Richtlijn motorrijtuigenverzekering (2009/103/EG) (Volledig)

Volledige wettekst.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„voertuig” :

a) 

elk rij- of voertuig dat zich anders dan langs spoorstaven over de grond voortbeweegt en dat uitsluitend door een mechanische kracht worden gedreven met:

i) 

een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h, of

ii) 

een maximaal nettogewicht van meer dan 25 kg en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 14 km/h;

b) 

een al dan niet aan een in punt a) bedoeld voertuig gekoppelde aanhangwagen.

Onverminderd de punten a) en b) worden gemotoriseerde rolstoelen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door personen met een lichamelijke handicap, niet beschouwd als voertuigen in de zin van deze richtlijn;

1 bis.

„deelneming aan het verkeer van een voertuig” : het gebruik van een voertuig, dat op het ogenblik van het ongeval overeenstemt met de functie van dat voertuig als vervoermiddel, ongeacht de kenmerken van het voertuig en ongeacht het terrein waarop het motorrijtuig wordt gebruikt en of het stilstaat of in beweging is;

2.

„benadeelde” : eenieder die recht heeft op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade of veroorzaakt letsel;

3.

„nationaal bureau van verzekeraars” : de overeenkomstig aanbeveling nr. 5 van 25 januari 1949 van de subcommissie voor het wegvervoer van het Comité voor binnenlands vervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties opgerichte beroepsorganisatie, waarbij verzekeringsondernemingen zijn aangesloten die in een staat zijn toegelaten tot de uitoefening van de verzekeringsbranche „wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen”;

4.

„grondgebied waar het voertuig gewoonlijk is gestald” :

a) 

het grondgebied van de staat waarvan het voertuig een kentekenplaat draagt, ongeacht of het een permanente of een tijdelijke kentekenplaat betreft, of

b) 

indien voor een bepaald soort voertuigen geen registratie bestaat, maar dit voertuig een verzekeringsplaat of een met een kentekenplaat overeenkomend kenteken draagt, het grondgebied van de staat waar deze plaat of dit kenteken zijn afgegeven, of

c) 

indien voor bepaalde typen voertuigen geen registratie, verzekeringsplaat of onderscheidingsteken bestaat, het grondgebied van de staat waar de houder zijn woonplaats heeft,

d) 

in gevallen waarin voertuigen die geen kentekenplaat dragen of een kentekenplaat dragen die niet overeenkomt of niet langer overeenkomt met het voertuig, bij een ongeval betrokken zijn geweest, het grondgebied van de staat waar het ongeval heeft plaatsgevonden, met het oog op de afwikkeling van de vordering overeenkomstig artikel 2, onder a), of artikel 10;

5.

„groene kaart” : het internationaal motorrijtuigenverzekeringsbewijs, afgegeven namens een nationaal bureau overeenkomstig aanbeveling nr. 5 van 25 januari 1949 van de subcommissie voor het wegvervoer van het Comité voor binnenlands vervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties;

6.

„verzekeringsonderneming” : een onderneming waaraan een officiële vergunning is verleend overeenkomstig artikel 6 of artikel 23, lid 2, van Richtlijn 73/239/EEG;

7.

„vestiging” : het hoofdkantoor, een agentschap of bijkantoor van een verzekeringsonderneming, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder c), van de tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten ();

8.

„lidstaat van herkomst” : lidstaat van herkomst in de zin van artikel 13, punt 8, a), van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad ().

Artikel 2

Toepassingsgebied

Het in de artikelen 4, 6, 7 en 8 bepaalde is van toepassing op de voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een der lidstaten zijn gestald:

a) 

nadat tussen de nationale bureaus van verzekeraars een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij elk nationaal bureau de afwikkeling van ongevallen waarborgt die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan en zijn veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van al dan niet verzekerde voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gestald, overeenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering;

b) 

met ingang van de datum die de Commissie vaststelt nadat zij in nauwe samenwerking met de lidstaten zal hebben vastgesteld dat bovengenoemde overeenkomst tot stand is gekomen;

c) 

voor de duur van deze overeenkomst.

Artikel 3

Verplichte motorrijtuigenverzekering

Iedere lidstaat treft, met inachtneming van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.

Deze richtlijn is niet van toepassing op het gebruik van een voertuig tijdens motorsportevenementen en -activiteiten, met inbegrip van races, wedstrijden, trainingen, tests en demonstraties in een beperkt en afgebakend gebied in een lidstaat, indien de lidstaat ervoor zorgt dat de organisator van de activiteit of een andere partij een alternatieve verzekering of garantie heeft afgesloten die de schade aan derden dekt, met inbegrip van toeschouwers en andere omstanders, maar niet noodzakelijkerwijs de schade aan de deelnemende bestuurders en hun voertuigen.

De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld.

Iedere lidstaat treft de nodige maatregelen opdat door de verzekeringsovereenkomst eveneens worden gedekt:

a) 

de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de andere lidstaten, overeenkomstig de in deze staten geldende wettelijke regelingen;

b) 

de schade waarvan onderdanen van de lidstaten het slachtoffer kunnen zijn op het traject dat een rechtstreekse verbinding vormt tussen twee gebieden waar het Verdrag van toepassing is, wanneer er geen nationaal bureau van verzekeraars bestaat voor dat traject. In dat geval wordt de schade gedekt overeenkomstig de nationale wetgeving inzake de verplichte verzekering die geldt in de lidstaat op het grondgebied waarvan het voertuig gewoonlijk is gestald.

De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.

Artikel 4

Verzekeringscontroles

1.

De lidstaten onthouden zich ervan controles te verrichten op de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid bij voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gestald en bij voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een derde land zijn gestald wanneer deze hun grondgebied binnenkomen vanuit het grondgebied van een andere lidstaat.

Zij kunnen echter dergelijke verzekeringscontroles verrichten mits die controles niet-discriminerend zijn en noodzakelijk en evenredig om het nagestreefde doel te bereiken, en:

a) 

worden verricht als onderdeel van een controle die niet uitsluitend op de controle van de verzekering is gericht, of

b) 

deel uitmaken van een algemeen systeem van controles op het nationale grondgebied die ook worden uitgevoerd op voertuigen welke gewoonlijk gestald zijn op het grondgebied van de controlerende lidstaat, en die niet vereisen dat het voertuig halt houdt.

2.

Op basis van het recht van de lidstaat waaronder de verwerkingsverantwoordelijke valt, mogen persoonsgegevens worden verwerkt wanneer dat nodig is met het oog op de bestrijding van onverzekerd rijden van voertuigen die in andere lidstaten reizen dan de lidstaten op het grondgebied waarvan zij gewoonlijk zijn gestald. Dat recht is in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad () en legt ook geschikte maatregelen vast om de rechten, vrijheden en gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te vrijwaren.

Die maatregelen van de lidstaten specificeren met name de precieze doeleinden waarvoor de gegevens zullen worden verwerkt, verwijzen naar de desbetreffende rechtsgrondslag, voldoen aan de desbetreffende beveiligingsvereisten en eerbiedigen de beginselen van noodzaak, evenredigheid en doelbinding, en stellen een evenredige termijn voor gegevensbewaring vast. De persoonsgegevens die op grond van dit artikel uitsluitend voor de uitvoering van een verzekeringscontrole worden verwerkt, worden niet langer bewaard dan voor dat doel noodzakelijk is, en worden volledig gewist zodra dat doel bereikt is. Wanneer uit een verzekeringscontrole blijkt dat een voertuig gedekt is door een verplichte verzekering uit hoofde van artikel 3, worden deze gegevens onmiddellijk door de verwerkingsverantwoordelijke gewist. Wanneer door middel van een controle niet kan worden aangetoond of een voertuig gedekt is door een verplichte verzekering uit hoofde van artikel 3, worden de gegevens uitsluitend bewaard gedurende een beperkte periode die maximaal het aantal dagen bedraagt dat nodig is om vast te stellen of er al dan niet sprake is van een geldige verzekeringsdekking.

Artikel 5

Afwijking van de verplichting tot het afsluiten van een verzekering voor voertuigen

1.

Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, van wie door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden.

De lidstaat die aldus van artikel 3 afwijkt, neemt de nodige maatregelen ter verzekering van de schadeloosstelling van de schade veroorzaakt op zijn eigen grondgebied en op het grondgebied van de andere lidstaten door aan deze personen toebehorende voertuigen.

Deze staat wijst met name de instantie of het orgaan aan in het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden, die, of dat, overeenkomstig de wettelijke voorschriften van deze staat, is belast met de schadeloosstelling van de benadeelden, in het geval dat artikel 2, onder a), niet van toepassing is.

Hij zendt de Commissie de lijst van personen die zijn vrijgesteld van een verplichte verzekering, alsook van de instanties of organen die verantwoordelijk zijn voor de schadeloosstelling.

De Commissie publiceert de lijst.

