Hoofdstuk I. Vergunningverlening aan kredietservicers

Artikel 4

Algemene vereisten

1.   De lidstaten verplichten een kredietservicer ertoe om in een lidstaat van herkomst een vergunning te verkrijgen voordat hij zijn activiteiten op het grondgebied van die lidstaat aanvangt in overeenstemming met de vereisten van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

2.   De lidstaten verlenen de bevoegdheid om een vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel te verlenen aan de op grond van artikel 21, lid 3, aangewezen bevoegde autoriteiten.

Artikel 5

Vereisten voor het verlenen van een vergunning

1.   Onverminderd artikel 6 stellen de lidstaten de volgende vereisten vast voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 4, lid 1:

a)

de aanvrager is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en zijn statutaire zetel of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, zijn hoofdkantoor, is gevestigd in de lidstaat waar de aanvrager een vergunning wil verkrijgen;

b)

de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan staan als voldoende betrouwbaar bekend, hetgeen wordt aangetoond doordat zij bewijzen dat:

i)

zij een blanco strafblad of ander nationaal equivalent ten aanzien van relevante strafbare feiten hebben, met name in verband met eigendom, financiële diensten en activiteiten, witwassen van geld, woekerpraktijken, fraude, fiscale misdrijven, schending van het beroepsgeheim of de lichamelijke integriteit, en ten aanzien van alle andere strafbare feiten uit hoofde van het recht inzake ondernemingen, faillissement, insolventie of consumentenbescherming;

ii)

de cumulatieve effecten van kleine voorvallen geen afbreuk doen aan hun betrouwbaarheid;

iii)

zij altijd transparant, open en coöperatief zijn geweest in hun vroegere zakelijke betrekkingen met toezichthoudende en regelgevende autoriteiten;

iv)

zij niet aan een lopende insolventieprocedure zijn onderworpen of voorheen failliet zijn verklaard, tenzij zij overeenkomstig het nationale recht zijn gerehabiliteerd;

i)

zij een blanco strafblad of ander nationaal equivalent ten aanzien van relevante strafbare feiten hebben, met name in verband met eigendom, financiële diensten en activiteiten, witwassen van geld, woekerpraktijken, fraude, fiscale misdrijven, schending van het beroepsgeheim of de lichamelijke integriteit, en ten aanzien van alle andere strafbare feiten uit hoofde van het recht inzake ondernemingen, faillissement, insolventie of consumentenbescherming;

ii)

de cumulatieve effecten van kleine voorvallen geen afbreuk doen aan hun betrouwbaarheid;

iii)

zij altijd transparant, open en coöperatief zijn geweest in hun vroegere zakelijke betrekkingen met toezichthoudende en regelgevende autoriteiten;

iv)

zij niet aan een lopende insolventieprocedure zijn onderworpen of voorheen failliet zijn verklaard, tenzij zij overeenkomstig het nationale recht zijn gerehabiliteerd;

c)

het leidinggevende of bestuursorgaan van de aanvrager als geheel beschikt over voldoende kennis en ervaring om het bedrijf op competente en verantwoorde wijze te leiden;

d)

de personen die een gekwalificeerde deelneming in de aanvrager hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013 staan als voldoende betrouwbaar bekend doordat zij voldoen aan de vereisten die worden genoemd in punt b), i) en iv), van dit lid;

e)

de aanvrager beschikt over robuuste governanceregelingen en adequate internecontrolemechanismen, waaronder risicobeheer en accountingprocedures, die de inachtneming van de rechten van de kredietnemer en de naleving van het recht dat van toepassing is op de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of op de kredietovereenkomst zelf, en van Verordening (EU) 2016/679 waarborgen;

f)

de aanvrager voert een passend beleid dat de naleving van de regels inzake de bescherming, en de eerlijke en zorgvuldige behandeling van kredietnemers waarborgt, door onder meer rekening te houden met hun financiële situatie en door kredietnemers, in voorkomend geval, te verwijzen naar schuldadviesdiensten of sociale diensten;

g)

de aanvrager beschikt over passende en specifieke interne procedures die de registratie en behandeling van klachten van kredietnemers waarborgen;

h)

de aanvrager beschikt over adequate procedures tegen witwassen van geld en terrorismefinanciering wanneer in nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn (EU) 2015/849 kredietservicers worden aangewezen als meldingsplichtige entiteiten voor het voorkomen en bestrijden van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;

i)

de aanvrager is op grond van het toepasselijke nationale recht onderworpen aan vereisten inzake rapportage en openbaarmaking.

