaanbieder wordt een schriftelijke uitbestedingsovereenkomst gesloten waarin wordt bepaald dat de kredietservicingaanbieder verplicht is tot naleving van de toepasselijke wettelijke bepalingen, met inbegrip van nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, en het relevante Unierecht of nationale recht dat van toepassing is op de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of op de kredietovereenkomst zelf;

b)

het is verboden alle kredietservicingactiviteiten tegelijkertijd uit te besteden aan een kredietservicingaanbieder;

c)

de contractuele relatie tussen de kredietservicer en de kredietkoper en de verplichtingen van de kredietservicer jegens de kredietkoper of kredietnemers worden niet gewijzigd door de uitbestedingsovereenkomst met de kredietservicingaanbieder;

d)

de uitbesteding van sommige kredietservicingactiviteiten doet geen afbreuk aan de naleving door een kredietservicer van de in artikel 5, lid 1, vastgestelde vergunningsvereisten;

e)

de uitbesteding aan de kredietservicingaanbieder verhindert niet dat de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 14 en 21 toezicht uitoefenen op een kredietservicer;

f)

de kredietservicer heeft rechtstreeks toegang tot alle relevante informatie met betrekking tot de aan de kredietservicingaanbieder uitbestede kredietservicingactiviteiten;

g)

na de beëindiging van de uitbestedingsovereenkomst beschikt de kredietservicer over de deskundigheid en middelen om de uitbestede kredietservicingactiviteiten te kunnen uitoefenen.

De uitbesteding van kredietservicingactiviteiten wordt niet uitgevoerd op een manier die de kwaliteit van de interne controles van de kredietservicer of de soliditeit of continuïteit van zijn kredietservicingactiviteiten schaadt.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en, in voorkomend geval, de lidstaat van ontvangst vóór de uitbesteding van zijn kredietservicingactiviteiten overeenkomstig lid 1 daarvan in kennis stelt.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer bescheiden inzake relevante instructies aan de kredietservicingaanbieder, overeenkomstig de in het toepasselijke nationale recht vastgestelde voorwaarden, en inzake de in lid 1 bedoelde uitbestedingsovereenkomst bewaart voor een periode van ten minste vijf jaar na de datum waarop de uitbestedingsovereenkomst wordt beëindigd of voor de duur van de in de lidstaat toepasselijke wettelijke verjaringstermijn, doch in geen geval langer dan tien jaar.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer en de kredietservicingaanbieder de in lid 3 bedoelde informatie op verzoek aan de bevoegde autoriteiten ter beschikking stelt.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat het kredietservicingaanbieders niet toegestaan is gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden.

Hoofdstuk II. Grensoverschrijdende kredietservicingactiviteiten

Artikel 13

Vrijheid om in een lidstaat van ontvangst kredietservicingactiviteiten uit te oefenen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een kredietservicer die overeenkomstig artikel 4, lid 1, in een lidstaat van herkomst een vergunning heeft verkregen, het recht heeft de onder die vergunning vallende diensten in de Unie te verrichten, onverminderd eventuele in het nationale recht van de overeenkomstig deze richtlijn in de lidstaat van ontvangst vastgestelde beperkingen en vereisten, met inbegrip van, in voorkomend geval, een verbod op het ontvangen en aanhouden van gelden van kredietnemers, die geen verband houden met andere vergunningsvereisten van kredietservicers, of onverminderd beperkingen en vereisten die zijn vastgesteld met het oog op de heronderhandeling over de voorwaarden met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of over de kredietovereenkomst zelf.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat een kredietservicer die overeenkomstig artikel 4, lid 1, in een lidstaat van herkomst een vergunning heeft verkregen en die voornemens is in een lidstaat van ontvangst diensten te verrichten, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de volgende informatie verstrekt:

a)

de lidstaat van ontvangst waar de kredietservicer voornemens is diensten te verrichten en, indien de kredietservicer reeds over die informatie beschikt, de lidstaat waar het krediet is verleend indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst;

b)

in voorkomend geval, het adres van het in de lidstaat van ontvangst gevestigde bijkantoor van de kredietservicer;

c)

in voorkomend geval, de identiteit en het adres van de kredietservicingaanbieder in de lidstaat van ontvangst;

d)

de identiteit van de personen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van het verrichten van kredietservicingactiviteiten in de lidstaat van ontvangst;

e)

in voorkomend geval, details van de maatregelen die zijn genomen om de interne procedures, governanceregelingen en internecontrolemechanismen van de kredietservicer aan te passen teneinde de naleving van de voorschriften te waarborgen die van toepassing zijn op de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of op de kredietovereenkomst zelf;

f)

een beschrijving van de vastgestelde procedure om te voldoen aan de regels ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, waarbij kredietservicers in het nationale recht van de lidstaat van ontvangst tot omzetting van Richtlijn (EU) 2015/849 worden aangewezen als meldingsplichtige entiteiten voor het voorkomen en bestrijden van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;

g)

dat de kredietservicer over passende middelen beschikt om in de taal van de lidstaat van ontvangst of de taal van de kredietovereenkomst te communiceren;

h)