2.

Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat, waarvan door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden.

In dat geval dragen de lidstaten er zorg voor dat de in de eerste alinea bedoelde voertuigen op dezelfde wijze worden behandeld als voertuigen die niet voldoen aan de verzekeringsverplichting als bedoeld in artikel 3.

Het garantiefonds van de lidstaat waar het ongeval heeft plaatsgevonden, heeft dan een vordering op het garantiefonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald.

Vanaf 11 juni 2010, brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit over de uitvoering en de praktische toepassing van dit lid.

Nadat de Commissie deze verslagen heeft bestudeerd dient zij, indien nodig, voorstellen in ter vervanging of tot schrapping van deze afwijking.

3.

Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van voertuigen die tijdelijk of definitief uit het verkeer zijn genomen en waarvan de deelneming aan het verkeer verboden is, mits een formele administratieve procedure of een andere verifieerbare maatregel overeenkomstig het nationale recht is ingevoerd.

In dat geval draagt de lidstaat er zorg voor dat de in de eerste alinea bedoelde voertuigen op dezelfde wijze worden behandeld als voertuigen ten aanzien waarvan niet voldaan is aan de verzekeringsverplichting als bedoeld in artikel 3.

Het garantiefonds van de lidstaat waar een ongeval heeft plaatsgevonden, heeft dan een vordering op het garantiefonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald.

4.

Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt in gebieden met beperkte toegang, overeenkomstig zijn nationale wetgeving.

In dat geval draagt de lidstaat er zorg voor dat de in de eerste alinea bedoelde voertuigen op dezelfde wijze worden behandeld als voertuigen ten aanzien waarvan niet voldaan is aan de verzekeringsverplichting als bedoeld in artikel 3.

Het garantiefonds van de lidstaat waar een ongeval heeft plaatsgevonden, heeft dan een vordering op het garantiefonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald.

5.

Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van voertuigen waarvan het gebruik op de openbare weg niet is toegestaan overeenkomstig zijn nationale wetgeving.

Iedere lidstaat die afwijkt van artikel 3 ten aanzien van in de eerste alinea bedoelde voertuigen draagt er zorg voor dat die voertuigen op dezelfde wijze worden behandeld als voertuigen ten aanzien waarvan niet voldaan is aan de verzekeringsverplichting als bedoeld in artikel 3.

Het garantiefonds van de lidstaat waar een ongeval heeft plaatsgevonden, heeft dan een vordering op het garantiefonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald.

6.

Wanneer een lidstaat krachtens lid 5 afwijkt van artikel 3 ten aanzien van voertuigen die niet voor gebruik op de openbare weg zijn toegelaten, kan die lidstaat ook afwijken van artikel 10 wat betreft de vergoeding van schade die door die voertuigen is veroorzaakt in gebieden die niet toegankelijk zijn voor het publiek wegens een wettelijke of fysieke beperking van de toegang tot die gebieden, zoals gedefinieerd in zijn nationale wetgeving.

7.

Ten aanzien van de leden 3 tot en met 6 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van het gebruik van de afwijking en de bijzondere regelingen voor de toepassing ervan. De Commissie publiceert een lijst van die afwijkingen.

Artikel 6

Nationale bureaus van verzekeraars

Elke lidstaat draagt er zorg voor dat het nationale bureau van verzekeraars, onverminderd de in artikel 2, onder a), bedoelde verplichting, bij een ongeluk dat op zijn grondgebied wordt veroorzaakt door een voertuig dat gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat is gestald, inlichtingen inwint omtrent:

a) 

het grondgebied waarop dit voertuig gewoonlijk is gestald, alsmede het kentekennummer ervan, indien aanwezig;

b) 

voor zover enigszins mogelijk, de gegevens betreffende de verzekering van dit voertuig, waarover de houder van het voertuig beschikt, zoals deze normaliter voorkomen op de groene kaart, voor zover om deze gegevens wordt gevraagd door de lidstaat op het grondgebied waarvan het voertuig gewoonlijk is gestald.

Elke lidstaat draagt er tevens zorg voor dat het bureau de onder a) en b) bedoelde inlichtingen doorgeeft aan het nationale bureau van verzekeraars van de staat op het grondgebied waarvan het in de eerste alinea bedoelde voertuig gewoonlijk is gestald.

Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een derde land zijn gestald

Artikel 7

Nationale maatregelen betreffende voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een derde land zijn gestald

Elke lidstaat draagt er zorg voor dat elk voertuig dat gewoonlijk op het grondgebied van een derde land is gestald, bij het binnenkomen op het grondgebied waar het Verdrag van toepassing is, slechts tot het verkeer op zijn grondgebied kan worden toegelaten, indien de schade die door de deelneming aan het verkeer door dit voertuig kan worden veroorzaakt voor het gehele grondgebied waar het Verdrag van toepassing is, gedekt is overeenkomstig de vereisten die door elke nationale wetgever zijn vastgesteld met betrekking tot de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van voertuigen aanleiding kan geven.

Artikel 8

Documenten betreffende voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een derde land zijn gestald

1.

Elk voertuig dat gewoonlijk is gestald op het grondgebied van een derde land, moet, alvorens het binnenkomt op het grondgebied waar het Verdrag van toepassing is, zijn voorzien van een geldige groene kaart, of van een document van grensverzekering, waaruit het bestaan blijkt van een verzekering overeenkomstig artikel 7.

Voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in een derde land worden evenwel beschouwd als gewoonlijk in de Gemeenschap gestalde voertuigen, wanneer de nationale bureaus van alle lidstaten, elk voor zich, zich garant stellen — en wel elk bureau overeenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering — voor de afwikkeling van de ongevallen die op hun grondgebied hebben plaatsgehad en bij de deelneming aan het verkeer door deze voertuigen zijn veroorzaakt.

2.

Nadat de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten het bestaan van de in lid 1, tweede alinea, bedoelde verbintenissen heeft vastgesteld, bepaalt zij met ingang van welke datum en voor welke typen voertuigen de lidstaten het overleggen van de in lid 1, eerste alinea bedoelde documenten niet meer zullen eisen.

Hoofdstuk 3. Door de verplichte verzekering gedekte minimumbedragen

Artikel 9

Minimumbedragen

1.

Onverminderd door de lidstaten voorgeschreven hogere dekkingen, eist iedere lidstaat dat de in artikel 3 bedoelde verzekering verplicht is voor de volgende minimumbedragen:

a) 

voor lichamelijk letsel: 6 450 000  EUR per ongeval, ongeacht het aantal benadeelden, of 1 300 000  EUR per benadeelde;

b) 

voor materiële schade: 1 300 000  EUR per ongeval, ongeacht het aantal benadeelden.

Voor de lidstaten die de euro niet als munteenheid hebben ingevoerd, worden de minimumbedragen in hun nationale valuta omgerekend tegen de wisselkoers op 22 december 2021, die in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt.

2.

De Commissie herziet elke vijf jaar vanaf 22 december 2021 de in lid 1 genoemde bedragen in het licht van het geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen (HICP) dat overeenkomstig Verordening (EU) 2016/792 van het Europees Parlement en de Raad () wordt vastgesteld.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 28 ter gedelegeerde handelingen betreffende de aanpassing van die bedragen aan het HICP vast binnen zes maanden na afloop van elke periode van vijf jaar.

Voor de lidstaten die de euro niet als munteenheid hebben ingevoerd, worden de bedragen in hun nationale valuta omgerekend tegen de wisselkoers van de datum van de berekening van de nieuwe minimumbedragen die zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Hoofdstuk 4. Vergoeding voor schade veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig ten aanzien waarvan niet voldaan is aan de in artikel 3 bedoelde verzekeringsplicht, en compensatie in geval van insolventie

Artikel 10

Schadevergoedingsorgaan

1.

Elke lidstaat stelt een orgaan in of erkent een orgaan dat tot taak heeft materiële schade en lichamelijk letsel die zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in artikel 3 bedoelde verzekeringsplicht is voldaan, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden.

De eerste alinea doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om aan de vergoeding door dit orgaan al dan niet een subsidiair karakter te geven, noch aan het recht van de lidstaten om het verhaal te regelen tussen dit orgaan en degene of degenen die aansprakelijk is of zijn voor het ongeval en andere verzekeraars of socialezekerheidsorganen die gehouden zijn de benadeelde ter zake van hetzelfde ongeval te vergoeden. De lidstaten mogen het orgaan evenwel niet toestaan aan de uitkering van de schadevergoeding de voorwaarde te verbinden dat de benadeelde op enigerlei wijze aantoont dat de aansprakelijke persoon niet kan of niet wil betalen.

2.

De benadeelde kan zich in ieder geval rechtstreeks tot dit orgaan wenden; het orgaan is verplicht aan de hand van de inlichtingen die het op zijn verzoek van de benadeelde heeft gekregen, aan de benadeelde een met redenen omkleed antwoord met betrekking tot de betaling van een vergoeding te geven.