2.   De EBA verstrekt na raadpleging van alle relevante belanghebbenden en rekening houdend met alle betrokken belangen richtsnoeren overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 voor de in lid 1, punt c), van dit artikel genoemde vereisten.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst weigeren een vergunning als bedoeld in artikel 4, lid 1, te verlenen wanneer de aanvrager niet voldoet aan de vereisten vastgesteld in lid 1 van dit artikel, en in voorkomend geval, in artikel 6, lid 2, punt a).

Artikel 6

Vermogen om gelden aan te houden

1.   De lidstaten bepalen of het kredietservicers bij het verrichten van kredietservicingactiviteiten op hun grondgebied ofwel:

a)

toegelaten is gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden om die aan kredietkopers over te maken, ofwel

b)

verboden is gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden.

2.   De lidstaten, in gevallen waarin kredietservicers gelden van kredietnemers mogen ontvangen en aanhouden overeenkomstig lid 1, punt a):

a)

stellen, in aanvulling op de in artikel 5, lid 1, gestelde vereisten voor het verlenen van een vergunning, de eis dat de aanvrager over een afzonderlijke rekening bij een kredietinstelling beschikt waarop alle van kredietnemers ontvangen gelden moeten worden gecrediteerd en bewaard totdat zij naar de respectieve kredietkoper worden doorgeleid, onder de met de kredietkoper overeengekomen voorwaarden;

b)

zorgen ervoor dat overeenkomstig het nationale recht die gelden in het belang van de kredietkopers worden beschermd tegen de vorderingen van de andere kredietgevers van de kredietservicers, met name in geval van insolventie;

c)

bepalen dat, ingeval een kredietnemer een betaling verricht aan een kredietservicer, teneinde, geheel of gedeeltelijk, de verschuldigde bedragen terug te betalen met betrekking tot de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of tot de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die betaling wordt behandeld als zijnde verricht aan de kredietkoper;

d)

verplichten een kredietservicer, wanneer die gelden van de kredietnemer ontvangt, een ontvangstbewijs of een kwijtingsbrief, op papier of op een andere duurzame drager, aan de kredietnemer te verstrekken waarin de ontvangst van de bedragen wordt bevestigd.

3.   Indien een kredietservicer niet voornemens is gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden als onderdeel van zijn bedrijfsmodel, vermeldt de kredietservicer dat voornemen in zijn vergunningsaanvraag als bedoeld in artikel 4, lid 1. In dergelijke gevallen zijn de overeenkomstig lid 2, punt a), van dit artikel opgenomen vereisten niet van toepassing.

Artikel 7

Procedure voor vergunningverlening aan kredietservicers

1.   De lidstaten stellen een procedure voor vergunningverlening aan kredietservicers vast waarbij een aanvrager een aanvraag indient en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst alle nodige informatie verstrekt om te verifiëren dat de aanvrager aan alle voorwaarden die zijn vastgelegd in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 5, lid 1, en, in voorkomend geval, aan artikel 6, lid 2, punt a), heeft voldaan.

2.   De in lid 1 bedoelde vergunningaanvraag van kredietservicers gaat vergezeld van:

a)

bewijs van de rechtsvorm en een kopie van de oprichtingsakte van de aanvrager en van de vennootschapsstatuten;

b)

het adres van het hoofdkantoor of de statutaire zetel van de aanvrager;

c)

de identiteit van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de aanvrager en de personen die een gekwalificeerde deelneming hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

d)

bewijs dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, punten b) en c);

e)

bewijs dat de personen die een gekwalificeerde deelneming hebben in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, punt d), van deze richtlijn;

f)

bewijs van de in artikel 5, lid 1, punt e), bedoelde governanceregelingen en internecontrolemechanismen;

g)

bewijs van het in artikel 5, lid 1, punt f), bedoelde beleid;