of de kredietservicer al dan niet over een vergunning beschikt om in zijn lidstaat van herkomst gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst delen alle in lid 2 bedoelde informatie binnen 45 dagen na ontvangst ervan mede aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, die de ontvangst ervan onverwijld bevestigen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen vervolgens de kredietservicer in kennis van de datum waarop de informatie aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst is meegedeeld, alsook de datum waarop die bevoegde autoriteiten de ontvangst van de informatie hebben bevestigd. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst deelt ook alle in lid 2 bedoelde informatie mede aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat een kredietservicer beroep bij de rechter kan instellen wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verzuimen de in lid 2 bedoelde informatie mede te delen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer in staat is te beginnen met het verrichten van diensten in de lidstaat van ontvangst vanaf de eerste van de volgende tijdstippen:

a)

de ontvangst van de mededeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst waarbij zij de ontvangst van de in lid 3 bedoelde mededeling bevestigen;

b)

wanneer geen mededeling als bedoeld in punt a) van dit lid wordt ontvangen, na het verstrijken van twee maanden vanaf de datum van indiening van alle informatie als bedoeld in lid 2 bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat een kredietservicer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis stelt van eventuele latere wijzigingen van de informatie die overeenkomstig lid 2 moet worden medegedeeld. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten voor de naleving van de procedure van de leden 3, 4 en 5.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in de lijst of het register als bedoeld in artikel 9 de kredietservicers opnemen die een vergunning hebben om op hun grondgebied kredietservicingactiviteiten te verrichten, alsmede de details van de lidstaat van herkomst.

Artikel 14

Toezicht op kredietservicers die grensoverschrijdende diensten verlenen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst toetsen en evalueren of een kredietservicer die kredietservicingactiviteiten verricht in een lidstaat van ontvangst, voortdurend voldoet aan de vereisten van deze richtlijn.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegdheid krijgen om toezicht te houden op, onderzoek in te stellen naar en administratieve sancties en corrigerende maatregelen op te leggen aan kredietservicers ten aanzien van de vereisten van deze richtlijn bij de uitvoering van hun kredietservicingactiviteiten in een lidstaat van ontvangst.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de ten aanzien van de kredietservicer genomen maatregelen mededelen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en, waar passend, van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een kredietservicer in een lidstaat van ontvangst kredietservicingactiviteiten verricht, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en, waar passend, van de lidstaat waar het krediet is verleend indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, nauw samenwerken bij de uitvoering van hun functies en taken, met name bij het uitvoeren van controles, onderzoeken en inspecties ter plaatse.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst bij de uitvoering van hun functies en taken bepaald in deze richtlijn de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om bijstand verzoeken bij het uitvoeren van een inspectie ter plaatse van een bijkantoor dat gevestigd is, of een kredietservicingaanbieder die aangewezen is, in een lidstaat van ontvangst. De inspectie ter plaatse van een bijkantoor of een kredietservicingaanbieder wordt uitgevoerd in overeenstemming met het recht van de lidstaat waar de inspectie wordt uitgevoerd.

6.   Voorts zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in elk individueel geval het recht hebben te beslissen welke maatregelen het meest passend zijn om aan het verzoek om bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst te voldoen.

7.   Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst besluiten namens de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst inspecties ter plaatse uit te voeren, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onverwijld in kennis van de resultaten daarvan.

8.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst mogen op eigen initiatief controles, inspecties en onderzoeken uitvoeren naar kredietservicingacitviteiten die op hun grondgebied worden verricht door een kredietservicer met een in een lidstaat van herkomst verleende vergunning. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst delen de resultaten van die controles, inspecties en onderzoeken onverwijld mede aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

9.   De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst over bewijs beschikken dat een kredietservicer die op het grondgebied van die lidstaat kredietservicingactiviteiten verricht, zoals bepaald in artikel 13, de toepasselijke regels, met inbegrip van de uit de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, niet nakomt, zij dat bewijs aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst toezenden met het verzoek passende maatregelen te nemen, onverminderd de toezichts- en onderzoeksbevoegdheden, en de bevoegdheden om sancties op te leggen, van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst ten aanzien van de kredietservicer op grond van het nationale recht, met name de regels die van toepassing zijn op het krediet of de kredietovereenkomst.

10.   De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaten van herkomst en ontvangst, over bewijs beschikken dat een kredietservicer een inbreuk maakt op de verplichtingen die zijn vastgesteld in deze richtlijn, of in de nationale regels die van toepassing zijn op het krediet of de kredietovereenkomst, zij dat bewijs aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst toezenden met het verzoek passende maatregelen te nemen, onverminderd de toezichts- en onderzoeksbevoegdheden, en de bevoegdheden om sancties op te leggen, van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaten van herkomst en ontvangst.

11.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die het bewijs hebben toegezonden, uiterlijk twee maanden na het in lid 9 bedoelde verzoek in kennis stellen van nadere bijzonderheden over een in verband met het door de lidstaat van ontvangst verstrekte bewijs ingeleide administratieve of andere procedure, aan de kredietservicer opgelegde administratieve sancties en corrigerende maatregelen of een met redenen omkleed besluit om geen maatregelen te nemen. Indien een procedure is ingeleid, houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst op de hoogte van de stand van zaken.