De lidstaten kunnen evenwel van vergoeding door dit orgaan uitsluiten degenen die geheel vrijwillig plaats hebben genomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer het orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig niet verzekerd was.

3.

De lidstaten kunnen in geval van materiële schade die door een niet-geïdentificeerd voertuig is veroorzaakt, de vergoeding door dit orgaan beperken of uitsluiten.

Wanneer het orgaan echter een vergoeding heeft betaald voor aanzienlijk lichamelijk letsel aan een door hetzelfde ongeval benadeelde waarbij materiële schade is veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, kunnen de lidstaten de vergoeding voor materiële schade niet uitsluiten vanwege het feit dat het voertuig niet is geïdentificeerd. De lidstaten kunnen niettemin voorzien in een franchise van ten hoogste 500 EUR die wordt opgelegd aan de benadeelde die dergelijke materiële schade heeft geleden.

De voorwaarden waaronder lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, worden vastgesteld overeenkomstig de wetgeving of de bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat waar het ongeval plaatsvindt. In dit verband kunnen de lidstaten rekening houden met, onder andere, de vraag of het letsel in het ziekenhuis moest worden behandeld.

4.

Iedere lidstaat past op de vergoeding door het orgaan zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe, onverminderd elke andere regeling die voor de benadeelde voordeliger is.

Artikel 10 bis

Bescherming van benadeelden tegen schade ten gevolge van ongevallen in hun lidstaat van woonplaats in geval van insolventie van een verzekeringsonderneming

1.

Elke lidstaat stelt een orgaan in of erkent een orgaan belast met de taak om compensatie te verlenen aan benadeelden die op zijn grondgebied wonen, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering, voor materiële schade of lichamelijk letsel veroorzaakt door een voertuig dat verzekerd is door een verzekeringsonderneming, vanaf het tijdstip dat:

a) 

de verzekeringsonderneming is onderworpen aan een faillissementsprocedure, of

b) 

de verzekeringsonderneming is onderworpen aan een liquidatieprocedure in de zin van artikel 268, lid 1, punt d), van Richtlijn 2009/138/EG.

2.

Elke lidstaat neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het in lid 1 bedoelde orgaan over voldoende financiële middelen beschikt om de benadeelden volgens de regels van lid 10 te vergoeden wanneer er schadevergoeding moet worden uitgekeerd in situaties als bedoeld in lid 1, punten a) en b). Die maatregelen kunnen het opleggen van financiële bijdragen omvatten, mits zij alleen worden opgelegd aan verzekeringsondernemingen die zijn erkend door de lidstaat die de bijdragen oplegt.

3.

Onverminderd eventuele verplichtingen uit hoofde van artikel 280 van Richtlijn 2009/138/EG, draagt elke lidstaat er zorg voor dat wanneer een bevoegde rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit een bevel uitvaardigt of een beslissing neemt tot het inleiden van een procedure als bedoeld in lid 1, punt a) of b), met betrekking tot een verzekeringsonderneming waarvan die lidstaat de lidstaat van herkomst is, dat bevel of die beslissing openbaar wordt gemaakt. Het in lid 1 bedoelde orgaan dat gevestigd is in de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming ziet erop toe dat alle in lid 1 bedoelde organen in alle lidstaten onverwijld van dat bevel of die beslissing in kennis worden gesteld.

4.

De benadeelde kan bij het in lid 1 bedoelde orgaan rechtstreeks een vordering tot schadevergoeding indienen.

5.

Na ontvangst van de vordering stelt het in lid 1 bedoelde orgaan het overeenkomstige orgaan in de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming, alsook de verzekeringsonderneming die het voorwerp uitmaakt van een faillissements- of liquidatieprocedure, of haar bewindvoerder of liquidateur, zoals omschreven in artikel 268, lid 1, punt e) respectievelijk punt f), van Richtlijn 2009/138/EG, ervan in kennis dat het een vordering van de benadeelde heeft ontvangen.

6.

De verzekeringsonderneming die het voorwerp is van een faillissements- of liquidatieprocedure, of de bewindvoerder of de liquidateur ervan, brengt het in lid 1 bedoelde orgaan op de hoogte wanneer zij een vergoeding uitkeert of haar aansprakelijkheid afwijst met betrekking tot een vordering die ook bij het in lid 1 bedoelde orgaan is ingediend.

7.

De lidstaten dragen er zorg voor dat het in lid 1 bedoelde orgaan de benadeelde op basis van onder andere de inlichtingen die het op zijn verzoek van de benadeelde heeft gekregen, binnen drie maanden nadat de benadeelde zijn vordering tot schadevergoeding bij het orgaan heeft ingediend, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding of een met redenen omkleed antwoord als bepaald in de tweede alinea van dit lid doet toekomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea zal het orgaan:

a) 

een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding doen, wanneer het heeft vastgesteld dat het gehouden is om schadevergoeding te verlenen op grond van lid 1, punt a) of b), de vordering niet wordt betwist en de schade geheel of gedeeltelijk is gekwantificeerd;

b) 

een met redenen omkleed antwoord geven op de punten van de vordering, wanneer het heeft vastgesteld dat het niet gehouden is om schadevergoeding te verlenen op grond van lid 1, punt a) of b), of wanneer de aansprakelijkheid wordt afgewezen of niet duidelijk is vastgesteld, of de schade niet volledig is gekwantificeerd.

8.

Indien schadevergoeding verschuldigd is overeenkomstig lid 7, tweede alinea, punt a), keert het in lid 1 bedoelde orgaan de schadevergoeding onverwijld aan de benadeelde uit en in ieder geval binnen drie maanden nadat de benadeelde het met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding als bedoeld in lid 7, tweede alinea, punt a), heeft aanvaard.

Indien de schade slechts gedeeltelijk is gekwantificeerd, zijn de in de eerste alinea gestelde eisen betreffende de uitkering van schadevergoeding van toepassing op die gedeeltelijk gekwantificeerde schade, en wel vanaf het tijdstip van aanvaarding van het overeenkomstige met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding.

9.

De lidstaten zien erop toe dat het in lid 1 bedoelde orgaan over alle nodige bevoegdheden en competenties beschikt om in alle stadia van de in dit artikel bedoelde procedure tijdig te kunnen samenwerken met andere overeenkomstige organen in andere lidstaten, met de uit hoofde van artikel 25 bis in alle lidstaten ingestelde of erkende organen en met andere betrokken partijen, onder meer met een verzekeringsonderneming die het voorwerp uitmaakt van een faillissements- of liquidatieprocedure, met de bewindvoerder of de liquidateur van die onderneming, alsmede met de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten. Deze samenwerking omvat in voorkomend geval het verzoek om, de ontvangst van en de verstrekking van informatie, onder meer over de bijzonderheden van specifieke vorderingen.

10.

Indien de in lid 1 bedoelde lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming een andere is dan de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde, heeft het in lid 1 bedoelde orgaan van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde dat de benadeelde overeenkomstig lid 8 heeft vergoed, het recht om van het in lid 1 bedoelde orgaan van de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming volledige terugbetaling te vorderen van de bij wijze van schadevergoeding uitgekeerde bedragen.

Het in lid 1 bedoelde orgaan in de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming betaalt het in lid 1 bedoelde orgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde, dat de benadeelde overeenkomstig lid 8 heeft vergoed, binnen een redelijke termijn van ten hoogste zes maanden uit, tenzij door die organen schriftelijk anders is overeengekomen, nadat het een vordering tot een dergelijke terugbetaling heeft ontvangen.

Het orgaan dat op grond van de eerste alinea schadevergoeding heeft verleend, wordt gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde jegens de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt of zijn of haar verzekeringsonderneming, met uitzondering van de rechten van de benadeelde jegens de verzekeringnemer of andere verzekerde die het ongeval heeft veroorzaakt, voor zover de aansprakelijkheid van de verzekeringnemer of van de verzekerde overeenkomstig het toepasselijke nationale recht door de insolvente verzekeringsonderneming zou worden gedekt. Elke lidstaat is verplicht deze subrogatie zoals die door een andere lidstaat is geregeld, te erkennen.

11.

De leden 1 tot en met 10 doen geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om:

a) 

aan de door het in lid 1 bedoelde orgaan betaalde vergoeding al dan niet een subsidiair karakter te geven;

b) 

te voorzien in verhaal ter zake van hetzelfde ongeval tussen:

i) 

het in lid 1 bedoelde orgaan;

ii) 

de voor het ongeval aansprakelijke persoon of personen;

iii) 

andere verzekeringsondernemingen of socialezekerheidsorganen die gehouden zijn de benadeelde te vergoeden.

12.