h)

bewijs van de in artikel 5, lid 1, punt g), bedoelde interne procedures;

i)

bewijs van de in artikel 5, lid 1, punt h), bedoelde procedures;

j)

in voorkomend geval, bewijs van het bestaan van een afzonderlijke rekening bij een kredietinstelling als bepaald in artikel 6, lid 2, punt a);

k)

eventuele uitbestedingsovereenkomsten als bedoeld in artikel 12, lid 1.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van herkomst binnen 45 dagen na ontvangst van de vergunningsaanvraag beoordelen of de aanvraag volledig is.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de aanvrager binnen 90 dagen na ontvangst van een volledige aanvraag, of ingeval de aanvraag onvolledig wordt geacht, na de ontvangst van de vereiste informatie, meedelen of de vergunning wordt verleend of geweigerd, en dat zij de redenen vermelden voor een weigering.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat een aanvrager beroep bij de rechter kan instellen in het geval dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst een vergunningsaanvraag op grond van artikel 5, lid 3, besluiten af te wijzen of in het geval zij niet binnen de in lid 4 van dit artikel bepaalde termijn een besluit nemen ten aanzien van de vergunningsaanvraag.

Artikel 8

Intrekking van een vergunning

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 22 de toezichts- en onderzoeksbevoegdheden hebben, alsook de bevoegdheden om sancties op te leggen, die nodig zijn om de aan een kredietservicer verleende vergunning in te trekken, indien één van de volgende situaties van toepassing is op die kredietservicer:

a)

hij maakt geen gebruik van de vergunning binnen twaalf maanden na de verlening ervan;

b)

hij doet uitdrukkelijk afstand van de vergunning;

c)

hij heeft sinds meer dan twaalf maanden de activiteiten van kredietservicer gestaakt;

d)

hij heeft een vergunning verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

e)

hij vervult de vereisten voor de verlening van een vergunning als kredietservicer zoals vastgesteld in artikel 5, lid 1, en indien van toepassing artikel 6, lid 2, punt a), niet meer;

f)

hij begaat een ernstige inbreuk op de toepasselijke regels, inclusief de bepalingen van nationaal recht tot omzetting van deze richtlijn, of op andere regels inzake consumentenbescherming, met inbegrip van de toepasselijke regels van de lidstaat van ontvangst en de lidstaat waar het krediet is verleend.

2.   Wanneer overeenkomstig lid 1 van dit artikel een vergunning wordt ingetrokken, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan onmiddellijk in kennis stellen indien de kredietservicer diensten in de zin van artikel 13 aanbiedt, evenals de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het krediet is verleend indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst.

Artikel 9

Lijst of register van kredietservicers met vergunning

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten ten minste een lijst of, waar dat passender wordt geacht, een nationaal register opstellen en bijhouden van alle kredietservicers met een vergunning om op hun grondgebied diensten te verlenen, inclusief kredietservicers die diensten verrichten op grond van artikel 13 van deze richtlijn.

De EBA ontwikkelt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren voor het opstellen en bijhouden van dergelijke lijsten of registers en met een nadere vermelding van de soort informatie die erin moet worden opgenomen om te zorgen voor een gelijk speelveld in de hele Unie en transparantie voor kredietkopers en kredietnemers.

2.   De in lid 1 bedoelde lijst of het in lid 1 bedoelde register wordt online openbaar gemaakt op de website van de bevoegde autoriteiten en regelmatig bijgewerkt.

3.   Indien een vergunning is ingetrokken op grond van artikel 8, werken de bevoegde autoriteiten de lijst of het register zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel onverwijld bij.

Artikel 10

Betrekkingen met de kredietnemer, communicatie in verband met overdrachten en verdere communicatie

1.   De lidstaten verplichten kredietkopers en kredietservicers om bij hun betrekkingen met kredietnemers:

a)

te goeder trouw, eerlijk en professioneel te handelen;

b)

informatie te verstrekken aan kredietnemers die niet misleidend, onduidelijk of onjuist is;

c)

de persoonlijke informatie en de privacy van kredietnemers te respecteren en te beschermen;

d)

met kredietnemers te communiceren op een wijze die niet kan worden aangemerkt als intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding.