12.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien een kredietservicer een inbreuk blijft maken op de toepasselijke regels, met inbegrip van zijn verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, en nadat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de lidstaat van herkomst daarvan in kennis hebben gesteld, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst het recht hebben passende administratieve sancties en corrigerende maatregelen op te leggen om ervoor te zorgen dat deze richtlijn wordt nageleefd wanneer er sprake is van één van de volgende situaties:

a)

de kredietservicer heeft geen passende en doeltreffende stappen ondernomen om de inbreuk binnen een redelijke termijn recht te zetten, of

b)

in een dringend geval, wanneer onmiddellijke actie noodzakelijk is om een ernstige bedreiging van de collectieve belangen van de kredietnemers het hoofd te bieden.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst kunnen de in de eerste alinea bedoelde administratieve sancties en corrigerende maatregelen opleggen, niettegenstaande eventuele reeds door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst opgelegde administratieve sancties en corrigerende maatregelen.

Bovendien mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst verdere activiteiten verbieden van een kredietservicer die een inbreuk maakt op de toepasselijke regels, waaronder zijn verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, totdat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst een passend besluit heeft genomen of de kredietservicer maatregelen heeft genomen om de inbreuk te verhelpen.

Titel III. Kredietkopers

Artikel 15

Recht op informatie over de rechten van de kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst of over de niet-renderende kredietovereenkomst zelf

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een kredietinstelling aan een potentiële kredietkoper de nodige informatie verstrekt met betrekking tot de rechten van de kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of tot de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, en, in voorkomend geval, de zekerheid, om de potentiële kredietkoper in staat te stellen zijn eigen beoordeling uit te voeren van de waarde van de rechten van de kredietgever krachtens de niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, en de kans op inning van de waarde van die overeenkomst voordat hij een contract tot overdracht van de rechten van die kredietgever krachtens de niet-renderende kredietovereenkomst, of van die niet-renderende kredietovereenkomst zelf, sluit, en hierbij de bescherming waarborgt van de informatie die door de kredietinstelling beschikbaar wordt gesteld, evenals de vertrouwelijkheid van de bedrijfsgegevens.

2.   De lidstaten verplichten kredietinstellingen die de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, aan een kredietkoper overdragen ertoe de overeenkomstig artikel 21, lid 3, van deze richtlijn aangewezen bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en de in artikel 4, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad  bedoelde bevoegde autoriteiten tweemaal per jaar in kennis te stellen van ten minste:

a)

de identificatiecode voor juridische entiteiten (legal entity identifier, LEI) van de kredietkoper of, in voorkomend geval, van zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger, of, indien een dergelijke identificatiecode niet bestaat:

i)

de identiteit van de kredietkoper of van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de kredietkoper en de personen die een gekwalificeerde deelneming in de kredietkoper hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en

ii)

het adres van de kredietkoper of, in voorkomend geval, van zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger;

i)

de identiteit van de kredietkoper of van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de kredietkoper en de personen die een gekwalificeerde deelneming in de kredietkoper hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en

ii)

het adres van de kredietkoper of, in voorkomend geval, van zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger;

b)

het totale uitstaande saldo van de rechten van de kredietgever krachtens de niet-renderende kredietovereenkomsten, of van de niet-renderende kredietovereenkomsten, die worden overgedragen;

c)

het aantal en de omvang van de rechten van de kredietgever krachtens de niet-renderende kredietovereenkomsten, of van de niet-renderende kredietovereenkomsten, die worden overgedragen;

d)

informatie over de vraag of de rechten van de kredietgever krachtens de niet-renderende, met consumenten gesloten kredietovereenkomsten, of de niet-renderende, met consumenten gesloten kredietovereenkomsten zelf, onder de overdracht vallen en, in voorkomend geval, de soorten activa die voor de niet-renderende kredietovereenkomsten als zekerheid zijn gesteld.

3.   De in lid 2 bedoelde bevoegde autoriteiten kunnen voorschrijven dat kredietinstellingen de in dat lid bedoelde informatie op kwartaalbasis verstrekken wanneer zij dat nodig achten, ook om beter toezicht te houden op een groot aantal overdrachten die tijdens een crisisperiode kunnen plaatsvinden.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie en alle andere informatie die zij nodig achten voor de uitvoering van hun functies en taken overeenkomstig deze richtlijn onverwijld mededelen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de kredietkoper.

5.   De leden 1 tot en met 4 worden toegepast in overeenstemming met Verordeningen (EU) 2016/679 en (EU) 2018/1725.

Artikel 16

Technische uitvoeringsnormen voor gegevenstemplates

1.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die specificeren welke templates voor het verstrekken van informatie als bedoeld in artikel 15, lid 1, moeten worden gebruikt door kredietinstellingen, teneinde gedetailleerde informatie over hun kredietblootstellingen in de bankportefeuille te verstrekken aan kredietkopers voor analyse, financieel boekenonderzoek (due diligence) en taxatie van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf.

2.   De EBA specificeert in de in lid 1 van dit artikel bedoelde ontwerpen van technische uitvoeringsnormen de gegevensvelden, met inbegrip van welke gegevensvelden verplicht zijn, en de gegevensverwerking van vertrouwelijke informatie als bedoeld in artikel 15, lid 1.