De lidstaten mogen het in lid 1 bedoelde orgaan niet toestaan de uitkering van de vergoeding afhankelijk te stellen van andere dan de in deze richtlijn vastgestelde vereisten. De lidstaten mogen het in lid 1 bedoelde orgaan met name niet toestaan de uitkering van de vergoeding afhankelijk te stellen van het vereiste dat de benadeelde aantoont dat de voor het ongeval aansprakelijke rechts- of natuurlijke persoon niet kan of niet wil betalen.

13.

De in lid 1 bedoelde organen of de in de tweede alinea van dit lid bedoelde instanties streven ernaar om uiterlijk op 23 december 2023 een overeenkomst te sluiten met het oog op de uitvoering van dit artikel, betreffende hun taken en verplichtingen en de procedures voor terugbetaling op grond van dit artikel.

Daartoe zullen de lidstaten uiterlijk op 23 juni 2023:

a) 

het in lid 1 bedoelde orgaan instellen of erkennen en het machtigen een dergelijke overeenkomst uit te onderhandelen en te sluiten, of

b) 

een instantie aanwijzen en machtigen om een dergelijke overeenkomst uit te onderhandelen en te sluiten, waarbij het in lid 1 bedoelde orgaan partij wordt wanneer het is ingesteld of erkend.

De in de eerste alinea bedoelde overeenkomst wordt onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht.

Indien de in de eerste alinea bedoelde overeenkomst niet is gesloten tegen 23 december 2023, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig de in artikel 28 ter bedoelde procedure gedelegeerde handelingen vast te stellen om de procedurele taken en verplichtingen van de in lid 1 bedoelde organen met betrekking tot terugbetaling te bepalen.

Artikel 11

Geschil

Voor gevallen waarin tussen het in artikel 10, lid 1, bedoelde orgaan en een wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar onenigheid bestaat over de vraag wie van deze partijen de benadeelde moet vergoeden, treffen de lidstaten passende maatregelen om te bepalen welke partij de schade van de benadeelde in eerste instantie terstond moet vergoeden.

Indien uiteindelijk wordt besloten dat de andere partij de vergoeding of een gedeelte daarvan had moeten betalen, betaalt deze een overeenkomstig bedrag terug aan de partij die reeds heeft betaald.

Hoofdstuk 5. Bijzondere categorieën benadeelden, uitsluitingsclausules, enkele premie, voertuigen die worden verzonden vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat

Artikel 12

Bijzondere categorieën benadeelden

1.

Onverminderd artikel 13, lid 1, tweede alinea, dekt de in artikel 3 bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.

2.

De familieleden van de verzekeringsnemer, van de bestuurder of van enig ander persoon die bij een ongeval wettelijk aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de in artikel 3 bedoelde verzekering is gedekt, kunnen voor wat betreft hun lichamelijk letsel niet op grond van deze verwantschap worden uitgesloten van het recht op een uitkering.

3.

De in artikel 3 bedoelde verzekering dekt lichamelijk letsel en materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers die, als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, recht hebben op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht.

Deze bepaling doet geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid, noch aan het bedrag van de schade.

Artikel 13

Uitsluitingsclausules

1.

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alle wettelijke bepalingen en contractuele clausules in een overeenkomstig artikel 3 afgegeven verzekeringspolis, worden geacht niet te gelden inzake vorderingen van derden die benadeeld zijn ten gevolge van een ongeval, in gevallen waarin van de verzekering op grond van die wettelijke bepaling of contractuele clausule is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen:

a) 

door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend gemachtigd zijn;

b) 

door personen die geen rijbewijs hebben om het betrokken voertuig te besturen;

c) 

door personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet in acht hebben genomen.

De in de eerste alinea, onder a), bedoelde bepaling of clausule kan echter worden tegengeworpen aan personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig gestolen was.

De lidstaten hebben de mogelijkheid om voor ongevallen op hun grondgebied het bepaalde in de eerste alinea niet toe te passen indien en voor zover de benadeelde schadevergoeding kan krijgen van een orgaan van de sociale zekerheid.

2.

In het geval van voertuigen die door diefstal of geweldpleging zijn verkregen, kunnen de lidstaten bepalen dat het in artikel 10, lid 1, bedoelde orgaan in plaats van de verzekeraar zal optreden onder de in lid 1 van het onderhavige artikel gestelde voorwaarden; wanneer het voertuig gewoonlijk in een andere lidstaat is gestald, heeft genoemd orgaan geen mogelijkheid van verhaal tegen enig orgaan in die lidstaat.

De lidstaten die voor voertuigen die door diefstal of geweldpleging zijn verkregen, voorzien in tussenkomst van het in artikel 10, lid 1, bedoelde orgaan, kunnen voor materiële schade een franchise vaststellen van ten hoogste 250 EUR, die jegens de benadeelde geldend kan worden gemaakt.

3.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis op grond waarvan een inzittende wordt uitgesloten van een dergelijke dekking omdat hij wist of had moeten weten dat de bestuurder ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol of van enige andere bedwelmende stof verkeerde, geacht worden niet te gelden inzake vorderingen van deze inzittende.

Artikel 14

Eén enkele premie

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle polissen in het kader van de verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering met betrekking tot de deelneming van voertuigen aan het verkeer:

a) 

tegen betaling van één enkele premie en gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst dekking verschaffen voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap, met inbegrip van de perioden waarin het voertuig zich, gedurende de looptijd van de overeenkomst, in een andere lidstaat bevindt; en

b) 

tegen betaling van diezelfde premie, in elke lidstaat de bij diens wet voorgeschreven dekking verschaffen, dan wel de dekking die wettelijk is voorgeschreven in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, indien laatstgenoemde dekking hoger is.

Artikel 15

Voertuigen die worden verzonden vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat

1.

In afwijking van artikel 13, punt 13, b), van Richtlijn 2009/138/EG wordt, wanneer een voertuig vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat wordt verzonden, naar keuze van de persoon die verantwoordelijk is voor de dekking van de wettelijke aansprakelijkheid hetzij de lidstaat van registratie hetzij — vanaf de aanvaarding van de levering door de koper — de lidstaat van bestemming gedurende een periode van dertig dagen beschouwd als de lidstaat waar het risico is gelegen, zelfs indien het voertuig in de lidstaat van bestemming niet officieel is geregistreerd.

De lidstaten zien erop toe dat het in artikel 23 bedoelde informatiecentrum van de lidstaat waar het voertuig is ingeschreven, van de lidstaat van bestemming, indien dit een andere lidstaat is, en van iedere andere relevante lidstaat, zoals de lidstaat waar het ongeval heeft plaatsgevonden of waar een benadeelde woonachtig is, met elkaar samenwerken zodat de noodzakelijke informatie over het verzonden voertuig waarover zij overeenkomstig artikel 23 beschikken, beschikbaar is.

2.

Wanneer het voertuig gedurende de in lid 1 van dit artikel genoemde periode bij een ongeval betrokken raakt zonder dat het verzekerd is, is het in 10, lid 1, bedoelde orgaan in de lidstaat van bestemming gehouden tot de in artikel 9 bepaalde schadevergoeding.

Artikel 15 bis

Bescherming van benadeelden bij ongevallen met een aanhangwagen die wordt getrokken door een voertuig

1.

Bij een ongeval, veroorzaakt door een samenstel van voertuigen bestaande uit een voertuig dat een aanhangwagen trekt en waarvan de aanhangwagen afzonderlijk is verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid, kan de benadeelde zijn vordering rechtstreeks instellen tegen de verzekeringsonderneming die de aanhangwagen heeft verzekerd, indien:

a) 

de aanhangwagen kan worden geïdentificeerd, maar het voertuig dat deze trok niet kan worden geïdentificeerd, en

b) 

het toepasselijk nationaal recht de verzekeraar van de aanhangwagen verplicht schadevergoeding te betalen.

Een verzekeringsonderneming die de benadeelde heeft vergoed, kan een beroep doen op de onderneming die het trekkende voertuig heeft verzekerd of op het in artikel 10, lid 1, bedoelde orgaan, indien en voor zover het toepasselijke nationale recht daarin voorziet.

Dit lid laat het toepasselijke nationale recht dat voorziet in voor de benadeelde gunstigere regels, onverlet.

2.

Bij een ongeval, veroorzaakt door een samenstel van voertuigen bestaande uit een voertuig dat een aanhangwagen trekt, moet de verzekeraar van de aanhangwagen, tenzij het toepasselijke nationale recht hem verplicht tot volledige schadevergoeding, de benadeelde op diens verzoek onverwijld in kennis stellen van:

a) 

de identiteit van de verzekeraar van het trekkende voertuig, of

b) 

indien de verzekeraar van de aanhangwagen de verzekeraar van het trekkende voertuig niet kan identificeren, de in artikel 10 bepaalde schadevergoedingsregeling.