2.   De lidstaten waarborgen dat de kredietkoper of, wanneer die is aangewezen om kredietservicingactiviteiten uit te voeren, de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit, dan wel de kredietservicer na elke overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, aan een kredietkoper, en steeds vóór de eerste inning van de schuld, maar ook wanneer de kredietnemer daarom vraagt, de kredietnemer een mededeling doet toekomen, op papier of op een andere duurzame drager, die ten minste het volgende bevat:

a)

informatie over de overdracht die heeft plaatsgevonden, met inbegrip van de datum van de overdracht;

b)

de identificatie en de contactgegevens van de kredietkoper;

c)

de identificatie en de contactgegevens van de kredietservicer of van de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit, indien die is aangewezen;

d)

bewijs met betrekking tot de op grond van artikel 7 verleende vergunning van een kredietservicer, indien die is aangewezen;

e)

in voorkomend geval, de identificatie en de contactgegevens van de kredietservicingaanbieder;

f)

een duidelijk gepresenteerd contactpunt bij de kredietkoper of, wanneer die is aangewezen om kredietservicingactiviteiten uit te voeren, bij de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit, dan wel bij de kredietservicer en, in voorkomend geval, bij de kredietservicingaanbieder, waar indien nodig informatie kan worden gevraagd;

g)

informatie over de op het moment van de mededeling door de kredietnemer verschuldigde bedragen, met vermelding van wat verschuldigd is als kapitaal, rente, vergoedingen en andere toegestane kosten;

h)

een verklaring dat alle relevante nationale en Uniewetgeving betreffende met name de afdwinging van de naleving van overeenkomsten, consumentenbescherming, de rechten van kredietnemers en het strafrecht van toepassing blijft;

i)

de naam, het adres en de contactgegevens van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de kredietnemer woont of zijn statutaire zetel gevestigd is, of, indien hij op grond van zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor gevestigd is en waar hij een klacht kan indienen.

De in de eerste alinea bepaalde mededeling wordt opgesteld in een duidelijke, voor het grote publiek begrijpelijke taal.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietkoper of, wanneer die is aangewezen om kredietservicingactiviteiten uit te voeren, de in artikel 2, lid 5, punt a), i) of iii), bedoelde entiteit, dan wel de kredietservicer in alle verdere communicatie met de kredietnemer de in lid 2, punt f), van dit artikel bedoelde informatie opneemt, behalve wanneer het gaat om de eerste communicatie na de aanwijzing van een nieuwe kredietservicer, in welk geval ook de in de lid 2, punten c) en d), van dit artikel bedoelde informatie wordt opgenomen.

4.   De leden 2 en 3 doen geen afbreuk aan eventuele aanvullende vereisten met betrekking tot communicatie waarin in ander toepasselijk Unie- of nationaal recht wordt voorzien.

Artikel 11

Contractuele relatie tussen kredietservicer en kredietkoper

1.   Indien een kredietkoper zelf geen kredietservicingactiviteiten uitvoert, zorgen de lidstaten ervoor dat de aangewezen kredietservicer zijn diensten met betrekking tot het beheer en de afdwinging van de naleving van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, verleent op basis van een kredietservicingovereenkomst met een kredietkoper.

2.   De in lid 1 bedoelde kredietservicingovereenkomst omvat:

a)

een gedetailleerde beschrijving van de door de kredietservicer uit te voeren kredietservicingactiviteiten;

b)

het beloningsniveau van de kredietservicer of de wijze waarop de beloning wordt berekend;

c)

de mate waarin de kredietservicer de kredietkoper kan vertegenwoordigen tegenover de kredietnemer;

d)

een door de partijen aangegane verbintenis om het op de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of op de kredietovereenkomst zelf, toepasselijke Unierecht en nationale recht na te leven, ook ten aanzien van de consumenten- en gegevensbescherming;

e)