3.   De ontwerpen van technische uitvoeringsnormen staan in verhouding tot de aard en omvang van de kredieten en kredietportefeuilles.

4.   Bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde ontwerpen van technische uitvoeringsnormen, houdt de EBA rekening met alle volgende elementen:

a)

de bestaande marktpraktijken op het gebied van gegevensuitwisseling tussen kopers en verkopers;

b)

de van gebruikers ontvangen feedback over hun ervaring met het gebruik van de bestaande transactietemplates van de EBA voor niet-renderende leningen;

c)

bestaande vergelijkbare vereisten op het niveau van de lidstaten;

d)

het belang van het tot een minimum beperken van de verwerkingskosten voor kredietinstellingen en kredietkopers.

5.   De EBA dient de in lid 1 bedoelde ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 29 september 2022 bij de Commissie in.

6.   Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in lid 1 bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.   De gegevenstemplates worden gebruikt voor transacties in verband met kredieten die op of na 1 juli 2018 zijn verleend en die na 28 december 2021 niet-renderend worden. Voor kredieten die ontstaan tussen 1 juli 2018 en de datum van inwerkingtreding van de in lid 1 bedoelde technische uitvoeringsnormen, vullen de kredietinstellingen de gegevenstemplate in met de informatie waarover zij reeds beschikken.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat kredietinstellingen de in lid 6 bedoelde technische uitvoeringsnormen ook toepassen op de overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, aan andere kredietinstellingen. De gegevenstemplates worden door kredietinstellingen gebruikt voor het verstrekken van informatie tussen kredietinstellingen in gevallen waarin er alleen een overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, is.

Artikel 17

Verplichtingen van kredietkopers

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

een kredietkoper die in de Unie woont, of die zijn statutaire zetel of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, hoofdkantoor in de Unie heeft, een entiteit zoals bedoeld in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), of een kredietservicer aanwijst om kredietservicingactiviteiten te verrichten met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende, met consumenten gesloten kredietovereenkomst, of tot de niet-renderende, met consumenten gesloten kredietovereenkomst zelf;

b)

indien een kredietkoper niet in de Unie woont, of geen statutaire zetel of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, hoofdkantoor in de Unie heeft, zijn overeenkomstig artikel 19, lid 1, aangewezen vertegenwoordiger een entiteit zoals bedoeld in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), of een kredietservicer aanwijst, behalve in gevallen waarbij de vertegenwoordiger zelf een entiteit zoals bedoeld in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), of een kredietservicer is, om kredietservicingactiviteiten te verrichten ten aanzien van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of ten aanzien van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die is gesloten met:

i)

natuurlijke personen, met inbegrip van consumenten en zelfstandigen;

ii)

micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), als gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie .

i)

natuurlijke personen, met inbegrip van consumenten en zelfstandigen;

ii)

micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), als gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie .

De lidstaten van ontvangst kunnen de in de eerste alinea bedoelde vereiste uitbreiden tot andere kredietovereenkomsten.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat een kredietkoper bij de koop van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, niet onderworpen is aan meer vereisten dan die welke in de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn dan wel in bepalingen van het toepasselijke consumentenrecht, contractenrecht, burgerlijk recht of strafrecht zijn opgenomen. De lidstaten zorgen ervoor dat het relevante Unie- en nationale recht dat betrekking heeft op in het bijzonder de afdwinging van de naleving van contracten, consumentenbescherming, de rechten van kredietnemers, de herkomst van kredieten, de regels inzake bankgeheim en het strafrecht van toepassing blijft op de kredietkoper na de overdracht van de rechten van de kredietgever krachtens de kredietovereenkomst, of van de kredietovereenkomst zelf, aan de kredietkoper. De overdracht van de rechten van de kredietgever krachtens de kredietovereenkomst, of van de kredietovereenkomst zelf, aan de kredietkoper, laat het niveau van bescherming dat uit hoofde van het Unie- en nationale recht wordt geboden aan consumenten en andere kredietnemers, alsook de insolventieregels, onverlet, onverminderd nationale en internationale regels inzake orderbriefjes en wisselbrieven.

3.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan nationale bevoegdheden inzake kredietregisters, waaronder de bevoegdheid om van kredietkopers informatie te vereisen over de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of over de kredietovereenkomst zelf, en de uitvoering daarvan.

4.   De lidstaten mogen kredietkopers toestaan natuurlijke personen te contracteren om de kredietovereenkomsten die zij hebben verworven te servicen. Die natuurlijke personen worden onderworpen aan een nationale regulerings- en toezichtregeling en maken geen gebruik van de vrijheid waarin deze richtlijn voorziet om in een andere lidstaat kredietservicingactiviteiten te verrichten.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de aangewezen kredietservicer, of entiteit zoals bedoeld in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), namens de kredietkoper de verplichtingen nakomt die op grond van lid 2 van dit artikel en de artikelen 18 en 20 op de kredietkoper van toepassing zijn. In gevallen waarin geen kredietservicer of in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit is aangewezen, blijft de kredietkoper of zijn vertegenwoordiger onderworpen aan die verplichtingen.

