Titel IV. Toezicht
Artikel 21
Toezicht door de bevoegde autoriteiten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat kredietservicers en, in voorkomend geval, kredietservicingaanbieders waaraan overeenkomstig artikel 12 kredietservicingactiviteiten zijn uitbesteed, voortdurend de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn naleven en dat die activiteiten zijn onderworpen aan passend toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst om die naleving te toetsen.
2. De lidstaat van herkomst van een kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger zorgt ervoor dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de nakoming van de in artikel 10 en de artikelen 17 tot en met 20 opgenomen verplichtingen ten aanzien van kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger.
3. De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de functies en taken krachtens de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.
4. Wanneer lidstaten op grond van lid 3 meer dan één bevoegde autoriteit aanwijzen, stellen zij hun respectieve taken vast en wijzen zij één van hen aan als het centrale toegangspunt voor alle noodzakelijke uitwisselingen en interacties met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of ontvangst.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen worden getroffen om de op grond van lid 3 van dit artikel aangewezen bevoegde autoriteiten in staat te stellen van kredietkopers of hun overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordigers, kredietservicers, kredietservicingaanbieders waaraan een kredietservicer krachtens artikel 12 kredietservicingactiviteiten uitbesteedt, kredietnemers en elke andere persoon of overheidsinstantie de nodige informatie te verkrijgen om:
de voortdurende naleving van de in de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn neergelegde vereisten te toetsen;
mogelijke inbreuken op die vereisten te onderzoeken;
administratieve sancties en corrigerende maatregelen op te leggen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 23.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat de op grond van lid 3 aangewezen bevoegde autoriteiten de deskundigheid, middelen, operationele capaciteit en bevoegdheden hebben die nodig zijn om hun functies en taken uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren.
Artikel 22
Toezichthoudende rol en bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de op grond van artikel 21, lid 3, aangewezen bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst alle toezichts- en onderzoeksbevoegdheden, en alle bevoegdheden om sancties op te leggen, krijgen die nodig zijn voor de uitvoering van hun functies en taken uit hoofde van deze richtlijn, inclusief ten minste:
de bevoegdheid om een vergunning in te trekken op grond van artikel 8;
de bevoegdheid om om het even welke kredietservicingactiviteit te verbieden;
de bevoegdheid om inspecties ter plaatse en elders uit te voeren;
de bevoegdheid om administratieve sancties en corrigerende maatregelen op te leggen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 23;
de bevoegdheid om op grond van artikel 12, lid 1 gesloten uitbestedingsovereenkomsten tussen kredietservicers en kredietservicingaanbieders te controleren;
de bevoegdheid om kredietservicers ertoe te verplichten leden van hun leidinggevende of bestuursorgaan te ontslaan wanneer zij niet voldoen aan de in artikel 5, lid 1, punt b), vastgestelde vereisten;
de bevoegdheid om kredietservicers ertoe te verplichten hun interne governanceregelingen en internecontrolemechanismen aan te passen of te actualiseren om daadwerkelijk de eerbiediging van de rechten van kredietnemers te waarborgen in overeenstemming met het recht dat van toepassing is op de kredietovereenkomst;
de bevoegdheid om kredietservicers te verplichten tot een aanpassing of actualisering van het beleid dat zij voeren om de eerlijke en zorgvuldige behandeling van de kredietnemers en de registratie en behandeling van de klachten van kredietnemers te waarborgen;
de bevoegdheid om te verzoeken om nadere informatie over de overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens de niet-renderende kredietovereenkomst, of over de niet-renderende kredietovereenkomst zelf.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de op grond van artikel 21, lid 3, aangewezen bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en van de lidstaat waar het krediet werd verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, over alle nodige bevoegdheden beschikken om hun functies en taken uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de inachtneming van de in artikel 5, lid 1, punten e) tot en met h), vastgelegde vereisten door een kredietservicer evalueren door een op risicofactoren gebaseerde benadering toe te passen.
4. De lidstaten bepalen de reikwijdte van de in lid 3 bedoelde evaluatie, gelet op de omvang, aard, schaal en complexiteit van de activiteiten van de betrokken kredietservicer.
5. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst of van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, op verzoek van een van die bevoegde autoriteiten, of wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dat passend achten, in kennis van de resultaten van de in lid 3 bedoelde evaluatie. De nadere bijzonderheden over opgelegde administratieve sancties of corrigerende maatregelen worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst altijd doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en, waar passend, van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en ontvangst, en van de lidstaat waar het krediet is verleend, indien die verschilt van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, bij de uitvoering van de in lid 3 bedoelde evaluatie alle informatie uitwisselen die nodig is om hen in staat te stellen hun respectieve functies en taken uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren.
7. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst een kredietservicer, kredietservicingaanbieder of kredietkoper of diens overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger die niet aan de vereisten van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn voldoet, ertoe kan verplichten in een vroeg stadium alle noodzakelijke maatregelen of stappen te nemen om aan die bepalingen te voldoen.
Artikel 23
Administratieve sancties en corrigerende maatregelen
1. Onverminderd het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties op te leggen, stellen de lidstaten regels vast voor het bepalen van passende administratieve sancties en corrigerende maatregelen die ten minste in de volgende situaties van toepassing zijn:
een kredietservicer verzuimt te voldoen aan de vereiste die is vastgelegd in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 11 van deze richtlijn of sluit een uitbestedingsovereenkomst in strijd met de bepalingen tot omzetting van artikel 12 of de kredietservicingaanbieder waaraan de kredietservicingactiviteiten zijn uitbesteed, maakt ernstig inbreuk op de toepasselijke wettelijke bepalingen, inclusief de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn;
de governanceregelingen en internecontrolemechanismen van een kredietservicer zoals bepaald in artikel 5, lid 1, punt e), waarborgen niet dat de rechten van de kredietnemer worden geëerbiedigd en de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens worden nageleefd;
het beleid van een kredietservicer is ontoereikend voor de behoorlijke behandeling van kredietnemers als beschreven in artikel 5, lid 1, punt f);
de interne procedures van een kredietservicer zoals bepaald in artikel 5, lid 1, punt g), voorzien niet in de registratie en behandeling van klachten van kredietnemers volgens de in de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn vastgelegde verplichtingen;
een kredietkoper verzuimt te voldoen aan de vereiste van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 19;
een kredietinstelling verzuimt de in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 15 vastgestelde informatie mee te delen;
een kredietservicer staat toe dat één of meer personen die niet voldoen aan de in artikel 5, lid 1, punt b), vastgestelde vereisten lid worden of blijven van zijn leidinggevende of bestuursorgaan;
een kredietservicer verzuimt te voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 24;
een kredietservicer ontvangt gelden van kredietnemers en houdt die aan, wanneer dat in een lidstaat niet is toegestaan overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt b);
een kredietservicer verzuimt te voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 6, lid 2.
2. De in lid 1 bedoelde administratieve sancties en corrigerende maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en omvatten ten minste het volgende:
intrekking van een vergunning voor het verrichten van activiteiten als kredietservicer;
een bevel waarbij de kredietservicer of kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger wordt gelast de inbreuk te verhelpen en die gedraging te staken en niet meer te herhalen;
administratieve geldboeten.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat administratieve sancties en corrigerende maatregelen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten, bij het bepalen van de aard van administratieve sancties of corrigerende maatregelen en van het bedrag van de administratieve geldboeten, relevante omstandigheden in aanmerking nemen, waaronder het volgende:
de ernst en duur van de inbreuk;
de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger;
de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper, rekening houdend met onder meer de totale omzet van een rechtspersoon of het jaarinkomen van een natuurlijke persoon;
de omvang van de door de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger als gevolg van de inbreuk behaalde winsten of vermeden verliezen, voor zover die kunnen worden bepaald;
de verliezen die derden door de inbreuk hebben geleden, voor zover die verliezen kunnen worden bepaald;
de mate waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper met de bevoegde autoriteiten meewerkt;
eerdere inbreuken door de voor de inbreuk verantwoordelijke kredietservicer of kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger;
alle daadwerkelijke of potentiële systemische effecten van de inbreuk.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de in lid 2 genoemde administratieve sancties en corrigerende maatregelen kunnen toepassen op leden van het leidinggevende of bestuursorgaan en andere personen die op grond van het nationale recht verantwoordelijk zijn voor de inbreuk.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten, voordat zij een besluit tot oplegging van in lid 2 van dit artikel genoemde administratieve sancties of corrigerende maatregelen nemen, de betrokken kredietservicer, kredietkoper of, in voorkomend geval, zijn overeenkomstig artikel 19 aangewezen vertegenwoordiger in de gelegenheid stellen te worden gehoord.
7. De lidstaten zorgen ervoor dat een besluit waarbij in lid 2 genoemde administratieve sancties of corrigerende maatregelen worden opgelegd, naar behoren gemotiveerd is en vatbaar is voor beroep.
8. De lidstaten kunnen besluiten geen regels voor administratieve sancties vast te stellen met betrekking tot inbreuken waarop krachtens hun nationale recht strafrechtelijke sancties gelden. In dat geval delen de lidstaten de Commissie de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen mede.