een clausule waarin de eerlijke en zorgvuldige behandeling van de kredietnemers wordt vereist.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde kredietservicingovereenkomst ook een vereiste omvat dat de kredietservicer, voordat hij zijn kredietservicingactiviteiten uitbesteedt, de kredietkoper daarvan in kennis stelt.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor een periode van ten minste vijf jaar na de datum waarop de in lid 1 bedoelde kredietservicingovereenkomst wordt beëindigd of voor de duur van de in de lidstaat van herkomst toepasselijke wettelijke verjaringstermijn, doch in geen geval langer dan tien jaar, de kredietservicer de volgende bescheiden bewaart:

a)

de relevante correspondentie met de kredietkoper en de kredietnemer, onder de krachtens het toepasselijke nationale recht vastgestelde voorwaarden;

b)

de relevante van de kredietkoper ontvangen instructies ten aanzien van de rechten van de kredietgever krachtens elke niet-renderende kredietovereenkomst, of de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die hij beheert en waarvan hij de naleving afdwingt namens die kredietkoper, onder de krachtens het toepasselijke nationale recht vastgestelde voorwaarden;

c)

de kredietservicingovereenkomst.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer de in lid 4 bedoelde bescheiden op verzoek aan de bevoegde autoriteiten ter beschikking stelt.

Artikel 12

Uitbesteding door een kredietservicer

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer, wanneer hij een kredietservicingaanbieder gebruikt om een kredietservicingactiviteit uit te oefenen, volledig verantwoordelijk blijft voor de nakoming van alle verplichtingen krachtens nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn. De uitbesteding van die kredietservicingactiviteiten is aan de volgende voorwaarden onderworpen:

a)

tussen de kredietservicer en de kredietservicingaanbieder wordt een schriftelijke uitbestedingsovereenkomst gesloten waarin wordt bepaald dat de kredietservicingaanbieder verplicht is tot naleving van de toepasselijke wettelijke bepalingen, met inbegrip van nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, en het relevante Unierecht of nationale recht dat van toepassing is op de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst of op de kredietovereenkomst zelf;

b)

het is verboden alle kredietservicingactiviteiten tegelijkertijd uit te besteden aan een kredietservicingaanbieder;

c)

de contractuele relatie tussen de kredietservicer en de kredietkoper en de verplichtingen van de kredietservicer jegens de kredietkoper of kredietnemers worden niet gewijzigd door de uitbestedingsovereenkomst met de kredietservicingaanbieder;

d)

de uitbesteding van sommige kredietservicingactiviteiten doet geen afbreuk aan de naleving door een kredietservicer van de in artikel 5, lid 1, vastgestelde vergunningsvereisten;

e)

de uitbesteding aan de kredietservicingaanbieder verhindert niet dat de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 14 en 21 toezicht uitoefenen op een kredietservicer;

f)

de kredietservicer heeft rechtstreeks toegang tot alle relevante informatie met betrekking tot de aan de kredietservicingaanbieder uitbestede kredietservicingactiviteiten;

g)

na de beëindiging van de uitbestedingsovereenkomst beschikt de kredietservicer over de deskundigheid en middelen om de uitbestede kredietservicingactiviteiten te kunnen uitoefenen.

De uitbesteding van kredietservicingactiviteiten wordt niet uitgevoerd op een manier die de kwaliteit van de interne controles van de kredietservicer of de soliditeit of continuïteit van zijn kredietservicingactiviteiten schaadt.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en, in voorkomend geval, de lidstaat van ontvangst vóór de uitbesteding van zijn kredietservicingactiviteiten overeenkomstig lid 1 daarvan in kennis stelt.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer bescheiden inzake relevante instructies aan de kredietservicingaanbieder, overeenkomstig de in het toepasselijke nationale recht vastgestelde voorwaarden, en inzake de in lid 1 bedoelde uitbestedingsovereenkomst bewaart voor een periode van ten minste vijf jaar na de datum waarop de uitbestedingsovereenkomst wordt beëindigd of voor de duur van de in de lidstaat toepasselijke wettelijke verjaringstermijn, doch in geen geval langer dan tien jaar.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietservicer en de kredietservicingaanbieder de in lid 3 bedoelde informatie op verzoek aan de bevoegde autoriteiten ter beschikking stelt.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat het kredietservicingaanbieders niet toegestaan is gelden van kredietnemers te ontvangen en aan te houden.