De lidstaten kunnen eisen dat de door een kredietkoper aangewezen kredietservicer, of entiteit zoals bedoeld in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), namens de kredietkoper de verplichtingen nakomt die overeenkomstig het nationale recht, waaronder die in verband met lid 3 van dit artikel, op de kredietkoper van toepassing zijn.

Artikel 18

Gebruik van kredietservicers of andere entiteiten

1.   Wanneer de kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger een in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit of een kredietservicer aanwijst om kredietservicingactiviteiten te verrichten in verband met de overgedragen rechten van de kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of met de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, verplichten de lidstaten die kredietkoper of zijn vertegenwoordiger ertoe de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst ten laatste op de datum waarop de kredietservicingactiviteiten beginnen in kennis te stellen van de identiteit en het adres van de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit of de kredietservicer.

2.   Wanneer de kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger een andere entiteit aanwijst dan de overeenkomstig lid 1 van dit artikel ter kennis gebrachte entiteit, stelt hij de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst daarvan ten laatste op de datum van die wijziging in kennis, en hij vermeldt daarbij de identiteit en het adres van de nieuwe entiteit die hij heeft aangewezen voor het verrichten van kredietservicingactiviteiten met betrekking tot de overgedragen rechten van de kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of tot de niet-renderende kredietovereenkomst zelf.

3.   De lidstaten verplichten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de kredietkoper ertoe de overeenkomstig de leden 1 en 2 ontvangen informatie zonder onnodige vertraging mede te delen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin het krediet is verleend en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de nieuwe kredietservicer.

Artikel 19

Vertegenwoordiger van een kredietkoper uit een derde land

1.   De lidstaten bepalen dat een kredietkoper die niet in de Unie woont, of die geen statutaire zetel of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, hoofdkantoor in de Unie heeft, bij overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, schriftelijk een vertegenwoordiger aanwijst die in de Unie woont, of wel zijn statutaire zetel of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, hoofdkantoor in de Unie heeft.

2.   De in lid 1 bedoelde vertegenwoordiger kan door de bevoegde autoriteiten naast of in plaats van de kredietkoper worden aangesproken over alle aangelegenheden in verband met de naleving van deze richtlijn en is volledig verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen die de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn aan de kredietkoper opleggen.

Artikel 20

Overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, door een kredietkoper en mededeling aan de bevoegde autoriteiten

1.   De lidstaten verplichten een kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger die de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, overdraagt, ertoe de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst tweemaal per jaar in kennis te stellen van de identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI) van de nieuwe kredietkoper en, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger, of, ingeval een dergelijke identificatiecode niet bestaat:

a)

de identiteit van de nieuwe kredietkoper of, in voorkomend geval, van zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger, dan wel van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de nieuwe kredietkoper of zijn vertegenwoordiger en de personen die een gekwalificeerde deelneming in de nieuwe kredietkoper of zijn vertegenwoordiger hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en

b)

het adres van de nieuwe kredietkoper of, in voorkomend geval, van zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger.

Daarnaast stelt de kredietkoper of zijn vertegenwoordiger de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst ten minste in kennis van het volgende:

a)

het totale uitstaande saldo van de rechten van de kredietgever krachtens de niet renderende kredietovereenkomsten, of van de niet-renderende kredietovereenkomsten, die worden overgedragen;

b)

het aantal en de omvang van de rechten van de kredietgever krachtens de niet renderende kredietovereenkomsten, of van de niet-renderende kredietovereenkomsten, die worden overgedragen;

c)

informatie over de vraag of de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende, met consumenten gesloten kredietovereenkomst, of een niet-renderende, met consumenten gesloten kredietovereenkomst zelf, onder de overdracht vallen en, in voorkomend geval, de soorten activa die voor de niet-renderende kredietovereenkomst als zekerheid zijn gesteld.

2.   De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten kunnen voorschrijven dat kredietkopers of, in voorkomend geval, hun overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordigers de in dat lid bedoelde informatie op kwartaalbasis verstrekken wanneer die bevoegde autoriteiten dat nodig achten, ook om beter toezicht te houden op een groot aantal overdrachten die tijdens een crisisperiode kunnen plaatsvinden.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 1 en 2 bedoelde bevoegde autoriteiten de overeenkomstig die leden ontvangen informatie zonder onnodige vertraging doorgeven aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de nieuwe kredietkoper.

Titel IV. Toezicht

Artikel 21

Toezicht door de bevoegde autoriteiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat kredietservicers en, in voorkomend geval, kredietservicingaanbieders waaraan overeenkomstig artikel 12 kredietservicingactiviteiten zijn uitbesteed, voortdurend de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn naleven en dat die activiteiten zijn onderworpen aan passend toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst om die naleving te toetsen.

2.   De lidstaat van herkomst van een kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger zorgt ervoor dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de nakoming van de in artikel 10 en de artikelen 17 tot en met 20 opgenomen verplichtingen ten aanzien van kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger.