Hoofdstuk 6. Verklaring, franchises, rechtstreekse vordering

Artikel 16

Verklaring betreffende de vorderingen die derden hebben ingediend

De lidstaten dragen er zorg voor dat de verzekeringnemer te allen tijde het recht heeft een verklaring te vragen betreffende de vorderingen die derden gedurende ten minste de laatste vijf jaar van de looptijd van de overeenkomst ten aanzien van het of de door de verzekeringsovereenkomst gedekte voertuig of voertuigen hebben ingediend, of een verklaring betreffende het ontbreken van dergelijke vorderingen („verklaring betreffende het schadeverleden”).

De verzekeringsonderneming dan wel een orgaan dat door een lidstaat is aangewezen om verplichte verzekeringen aan te bieden of dergelijke verklaringen te verstrekken, verstrekt de verzekeringnemer die verklaring betreffende het schadeverleden binnen 15 dagen te rekenen vanaf de indiening van het verzoek. Zij doen dit aan de hand van het formulier van de verklaring betreffende het schadeverleden.

De lidstaten zorgen ervoor dat verzekeringsondernemingen, wanneer zij rekening houden met verklaringen betreffende het schadeverleden die door andere verzekeringsondernemingen of andere organen als bedoeld in de tweede alinea zijn verstrekt, verzekeringnemers niet op een discriminerende manier behandelen en geen hogere premies in rekening brengen vanwege hun nationaliteit of louter op basis van hun vorige lidstaat van woonplaats.

De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een verzekeringsonderneming bij de vaststelling van haar premies rekening houdt met verklaringen betreffende het schadeverleden, zij die verklaringen die in andere lidstaten zijn afgegeven gelijkstelt met die welke door een verzekeringsonderneming of de in de tweede alinea bedoelde organen in dezelfde lidstaat zijn afgegeven, ook wanneer zij eventuele kortingen toepast.

De lidstaten zorgen ervoor dat verzekeringsondernemingen een algemeen overzicht van hun beleid op het gebied van het gebruik van verklaringen betreffende het schadeverleden bij de premieberekening bekendmaken.

De Commissie stelt uiterlijk op 23 juli 2023 uitvoeringshandelingen vast waarin zij door middel van een model de vorm en inhoud bepaalt van de in de tweede alinea bedoelde verklaring betreffende het schadeverleden. Dat model bevat informatie over de volgende punten:

a) 

de identiteit van de verzekeringsonderneming die, of het orgaan dat, de verklaring betreffende het schadeverleden verstrekt;

b) 

de identiteit van de verzekeringnemer, met inbegrip van zijn of haar contactgegevens;

c) 

het verzekerde voertuig en het voertuigidentificatienummer ervan;

d) 

de begin- en einddatum van de verzekering van het voertuig;

e) 

het aantal in het kader van de verzekeringsovereenkomst van de verzekeringnemer afgewikkelde door derden ingediende vorderingen gedurende de door de verklaring betreffende het schadeverleden bestreken periode, met inbegrip van de datum van elke vordering;

f) 

aanvullende informatie die relevant is uit hoofde van de in de lidstaten geldende voorschriften of praktijken.

De Commissie raadpleegt alle belanghebbende partijen en werkt nauw samen met de lidstaten voordat zij die uitvoeringshandelingen vaststelt.

De uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 28 bis, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Artikel 16 bis

Instrumenten voor de prijsvergelijking van motorrijtuigenverzekeringen

1.

De lidstaten kunnen ervoor kiezen hulpmiddelen waarmee consumenten gratis prijzen, tarieven en dekkingen tussen aanbieders van de in artikel 3 bedoelde verplichte verzekering kunnen vergelijken, te certificeren als „onafhankelijke instrumenten voor de prijsvergelijking van motorrijtuigenverzekeringen”, indien aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan.

2.

Een vergelijkingsinstrument in de zin van lid 1:

a) 

is operationeel onafhankelijk van de aanbieders van de in artikel 3 bedoelde verplichte verzekering en waarborgt dat dienstaanbieders in de zoekresultaten gelijk worden behandeld;

b) 

vermeldt duidelijk de identiteit van de eigenaars en beheerders van het vergelijkingsinstrument;

c) 

vermeldt duidelijke, objectieve criteria waarop de vergelijking wordt gebaseerd;

d) 

maakt gebruik van gewone en ondubbelzinnige taal;

e) 

geeft nauwkeurige en geactualiseerde informatie, met vermelding van het tijdstip van de meest recente actualisering;

f) 

staat open voor elke aanbieder van de in artikel 3 bedoelde verplichte verzekering, stelt de relevante informatie beschikbaar, omvat een ruime reeks aanbiedingen die een significant deel van de motorrijtuigenverzekeringsmarkt bestrijkt, en vermeldt aan de gebruiker in voorkomend geval duidelijk, en voordat de zoekresultaten worden getoond, dat de gepresenteerde informatie geen volledig overzicht van de markt biedt;

g) 

voorziet in een effectieve procedure om foute informatie te melden;

h) 

bevat een verklaring dat de prijzen gebaseerd zijn op de verstrekte informatie en niet bindend zijn voor de verzekeraars.

Artikel 17

Franchises

Verzekeringsondernemingen mogen met betrekking tot de in artikel 3, bedoelde verzekering tegenover de benadeelde van een ongeval geen franchise inroepen.

Artikel 18

Rechtstreekse vordering

De lidstaten dragen er zorg voor dat personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden welke is veroorzaakt door een voertuig dat door een in artikel 3, bedoelde verzekering is gedekt, tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij een rechtstreekse vordering kunnen instellen.

Hoofdstuk 7. Afdoening van vorderingen als gevolg van een ongeval, veroorzaakt door een voertuig dat door de in artikel 3 bedoelde verzekering is gedekt

Artikel 19

Procedure voor de afdoening van vorderingen

De lidstaten stellen de in artikel 22 omschreven procedure vast voor de afdoening van vorderingen als gevolg van een ongeval, veroorzaakt door een voertuig dat door de in artikel 3 bedoelde verzekering is gedekt.

Ten aanzien van ongevallen die aan de hand van het in artikel 2 bedoelde systeem van nationale bureaus van verzekeraars kunnen worden afgewikkeld, stellen de lidstaten eveneens de in artikel 22 omschreven procedure vast.

Voor de toepassing van die procedure worden onder verzekeringsondernemingen verstaan, de nationale bureaus van verzekeraars.

Artikel 20

Bijzondere bepalingen inzake de vergoeding van benadeelden ten gevolge van een ongeval dat zich voordoet in een andere lidstaat dan de lidstaat van hun woonplaats

1.

De artikelen 20 tot en met 26 hebben tot doel bijzondere bepalingen vast te stellen die van toepassing zijn op benadeelden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van materiële schade of lichamelijk letsel ten gevolge van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan de lidstaat van hun woonplaats en veroorzaakt zijn door de deelneming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een lidstaat.

Zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de wetgeving van derde landen inzake de wettelijke aansprakelijkheid en aan het internationaal privaatrecht, zijn deze bepalingen ook van toepassing op in een lidstaat woonachtige benadeelden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van materiële schade of lichamelijk letsel ten gevolge van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een derde land waarvan het nationale bureau van verzekeraars is aangesloten bij het groenekaartsysteem, wanneer dergelijke ongevallen zijn veroorzaakt door de deelneming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een lidstaat.

2.

De artikelen 21 en 24 zijn slechts van toepassing met betrekking tot ongevallen die veroorzaakt zijn door het gebruik van een voertuig dat:

a) 

verzekerd is via een vestiging in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde; en

b) 

gewoonlijk is gestald in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde.

Artikel 21

Schaderegelaar

1.

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat elke verzekeringsonderneming die de risico’s dekt die zijn ingedeeld bij branche 10 van punt A van de bijlage bij Richtlijn 73/239/EEG, uitgezonderd de aansprakelijkheid van de vervoerder, in iedere andere lidstaat dan die waar zij haar officiële vergunning heeft ontvangen, een schaderegelaar aanwijst.

Deze schaderegelaar wordt belast met de behandeling en afwikkeling van vorderingen ten gevolge van de in artikel 20, lid 1, bedoelde ongevallen.

De schaderegelaar heeft zijn woonplaats of vestiging in de lidstaat waar hij is aangesteld.

2.

De keuze van de schaderegelaar wordt overgelaten aan het oordeel van de verzekeringsonderneming.

Deze keuzevrijheid kan niet door de lidstaten worden beperkt.

3.

De schaderegelaar kan voor rekening van een of meer verzekeringsondernemingen optreden.

4.

De schaderegelaar verzamelt, met betrekking tot dergelijke verzoeken, alle inlichtingen die nodig zijn om de verzoeken te kunnen afhandelen en neemt alle passende maatregelen om over een afwikkeling te onderhandelen.

De eis dat een schaderegelaar wordt aangewezen doet niet af aan het recht van de benadeelde, of diens verzekeringsonderneming, om rechtstreeks degene die het ongeval heeft veroorzaakt, of diens verzekeringsonderneming, aan te spreken.

