Titel VII. Slotbepalingen
Artikel 29
Comité
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad .
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 30
Evaluatie
1. Uiterlijk op 29 december 2026 verricht de Commissie een evaluatie van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de belangrijkste bevindingen. De evaluatie bestaat ten minste uit het volgende:
het aantal kredietservicers met een vergunning in de Unie en het aantal kredietservicers dat zijn diensten in een lidstaat van ontvangst verricht;
het aantal rechten van kredietgevers krachtens niet-renderende kredietovereenkomsten of het aantal niet-renderende kredietovereenkomsten dat van kredietinstellingen is gekocht door kredietkopers die wonen, of die hun statutaire zetel of, indien zij op grond van hun nationale recht geen statutaire zetel hebben, hoofdkantoor hebben in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling, of in een andere lidstaat dan de kredietinstelling dan wel buiten de Unie;
een beoordeling van het bestaande risico op het witwassen van geld en terrorismefinanciering dat verbonden is aan de door kredietservicers en kredietkopers verrichte activiteiten;
een beoordeling van de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 26.
2. Wanneer die evaluatie aanzienlijke problemen met het functioneren van de richtlijn aan het licht brengt, wordt in het verslag aangegeven hoe de Commissie voornemens is de vastgestelde problemen aan te pakken, met inbegrip van stappen en een tijdschema voor de mogelijke herziening.
Artikel 31
Toetsingsclausule
Onverminderd de wetgevingsbevoegdheden van het Europees Parlement en de Raad dient de Commissie uiterlijk op 29 december 2023 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over:
de toereikendheid van het regelgevingskader met betrekking tot de mogelijke invoering van plafonds voor kosten die voortvloeien uit gevallen van niet-nakoming die van toepassing zijn op kredietovereenkomsten die zijn gesloten met:
natuurlijke personen voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten van die natuurlijke personen;
kmo’s, zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;
een kredietnemer, op voorwaarde dat het krediet door een natuurlijke persoon wordt gegarandeerd of door activa of eigendommen van die natuurlijke persoon wordt gedekt;
natuurlijke personen voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten van die natuurlijke personen;
kmo’s, zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;
een kredietnemer, op voorwaarde dat het krediet door een natuurlijke persoon wordt gegarandeerd of door activa of eigendommen van die natuurlijke persoon wordt gedekt;
relevante aspecten, met inbegrip van mogelijke respijtmaatregelen, van kredietovereenkomsten die zijn gesloten met:
natuurlijke personen voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten van die natuurlijke personen;
kmo’s zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;
een kredietnemer, op voorwaarde dat het krediet door een natuurlijke persoon wordt gegarandeerd of door activa of eigendommen van die natuurlijke persoon wordt gedekt;
natuurlijke personen voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteiten van die natuurlijke personen;
kmo’s zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;
een kredietnemer, op voorwaarde dat het krediet door een natuurlijke persoon wordt gegarandeerd of door activa of eigendommen van die natuurlijke persoon wordt gedekt;
de noodzaak en haalbaarheid van de ontwikkeling van technische uitvoerings- of reguleringsnormen of van andere passende middelen om gemeenschappelijke rapportageformats in te voeren voor mededelingen aan kredietnemers uit hoofde van artikel 10, lid 2, en over respijtmaatregelen.
Waar passend gaat het in de eerste alinea bedoelde verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
Artikel 32
Omzetting
1. De lidstaten stellen uiterlijk op 29 december 2023 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken die bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
2. Zij passen de in lid 1 bedoelde bepalingen toe vanaf 30 december 2023.
In afwijking van de eerste alinea mogen entiteiten die op 30 december 2023 overeenkomstig het nationale recht reeds kredietservicingactiviteiten verrichten, die kredietservicingactiviteiten in hun lidstaat van herkomst voortzetten tot 29 juni 2024 of tot de datum waarop zij een vergunning overeenkomstig deze richtlijn verkrijgen, indien dat vroeger is.
De lidstaten die reeds beschikken over gelijkwaardige of strengere regelingen voor kredietservicingactiviteiten dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld, kunnen toestaan dat entiteiten die op 30 december 2023 overeenkomstig die regelingen reeds kredietservicingactiviteiten verrichten automatisch worden erkend als kredietservicers met een vergunning uit hoofde van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.
3. Wanneer de lidstaten de in lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
4. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 33
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 34
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.