3.   De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de functies en taken krachtens de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

4.   Wanneer lidstaten op grond van lid 3 meer dan één bevoegde autoriteit aanwijzen, stellen zij hun respectieve taken vast en wijzen zij één van hen aan als het centrale toegangspunt voor alle noodzakelijke uitwisselingen en interacties met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of ontvangst.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen worden getroffen om de op grond van lid 3 van dit artikel aangewezen bevoegde autoriteiten in staat te stellen van kredietkopers of hun overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordigers, kredietservicers, kredietservicingaanbieders waaraan een kredietservicer krachtens artikel 12 kredietservicingactiviteiten uitbesteedt, kredietnemers en elke andere persoon of overheidsinstantie de nodige informatie te verkrijgen om:

a)

de voortdurende naleving van de in de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn neergelegde vereisten te toetsen;

b)

mogelijke inbreuken op die vereisten te onderzoeken;

c)

administratieve sancties en corrigerende maatregelen op te leggen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 23.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat de op grond van lid 3 aangewezen bevoegde autoriteiten de deskundigheid, middelen, operationele capaciteit en bevoegdheden hebben die nodig zijn om hun functies en taken uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren.

Artikel 22

Toezichthoudende rol en bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de op grond van artikel 21, lid 3, aangewezen bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst alle toezichts- en onderzoeksbevoegdheden, en alle bevoegdheden om sancties op te leggen, krijgen die nodig zijn voor de uitvoering van hun functies en taken uit hoofde van deze richtlijn, inclusief ten minste:

a)

de bevoegdheid om een vergunning te verlenen of te weigeren op grond van de artikelen 5 en 6;

b)

de bevoegdheid om een vergunning in te trekken op grond van artikel 8;

c)

de bevoegdheid om om het even welke kredietservicingactiviteit te verbieden;

d)

de bevoegdheid om inspecties ter plaatse en elders uit te voeren;

e)

de bevoegdheid om administratieve sancties en corrigerende maatregelen op te leggen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 23;

f)

de bevoegdheid om op grond van artikel 12, lid 1 gesloten uitbestedingsovereenkomsten tussen kredietservicers en kredietservicingaanbieders te controleren;

g)

de bevoegdheid om kredietservicers ertoe te verplichten leden van hun leidinggevende of bestuursorgaan te ontslaan wanneer zij niet voldoen aan de in artikel 5, lid 1, punt b), vastgestelde vereisten;

h)

de bevoegdheid om kredietservicers ertoe te verplichten hun interne governanceregelingen en internecontrolemechanismen aan te passen of te actualiseren om daadwerkelijk de eerbiediging van de rechten van kredietnemers te waarborgen in overeenstemming met het recht dat van toepassing is op de kredietovereenkomst;

i)

de bevoegdheid om kredietservicers te verplichten tot een aanpassing of actualisering van het beleid dat zij voeren om de eerlijke en zorgvuldige behandeling van de kredietnemers en de registratie en behandeling van de klachten van kredietnemers te waarborgen;

j)

de bevoegdheid om te verzoeken om nadere informatie over de overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens de niet-renderende kredietovereenkomst, of over de niet-renderende kredietovereenkomst zelf.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de op grond van artikel 21, lid 3, aangewezen bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en van de lidstaat waar het krediet werd verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, over alle nodige bevoegdheden beschikken om hun functies en taken uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de inachtneming van de in artikel 5, lid 1, punten e) tot en met h), vastgelegde vereisten door een kredietservicer evalueren door een op risicofactoren gebaseerde benadering toe te passen.

4.   De lidstaten bepalen de reikwijdte van de in lid 3 bedoelde evaluatie, gelet op de omvang, aard, schaal en complexiteit van de activiteiten van de betrokken kredietservicer.

5.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst of van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, op verzoek van een van die bevoegde autoriteiten, of wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dat passend achten, in kennis van de resultaten van de in lid 3 bedoelde evaluatie. De nadere bijzonderheden over opgelegde administratieve sancties of corrigerende maatregelen worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst altijd doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en, waar passend, van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en ontvangst, en van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, bij de uitvoering van de in lid 3 bedoelde evaluatie alle informatie uitwisselen die nodig is om hen in staat te stellen hun respectieve functies en taken uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst een kredietservicer, kredietservicingaanbieder of kredietkoper of diens overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger die niet aan de vereisten van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn voldoet, ertoe kan verplichten in een vroeg stadium alle noodzakelijke maatregelen of stappen te nemen om aan die bepalingen te voldoen.

Artikel 23

Administratieve sancties en corrigerende maatregelen

1.   Onverminderd het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties op te leggen, stellen de lidstaten regels vast voor het bepalen van passende administratieve sancties en corrigerende maatregelen die ten minste in de volgende situaties van toepassing zijn:

a)

een kredietservicer verzuimt te voldoen aan de vereiste die is vastgelegd in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 11 van deze richtlijn of sluit een uitbestedingsovereenkomst in strijd met de bepalingen tot omzetting van artikel 12 of de kredietservicingaanbieder waaraan de kredietservicingactiviteiten zijn uitbesteed, maakt ernstig inbreuk op de toepasselijke wettelijke bepalingen, inclusief de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn;

b)

de governanceregelingen en internecontrolemechanismen van een kredietservicer zoals bepaald in artikel 5, lid 1, punt e), waarborgen niet dat de rechten van de kredietnemer worden geëerbiedigd en de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens worden nageleefd;

c)