5.

De schaderegelaar beschikt over voldoende bevoegdheden om de verzekeringsonderneming in de in artikel 20, lid 1, genoemde gevallen ten aanzien van de benadeelden te vertegenwoordigen en om hun verzoeken volledig af te handelen.

Hij moet in staat zijn de zaak in de officiële taal of talen van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde te behandelen.

6.

De aanwijzing van een schaderegelaar wordt op zich niet beschouwd als de opening van een bijkantoor in de zin van artikel 1, onder b), van Richtlijn 92/49/EEG en de schaderegelaar wordt niet beschouwd als een vestiging in de zin van artikel 2, onder c), van Richtlijn 88/357/EEG noch als een vestiging in de zin van Verordening (EG) nr. 44/2001.

Artikel 22

Schadevergoedingsprocedure

De lidstaten stellen verplicht dat — op straffe van passende, afdoende en systematische financiële of daaraan gelijkwaardige administratieve sancties en binnen drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding hetzij rechtstreeks bij de verzekeringsonderneming van degene die dat ongeval heeft veroorzaakt, hetzij bij haar schaderegelaar heeft ingediend:

a) 

de verzekeringsonderneming van degene die het ongeval heeft veroorzaakt of haar schaderegelaar een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding voorlegt, wanneer de aansprakelijkheid niet wordt betwist en de schade is gekwantificeerd, of

b) 

de verzekeringsonderneming tot wie het verzoek tot schadevergoeding is gericht of haar schaderegelaar, een met redenen omkleed antwoord geeft op alle punten van het verzoek tot schadevergoeding wanneer de aansprakelijkheid wordt betwist of de schade niet volledig is gekwantificeerd.

De lidstaten nemen bepalingen aan om ervoor te zorgen dat, indien geen voorstel is voorgelegd binnen de termijn van drie maanden over de door de verzekeringsonderneming voorgestelde of door de rechter toegewezen vergoeding interest verschuldigd is.

Artikel 23

Informatiecentrum

1.

Iedere lidstaat draagt zorg voor de oprichting of erkenning van een informatiecentrum dat de benadeelde in staat moet stellen schadevergoeding te eisen en dat daartoe:

a) 

ofwel een register bijhoudt dat de volgende informatie bevat:

i) 

de inschrijvingsnummers van motorrijtuigen die gewoonlijk op het grondgebied van de betreffende lidstaat zijn gestald;

ii) 

de nummers van de verzekeringspolissen waardoor het gebruik van deze voertuigen wordt gedekt voor de bij branche 10, punt A, van de bijlage bij Richtlijn 73/239/EEG ingedeelde risico’s, uitgezonderd de aansprakelijkheid van de vervoerder en, indien de polis is verstreken, de datum waarop de dekking is geëindigd;

iii) 

de verzekeringsondernemingen die voertuigen dekken voor de bij branche 10 in punt A van de bijlage bij Richtlijn 73/239/EEG ingedeelde risico’s, uitgezonderd de aansprakelijkheid van de vervoerder, en de schaderegelaars die deze verzekeringsondernemingen ingevolge artikel 21 van deze richtlijn hebben aangewezen en van wie zij de naam overeenkomstig lid 2 van dit artikel aan het centrum hebben medegedeeld;

iv) 

de lijst van de voertuigen waarvoor in elke lidstaat overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2, wordt afgeweken van de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid;

v) 

met betrekking tot voertuigen als bedoeld in punt iv):

— 

de naam van de instantie die of het orgaan dat overeenkomstig artikel 5, lid 1, derde alinea, is belast met de schadevergoeding aan de benadeelden, indien de procedure van artikel 2, lid 2, onder a), niet van toepassing is en indien voor het voertuig de afwijking geldt van artikel 5, lid 1, eerste alinea,

— 

de naam van het orgaan waaronder het voertuig ressorteert in de lidstaat waar het gewoonlijk gestald is, indien voor het voertuig de afwijking geldt van artikel 5, lid 2;

b) 

ofwel de verzameling en de verspreiding van deze gegevens coördineert, en

c) 

de informatiegerechtigden bijstand verleent om de onder a), i) tot en met v), vermelde informatie te achterhalen.

De onder a), i), ii) en iii), genoemde informatie moet gedurende zeven jaar na het verstrijken van de inschrijving van het voertuig of van de verzekeringsovereenkomst worden bewaard.

De lidstaten zien erop toe dat verzekeringsondernemingen of andere instanties verplicht zijn de in lid 1, punt a), i), ii) en iii), bedoelde informatie aan de informatiecentra te verstrekken en hen in kennis te stellen wanneer een verzekeringspolis ongeldig wordt of anderszins niet langer dekking biedt voor een voertuig met een inschrijvingsnummer.

2.

Verzekeringsondernemingen als bedoeld in lid 1, onder a), iii), stellen de informatiecentra van alle lidstaten in kennis van de naam en het adres van de in iedere lidstaat overeenkomstig artikel 21 aangewezen schaderegelaar.

3.

De lidstaten zorgen ervoor dat de benadeelde het recht heeft binnen zeven jaar na het ongeval bij het informatiecentrum van de lidstaat van zijn woonplaats of van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald dan wel van de lidstaat waar het ongeval zich heeft voorgedaan, onverwijld de volgende informatie te verkrijgen:

a) 

de naam en het adres van de verzekeringsonderneming,

b) 

het nummer van de verzekeringspolis, en

c) 

de naam en het adres van de schaderegelaar van de verzekeringsonderneming in de staat van de woonplaats van de benadeelde.

De informatiecentra werken onderling samen.

4.

Indien de benadeelde er rechtmatig belang bij heeft, deelt het informatiecentrum hem naam en adres van de eigenaar, de gebruikelijke bestuurder of de ingeschreven houder van het voertuig mee. Het informatiecentrum informeert daartoe in het bijzonder bij:

a) 

de verzekeringsonderneming, of

b) 

het bureau motorrijtuigenregistratie.

Indien voor het voertuig de afwijking geldt van artikel 5, lid 1, eerste alinea, deelt het informatiecentrum de benadeelde de naam mee van de instantie die of het orgaan dat overeenkomstig de derde alinea van artikel 5, lid 1, is belast met de schadevergoeding aan de benadeelden, indien de procedure van artikel 2, onder a), niet van toepassing is.

Indien voor het voertuig de afwijking geldt van artikel 5, lid 2, deelt het informatiecentrum de benadeelde de naam mee van het orgaan van het land waar het voertuig gewoonlijk is gestald.

5.

De lidstaten dragen er zorg voor dat de informatiecentra, onverminderd hun verplichtingen ingevolge de leden 1 en 4, de in die leden bedoelde informatie verstrekken aan alle personen die zijn betrokken bij een verkeersongeval veroorzaakt door een voertuig dat door een in artikel 3 bedoelde verzekering is gedekt.

6.

De verwerking van persoonsgegevens krachtens de leden 1 tot en met 5 gebeurt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679.

Artikel 24

Schadevergoedingsorgaan

1.

Iedere lidstaat gaat over tot oprichting of erkenning van een schadevergoedingsorgaan dat belast is met de vergoeding aan benadeelden in de in artikel 20, lid 1, genoemde gevallen.

De benadeelde kan een verzoek tot schadevergoeding indienen bij het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van zijn woonplaats:

a) 

indien binnen drie maanden na de datum waarop hij zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of bij haar schaderegelaar, die verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar hem geen met redenen omkleed antwoord op de diverse punten in het verzoek heeft verstrekt; dan wel

b) 

indien de verzekeringsonderneming heeft nagelaten om overeenkomstig artikel 20, lid 1, in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde een schaderegelaar aan te wijzen. In dit geval kan de benadeelde geen verzoek tot schadevergoeding bij het schadevergoedingsorgaan indienen, indien hij zijn verzoek rechtstreeks heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt en hij binnen drie maanden na de indiening van het verzoek een met redenen omkleed antwoord heeft ontvangen.

De benadeelde kan echter geen verzoek tot schadevergoeding indienen bij het schadevergoedingsorgaan, wanneer hij rechtstreeks tegen de verzekeringsonderneming een vordering heeft ingesteld.

Het schadevergoedingsorgaan treedt op binnen twee maanden nadat de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, maar staakt zijn optreden zodra de verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar een met redenen omkleed antwoord op het verzoek heeft gegeven.

Het schadevergoedingsorgaan stelt de navolgende partijen onmiddellijk in kennis van het verzoek tot schadevergoeding, met de mededeling dat het binnen twee maanden na de indiening ervan zal optreden:

a) 

de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of de schaderegelaar;

b) 

het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van de vestiging van de verzekeringsonderneming die de polis heeft afgesloten;

c) 

indien deze bekend is, de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt.