het beleid van een kredietservicer is ontoereikend voor de behoorlijke behandeling van kredietnemers als beschreven in artikel 5, lid 1, punt f);

d)

de interne procedures van een kredietservicer zoals bepaald in artikel 5, lid 1, punt g), voorzien niet in de registratie en behandeling van klachten van kredietnemers volgens de in de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn vastgelegde verplichtingen;

e)

een kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger verzuimt de informatie mede te delen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van de artikelen 18 en 20;

f)

een kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger verzuimt te voldoen aan de vereiste van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 17;

g)

een kredietkoper verzuimt te voldoen aan de vereiste van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 19;

h)

een kredietinstelling verzuimt de in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 15 vastgestelde informatie mee te delen;

i)

een kredietservicer staat toe dat één of meer personen die niet voldoen aan de in artikel 5, lid 1, punt b), vastgestelde vereisten lid worden of blijven van zijn leidinggevende of bestuursorgaan;

j)

een kredietservicer verzuimt te voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 24;

k)

een kredietkoper of, in voorkomend geval, een kredietservicer of een entiteit zoals bedoeld in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), verzuimt te voldoen aan de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 10;

l)

een kredietservicer ontvangt gelden van kredietnemers en houdt die aan, wanneer dat in een lidstaat niet is toegestaan overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt b);

m)

een kredietservicer verzuimt te voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 6, lid 2.

2.   De in lid 1 bedoelde administratieve sancties en corrigerende maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en omvatten ten minste het volgende:

a)

intrekking van een vergunning voor het verrichten van activiteiten als kredietservicer;

b)

een bevel waarbij de kredietservicer of kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger wordt gelast de inbreuk te verhelpen en die gedraging te staken en niet meer te herhalen;

c)

administratieve geldboeten.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat administratieve sancties en corrigerende maatregelen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten, bij het bepalen van de aard van administratieve sancties of corrigerende maatregelen en van het bedrag van de administratieve geldboeten, relevante omstandigheden in aanmerking nemen, waaronder het volgende:

a)

de ernst en duur van de inbreuk;

b)

de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger;

c)

de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper, rekening houdend met onder meer de totale omzet van een rechtspersoon of het jaarinkomen van een natuurlijke persoon;

d)

de omvang van de door de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger als gevolg van de inbreuk behaalde winsten of vermeden verliezen, voor zover die kunnen worden bepaald;

e)

de verliezen die derden door de inbreuk hebben geleden, voor zover die verliezen kunnen worden bepaald;

f)

de mate waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper met de bevoegde autoriteiten meewerkt;

g)

eerdere inbreuken door de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger;

h)

alle daadwerkelijke of potentiële systemische effecten van de inbreuk.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de in lid 2 genoemde administratieve sancties en corrigerende maatregelen kunnen toepassen op leden van het leidinggevende of bestuursorgaan en andere personen die op grond van het nationale recht verantwoordelijk zijn voor de inbreuk.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten, voordat zij een besluit tot oplegging van in lid 2 van dit artikel genoemde administratieve sancties of corrigerende maatregelen nemen, de betrokken kredietservicer, kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger in de gelegenheid stellen te worden gehoord.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat een besluit waarbij in lid 2 genoemde administratieve sancties of corrigerende maatregelen worden opgelegd, naar behoren gemotiveerd is en vatbaar is voor beroep.

8.   De lidstaten kunnen besluiten geen regels voor administratieve sancties vast te stellen met betrekking tot inbreuken waarop krachtens hun nationale recht strafrechtelijke sancties gelden. In dat geval delen de lidstaten de Commissie de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen mede.

Titel V. Waarborgen en samenwerkingsplicht

Artikel 24

Klachten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat kredietservicers doeltreffende en transparante procedures voor de behandeling van klachten van kredietnemers vaststellen en in stand houden.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de behandeling van klachten van kredietnemers door kredietservicers kosteloos is en dat kredietservicers de klachten en de genomen maatregelen om die aan te pakken, registreren.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten een procedure voor de behandeling van klachten van kredietnemers met betrekking tot kredietkopers, kredietservicers en kredietservicingaanbieders vaststellen en bekendmaken, en dat die klachten na ontvangst onverwijld worden behandeld.

Artikel 25

Bescherming van persoonsgegevens

De verwerking van persoonsgegevens voor de bij deze richtlijn beoogde doeleinden geschiedt overeenkomstig Verordeningen (EU) 2016/679 en (EU) 2018/1725.

Artikel 26

Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in de artikelen 8, 13, 14, 15, 18, 20 en 22 bedoelde bevoegde autoriteiten met elkaar samenwerken wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun functies en taken of de uitoefening van hun bevoegdheden uit hoofde van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn. Die bevoegde autoriteiten coördineren tevens hun acties om mogelijke duplicatie en overlapping te voorkomen bij de toepassing van toezichtbevoegdheden, administratieve sancties en corrigerende maatregelen op grensoverschrijdende gevallen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten elkaar op verzoek en zonder onnodige vertraging de informatie verstrekken die nodig is voor de uitoefening van hun functies en taken uit hoofde van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten die bij de uitoefening van hun functies en taken krachtens deze richtlijn vertrouwelijke informatie ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken bij de uitoefening van hun functies en taken uit hoofde van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn. De uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten valt onder de in artikel 76 van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad  bedoelde verplichting tot beroepsgeheim.

4.   De lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, en auditeurs of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

5.   De lidstaten nemen de nodige administratieve en organisatorische maatregelen om de in dit artikel bedoelde samenwerking te vergemakkelijken.

6.   De EBA vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten in de lidstaten en bevordert hun onderlinge samenwerking.

Titel VI. Wijziging

Artikel 27

Wijzigingen van Richtlijn 2008/48/EG

Richtlijn 2008/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 28

Wijzigingen van Richtlijn 2014/17/EU

Richtlijn 2014/17/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

Titel VII. Slotbepalingen

Artikel 29

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad .

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 30

Evaluatie

1.   Uiterlijk op 29 december 2026 verricht de Commissie een evaluatie van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de belangrijkste bevindingen. De evaluatie bestaat ten minste uit het volgende:

a)

het aantal kredietservicers met een vergunning in de Unie en het aantal kredietservicers dat zijn diensten in een lidstaat van ontvangst verricht;

b)

het aantal rechten van kredietgevers krachtens niet-renderende kredietovereenkomsten of het aantal niet-renderende kredietovereenkomsten dat van kredietinstellingen is gekocht door kredietkopers die wonen, of die hun statutaire zetel of, indien zij op grond van hun nationale recht geen statutaire zetel hebben, hoofdkantoor hebben in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling, of in een andere lidstaat dan de kredietinstelling dan wel buiten de Unie;

c)

een beoordeling van het bestaande risico op het witwassen van geld en terrorismefinanciering dat verbonden is aan de door kredietservicers en kredietkopers verrichte activiteiten;

d)

een beoordeling van de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 26.

2.   Wanneer die evaluatie aanzienlijke problemen met het functioneren van de richtlijn aan het licht brengt, wordt in het verslag aangegeven hoe de Commissie voornemens is de vastgestelde problemen aan te pakken, met inbegrip van stappen en een tijdschema voor de mogelijke herziening.

Artikel 31

Toetsingsclausule

Onverminderd de wetgevingsbevoegdheden van het Europees Parlement en de Raad dient de Commissie uiterlijk op 29 december 2023 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over:

a)

de toereikendheid van het regelgevingskader met betrekking tot de mogelijke invoering van plafonds voor kosten die voortvloeien uit gevallen van niet-nakoming die van toepassing zijn op kredietovereenkomsten die zijn gesloten met:

i)

natuurlijke personen voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten van die natuurlijke personen;

ii)

kmo’s, zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;

iii)

een kredietnemer, op voorwaarde dat het krediet door een natuurlijke persoon wordt gegarandeerd of door activa of eigendommen van die natuurlijke persoon wordt gedekt;

i)

natuurlijke personen voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten van die natuurlijke personen;

ii)

kmo’s, zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;

iii)

een kredietnemer, op voorwaarde dat het krediet door een natuurlijke persoon wordt gegarandeerd of door activa of eigendommen van die natuurlijke persoon wordt gedekt;

b)

relevante aspecten, met inbegrip van mogelijke respijtmaatregelen, van kredietovereenkomsten die zijn gesloten met:

i)

natuurlijke personen voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten van die natuurlijke personen;

ii)

kmo’s zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;

iii)

een kredietnemer, op voorwaarde dat het krediet door een natuurlijke persoon wordt gegarandeerd of door activa of eigendommen van die natuurlijke persoon wordt gedekt;

i)

natuurlijke personen voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten van die natuurlijke personen;

ii)

kmo’s zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;

iii)

een kredietnemer, op voorwaarde dat het krediet door een natuurlijke persoon wordt gegarandeerd of door activa of eigendommen van die natuurlijke persoon wordt gedekt;

c)

de noodzaak en haalbaarheid van de ontwikkeling van technische uitvoerings- of reguleringsnormen of van andere passende middelen om gemeenschappelijke rapportageformats in te voeren voor mededelingen aan kredietnemers uit hoofde van artikel 10, lid 2, en over respijtmaatregelen.

Waar passend gaat het in de eerste alinea bedoelde verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 32

Omzetting

1.   De lidstaten stellen uiterlijk op 29 december 2023 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken die bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.

2.   Zij passen de in lid 1 bedoelde bepalingen toe vanaf 30 december 2023.

In afwijking van de eerste alinea mogen entiteiten die op 30 december 2023 overeenkomstig het nationale recht reeds kredietservicingactiviteiten verrichten, die kredietservicingactiviteiten in hun lidstaat van herkomst voortzetten tot 29 juni 2024 of tot de datum waarop zij een vergunning overeenkomstig deze richtlijn verkrijgen, indien dat vroeger is.

De lidstaten die reeds beschikken over gelijkwaardige of strengere regelingen voor kredietservicingactiviteiten dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld, kunnen toestaan dat entiteiten die op 30 december 2023 overeenkomstig die regelingen reeds kredietservicingactiviteiten verrichten automatisch worden erkend als kredietservicers met een vergunning uit hoofde van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

3.   Wanneer de lidstaten de in lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

4.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 33

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 34

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.