Deze bepaling doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om aan de tussenkomst van dit orgaan een al dan niet subsidiair karakter te geven, noch aan het recht van de lidstaten om te voorzien in de afhandeling van de verzoeken tussen dit orgaan en de personen die het ongeval hebben veroorzaakt en andere verzekeringsondernemingen of socialezekerheidsorganen die gehouden zijn het slachtoffer ter zake van dit ongeval te vergoeden. De lidstaten mogen het orgaan echter niet toestaan de uitkering van de vergoeding afhankelijk te stellen van andere dan de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden, met name van de voorwaarde dat de benadeelde op enigerlei wijze aantoont dat degene die aansprakelijk is niet kan of niet wil betalen.

2.

Het schadevergoedingsorgaan dat de benadeelde in de lidstaat van zijn woonplaats heeft vergoed, kan de uitbetaalde vergoeding verhalen op het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van de vestiging van de verzekeringsonderneming die de polis heeft afgesloten.

Het laatstgenoemde orgaan wordt in de rechten van degene die het ongeval heeft veroorzaakt of diens verzekeringsonderneming gesubrogeerd, ter grootte van de vergoeding die het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde heeft uitgekeerd.

Elke lidstaat is verplicht deze subrogatie zoals door een andere lidstaat geregeld, te erkennen.

3.

Het in dit artikel bepaalde treedt in werking

a) 

nadat er een overeenkomst is gesloten tussen de door de lidstaten opgerichte of erkende schadevergoedingsorganen betreffende hun taken en verplichtingen en de wijze van terugbetaling;

b) 

met ingang van de datum die door de Commissie wordt vastgesteld nadat zij zich er in nauwe samenwerking met de lidstaten van heeft vergewist dat een dergelijke overeenkomst is gesloten.

Artikel 25

Schadevergoeding

1.

Indien het voertuig niet kan worden geïdentificeerd of de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan worden geïdentificeerd, kan de benadeelde een verzoek tot schadevergoeding indienen bij het schadevergoedingsorgaan in zijn lidstaat van woonplaats. De vergoeding wordt uitgekeerd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 9 en 10. Het schadevergoedingsorgaan kan zich onder de voorwaarden van artikel 24, lid 2, verhalen:

a) 

indien de verzekeringsonderneming niet kan worden geïdentificeerd: op het garantiefonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk gestald is;

b) 

indien het betrokken voertuig niet kan worden geïdentificeerd: op het garantiefonds van de lidstaat waar het ongeval zich heeft voorgedaan;

c) 

indien het gaat om een voertuig uit een derde land: op het garantiefonds van de lidstaat waar het ongeval zich heeft voorgedaan.

2.

Dit artikel is van toepassing op ongevallen die veroorzaakt zijn door voertuigen uit derde landen die vallen onder de artikelen 7 en 8.

Artikel 25 bis

Bescherming van benadeelden ten aanzien van schade ten gevolge van ongevallen in een andere lidstaat dan hun lidstaat van woonplaats in geval van insolventie van een verzekeringsonderneming

1.

Elke lidstaat stelt een orgaan in of erkent een orgaan dat is belast met de taak om schadevergoeding te verlenen aan benadeelden die op zijn grondgebied wonen, in de in artikel 20, lid 1, bedoelde gevallen, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering, voor materiële schade of lichamelijk letsel veroorzaakt door een voertuig dat verzekerd is door een verzekeringsonderneming, vanaf het tijdstip dat:

a) 

de verzekeringsonderneming is onderworpen aan een faillissementsprocedure, of

b) 

de verzekeringsonderneming is onderworpen aan een liquidatieprocedure in de zin van artikel 268, lid 1, punt d), van Richtlijn 2009/138/EG.

2.

Elke lidstaat neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het in lid 1 bedoelde orgaan over voldoende financiële middelen beschikt om de benadeelden volgens de regels van lid 10 te vergoeden wanneer er schadevergoeding moet worden uitgekeerd in situaties als bedoeld in lid 1, punten a) en b). Die maatregelen kunnen het opleggen van financiële bijdragen omvatten, mits zij alleen worden opgelegd aan verzekeringsondernemingen die zijn erkend door de lidstaat die de bijdragen oplegt.

3.

Onverminderd eventuele verplichtingen uit hoofde van artikel 280 van Richtlijn 2009/138/EG, draagt elke lidstaat er zorg voor dat wanneer een bevoegde rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit een bevel uitvaardigt of een beslissing neemt tot het inleiden van een procedure als bedoeld in lid 1, punt a) of b), met betrekking tot een verzekeringsonderneming waarvan die lidstaat de lidstaat van herkomst is, dat bevel of die beslissing openbaar wordt gemaakt. Het in lid 1 bedoelde orgaan dat gevestigd is in de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming ziet erop toe dat alle in lid 1 bedoelde organen en alle in artikel 24 bedoelde schadevergoedingsorganen in alle lidstaten onverwijld van dat bevel of die beslissing in kennis worden gesteld.

4.

De benadeelde kan bij het in lid 1 bedoelde orgaan rechtstreeks een vordering tot schadevergoeding indienen.

5.

Na ontvangst van de vordering stelt het in lid 1 bedoelde orgaan het overeenkomstige orgaan in de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming, het in artikel 24 bedoelde schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde, alsook de verzekeringsonderneming die het voorwerp uitmaakt van een faillissements- of liquidatieprocedure, of haar bewindvoerder of liquidateur, zoals omschreven in artikel 268, lid 1, punt e), respectievelijk punt f), van Richtlijn 2009/138/EG, ervan in kennis dat het een vordering van de benadeelde heeft ontvangen.

6.

De verzekeringsonderneming die het voorwerp is van een faillissements- of liquidatieprocedure, of de bewindvoerder of de liquidateur ervan, brengt het in lid 1 bedoelde orgaan op de hoogte wanneer zij een vergoeding uitkeert of aansprakelijkheid afwijst met betrekking tot een vordering die ook bij het in lid 1 bedoelde orgaan is ingediend.

7.

De lidstaten dragen er zorg voor dat het in lid 1 bedoelde orgaan de benadeelde op basis van onder andere de inlichtingen die het op zijn verzoek van de benadeelde heeft gekregen, binnen drie maanden nadat de benadeelde zijn vordering tot schadevergoeding bij het orgaan heeft ingediend, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding of een met redenen omkleed antwoord als bepaald in de tweede alinea van dit lid doet toekomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea zal het orgaan:

a) 

een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding doen, wanneer het heeft vastgesteld dat het gehouden is om schadevergoeding te verlenen op grond van lid 1, punt a) of b), de vordering niet wordt betwist en de schade geheel of gedeeltelijk is gekwantificeerd;

b) 

een met redenen omkleed antwoord geven op de punten van de vordering, wanneer het heeft vastgesteld dat het niet gehouden is om schadevergoeding te verlenen op grond van lid 1, punt a) of b), of wanneer aansprakelijkheid wordt afgewezen of niet duidelijk is vastgesteld, of de schade niet volledig is gekwantificeerd.

8.

Indien schadevergoeding verschuldigd is op grond van lid 7, tweede alinea, punt a), keert het in lid 1 bedoelde orgaan de schadevergoeding onverwijld aan de benadeelde uit en in ieder geval binnen drie maanden nadat de benadeelde het met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding als bedoeld in lid 7, tweede alinea, punt a), heeft aanvaard.

Indien de schade slechts gedeeltelijk is gekwantificeerd, zijn de in de eerste alinea gestelde eisen betreffende de uitkering van schadevergoeding van toepassing op die gedeeltelijk gekwantificeerde schade, en wel vanaf het tijdstip van aanvaarding van het overeenkomstige met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding.

9.

De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 1 bedoelde orgaan over alle nodige bevoegdheden en competenties beschikt om in alle stadia van de in dit artikel bedoelde procedure tijdig te kunnen samenwerken met andere overeenkomstige organen in andere lidstaten, met de uit hoofde van artikel 10 bis en artikel 24 in alle lidstaten ingestelde of erkende organen en met andere betrokken partijen, onder meer met een verzekeringsonderneming die onderworpen is aan een faillissements- of liquidatieprocedure, met de schaderegelaar, de bewindvoerder of de liquidateur van die onderneming, alsmede met de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten. Dergelijke samenwerking omvat in voorkomend geval het verzoeken om, het ontvangen van en het verstrekken van informatie, onder meer over de bijzonderheden van specifieke vorderingen.

10.

Indien de in lid 1 bedoelde lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming een andere is dan de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde, heeft het in lid 1 bedoelde orgaan van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde dat de benadeelde overeenkomstig lid 8 heeft vergoed, het recht om van het in lid 1 bedoelde orgaan van de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming volledige terugbetaling te vorderen van de bij wijze van schadevergoeding uitgekeerde bedragen.

Het in lid 1 bedoelde orgaan van de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming betaalt het in lid 1 bedoelde orgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde, dat de benadeelde overeenkomstig lid 8 heeft vergoed, binnen een redelijke termijn van ten hoogste zes maanden uit, tenzij door die organen schriftelijk anders is overeengekomen, nadat het een vordering tot een dergelijke terugbetaling heeft ontvangen.

Het orgaan dat op grond van de eerste alinea schadevergoeding heeft verleend wordt gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde jegens de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt of zijn of haar verzekeringsonderneming, met uitzondering van de rechten van de benadeelde jegens de verzekeringnemer of andere verzekerde die het ongeval heeft veroorzaakt, voor zover de aansprakelijkheid van de verzekeringnemer of van de verzekerde overeenkomstig het toepasselijke nationale recht door de insolvente verzekeringsonderneming zou worden gedekt. Elke lidstaat is verplicht deze subrogatie zoals dat door een andere lidstaat is geregeld, te erkennen.

11.

De leden 1 tot en met 10 doen geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om:

a) 

aan de door het in lid 1 bedoelde orgaan betaalde vergoeding al dan niet een subsidiair karakter te geven;

b) 

te voorzien in verhaal ter zake van hetzelfde ongeval tussen:

i) 

het in lid 1 bedoelde orgaan;

ii) 

de voor het ongeval aansprakelijke persoon of personen;

iii) 

andere verzekeringsondernemingen of socialezekerheidsorganen die gehouden zijn de benadeelde te vergoeden.

12.

De lidstaten mogen het in lid 1 bedoelde orgaan niet toestaan de uitkering van schadevergoeding afhankelijk te stellen van andere dan de in deze richtlijn vastgestelde vereisten. De lidstaten mogen het in lid 1 bedoelde orgaan met name niet toestaan de uitkering van schadevergoeding afhankelijk te stellen van het vereiste dat de benadeelde aantoont dat de voor het ongeval aansprakelijke rechts- of natuurlijke persoon niet kan of niet wil betalen.

13.

De in lid 1 bedoelde organen of de in de tweede alinea van dit lid bedoelde instanties streven ernaar om uiterlijk op 23 december 2023 een overeenkomst te sluiten met het oog op de uitvoering van dit artikel, betreffende hun taken en verplichtingen en de procedures voor terugbetaling op grond van dit artikel.

Daartoe zullen de lidstaten uiterlijk op 23 juni 2023:

a) 

het in lid 1 bedoelde orgaan instellen of erkennen en het machtigen een dergelijke overeenkomst uit te onderhandelen en te sluiten, of

b) 

een instantie aanwijzen en deze machtigen om een dergelijke overeenkomst uit te onderhandelen en te sluiten, waarbij het in lid 1 bedoelde orgaan partij wordt wanneer het is ingesteld of erkend.

De in de eerste alinea bedoelde overeenkomst wordt onmiddellijk ter kennis van de Commissie gebracht.

Indien de in de eerste alinea bedoelde overeenkomst niet is gesloten tegen 23 december 2023, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig de in artikel 28 ter bedoelde procedure gedelegeerde handelingen vast te stellen om de procedurele taken en verplichtingen van de in lid 1 bedoelde organen met betrekking tot de terugbetaling te bepalen.

Artikel 26

Centraal orgaan

De lidstaten nemen alle passende maatregelen om te bevorderen dat de benadeelden, hun verzekeraars of hun wettelijke vertegenwoordigers tijdig kunnen beschikken over de basisgegevens die nodig zijn voor de afwikkeling van rechtsvorderingen.

Deze basisgegevens worden, waar van toepassing, in elektronische vorm opgeslagen in een centrale databank in elke lidstaat en zijn op hun uitdrukkelijk verzoek toegankelijk voor de bij de zaak betrokken partijen.

Artikel 26 bis

Informatie aan benadeelden

De lidstaten die uit hoofde van artikel 10, lid 1, artikel 10 bis, lid 1, artikel 24, lid 1, en artikel 25 bis, lid 1, verschillende schadevergoedingsorganen instellen of machtigen, zorgen ervoor dat de benadeelden toegang hebben tot essentiële informatie over de mogelijkheden om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen.

Artikel 27

Sancties

De lidstaten stellen sancties vast voor overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en treffen alle maatregelen die nodig zijn om de toepassing daarvan te verzekeren. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen de Commissie alle wijzigingen van de op grond van dit artikel vastgestelde bepalingen zo spoedig mogelijk mee.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 28

Nationale bepalingen

1.

De lidstaten mogen in overeenstemming met het Verdrag bepalingen handhaven of invoeren die voor de benadeelde gunstiger zijn dan de bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen.

De lidstaten kunnen een motorrijtuigenverzekering die aan de eisen van deze richtlijn voldoet, verplicht stellen voor alle motorrijtuigen die op land worden gebruikt en die niet onder de definitie van „voertuig” van artikel 1, punt 1, vallen en waarop artikel 3 niet van toepassing is.

2.

De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 28 bis

Comitéprocedure

1.

De Commissie wordt bijgestaan door het Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, ingesteld bij Besluit 2004/9/EG van de Commissie (). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ().

2.

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 28 ter

Uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden

1.

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.

De in artikel 9, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 22 december 2021.

De in artikel 10 bis, lid 13, vierde alinea, en artikel 25 bis, lid 13, vierde alinea, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 22 december 2021. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.

Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 9, lid 2, artikel 10 bis, lid 13, vierde alinea, en artikel 25 bis, lid 13, vierde alinea, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.

Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ().

5.

Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.

Een overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10 bis, lid 13, vierde alinea, en artikel 25 bis, lid 13, vierde alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 28 quater

Evaluatie en herziening

1.

Uiterlijk vijf jaar na de respectieve data van toepassing van de artikelen 10 bis en 25 bis, als bedoeld in artikel 30, tweede, derde en vierde alinea, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de werking van, de samenwerking tussen en de financiering van de in de artikelen 10 bis en 25 bis bedoelde organen. In voorkomend geval gaat het verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel. Met betrekking tot de financiering van die organen omvat het verslag in ieder geval:

a) 

een beoordeling van de financieringscapaciteiten en de financieringsbehoeften van de schadevergoedingsorganen gerelateerd aan hun potentiële verplichtingen, rekening houdend met het risico van insolventie van motorrijtuigenverzekeraars op de markten van de lidstaten;

b) 

een beoordeling van de harmonisatie van de financieringsaanpak van de schadevergoedingsorganen;

c) 

indien het verslag vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel, een beoordeling van het effect van de bijdragen op de premies voor motorrijtuigenverzekeringen.

2.

Uiterlijk op 24 december 2030 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité, waarin zij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn evalueert, met uitzondering van de elementen die onder de in lid 1 bedoelde evaluatie vallen, onder meer met betrekking tot:

a) 

de toepassing van deze richtlijn in het licht van de technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van autonome en semiautonome voertuigen;

b) 

de geschiktheid van het toepassingsgebied van deze richtlijn, met inachtneming van het risico op ongevallen dat verschillende motorrijtuigen met zich meebrengen;

c) 

in de vorm van een evaluatie, de doeltreffendheid van de informatie-uitwisselingssystemen met het oog op de controle op verzekeringen in grensoverschrijdende situaties, met inbegrip van, indien nodig, een beoordeling voor dergelijke gevallen van de haalbaarheid van het gebruik van bestaande informatie-uitwisselingssystemen, en in ieder geval een analyse van de doelstellingen van de informatie-uitwisselingssystemen en een beoordeling van de kosten ervan, en

d) 

het gebruik door verzekeringsondernemingen van systemen waarbij de premies worden beïnvloed door de verklaringen betreffende het schadeverleden van de verzekeringnemers, onder meer bonus-malussystemen of „no-claimkortingen”.

Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 29

Intrekking

De Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 90/232/EEG, 2000/26/EG en 2005/14/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage I, deel A, genoemde richtlijnen, worden ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 30

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 10 bis, leden 1 tot en met 12, is van toepassing vanaf de datum van de in artikel 10 bis, lid 13, eerste alinea, bedoelde overeenkomst, of vanaf de datum van toepassing van de in artikel 10 bis, lid 13, vierde alinea, bedoelde gedelegeerde handeling van de Commissie.

Artikel 25 bis, leden 1 tot en met 12, is van toepassing vanaf de datum van de in artikel 25 bis, lid 13, eerste alinea, bedoelde overeenkomst, of vanaf de datum van toepassing van de in artikel 25 bis, lid 13, vierde alinea, bedoelde gedelegeerde handeling van de Commissie.

Artikel 10 bis, leden 1 tot en met 12, en artikel 25 bis, leden 1 tot en met 12, zijn echter niet van toepassing vóór 23 december 2023.

Artikel 16, tweede alinea, tweede zin, en derde, vierde en vijfde alinea, is van toepassing vanaf 23 april 2024 of vanaf de datum van toepassing van de in artikel 16, zesde alinea, bedoelde uitvoeringshandeling van de Commissie, indien dit later is.

Artikel 31

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.