Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 28
Nationale bepalingen
De lidstaten mogen in overeenstemming met het Verdrag bepalingen handhaven of invoeren die voor de benadeelde gunstiger zijn dan de bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen.
De lidstaten kunnen een motorrijtuigenverzekering die aan de eisen van deze richtlijn voldoet, verplicht stellen voor alle motorrijtuigen die op land worden gebruikt en die niet onder de definitie van „voertuig” van artikel 1, punt 1, vallen en waarop artikel 3 niet van toepassing is.
De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 28 bis
Comitéprocedure
De Commissie wordt bijgestaan door het Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, ingesteld bij Besluit 2004/9/EG van de Commissie (). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ().
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 28 ter
Uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
De in artikel 9, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 22 december 2021.
De in artikel 10 bis, lid 13, vierde alinea, en artikel 25 bis, lid 13, vierde alinea, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 22 december 2021. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 9, lid 2, artikel 10 bis, lid 13, vierde alinea, en artikel 25 bis, lid 13, vierde alinea, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ().
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
Een overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10 bis, lid 13, vierde alinea, en artikel 25 bis, lid 13, vierde alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.
Artikel 28 quater
Evaluatie en herziening
Uiterlijk vijf jaar na de respectieve data van toepassing van de artikelen 10 bis en 25 bis, als bedoeld in artikel 30, tweede, derde en vierde alinea, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de werking van, de samenwerking tussen en de financiering van de in de artikelen 10 bis en 25 bis bedoelde organen. In voorkomend geval gaat het verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel. Met betrekking tot de financiering van die organen omvat het verslag in ieder geval:
een beoordeling van de financieringscapaciteiten en de financieringsbehoeften van de schadevergoedingsorganen gerelateerd aan hun potentiële verplichtingen, rekening houdend met het risico van insolventie van motorrijtuigenverzekeraars op de markten van de lidstaten;
een beoordeling van de harmonisatie van de financieringsaanpak van de schadevergoedingsorganen;
indien het verslag vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel, een beoordeling van het effect van de bijdragen op de premies voor motorrijtuigenverzekeringen.
Uiterlijk op 24 december 2030 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité, waarin zij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn evalueert, met uitzondering van de elementen die onder de in lid 1 bedoelde evaluatie vallen, onder meer met betrekking tot:
de toepassing van deze richtlijn in het licht van de technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van autonome en semiautonome voertuigen;
de geschiktheid van het toepassingsgebied van deze richtlijn, met inachtneming van het risico op ongevallen dat verschillende motorrijtuigen met zich meebrengen;
in de vorm van een evaluatie, de doeltreffendheid van de informatie-uitwisselingssystemen met het oog op de controle op verzekeringen in grensoverschrijdende situaties, met inbegrip van, indien nodig, een beoordeling voor dergelijke gevallen van de haalbaarheid van het gebruik van bestaande informatie-uitwisselingssystemen, en in ieder geval een analyse van de doelstellingen van de informatie-uitwisselingssystemen en een beoordeling van de kosten ervan, en
het gebruik door verzekeringsondernemingen van systemen waarbij de premies worden beïnvloed door de verklaringen betreffende het schadeverleden van de verzekeringnemers, onder meer bonus-malussystemen of „no-claimkortingen”.
Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
Artikel 29
Intrekking
De Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 90/232/EEG, 2000/26/EG en 2005/14/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage I, deel A, genoemde richtlijnen, worden ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.
Artikel 30
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 10 bis, leden 1 tot en met 12, is van toepassing vanaf de datum van de in artikel 10 bis, lid 13, eerste alinea, bedoelde overeenkomst, of vanaf de datum van toepassing van de in artikel 10 bis, lid 13, vierde alinea, bedoelde gedelegeerde handeling van de Commissie.
Artikel 25 bis, leden 1 tot en met 12, is van toepassing vanaf de datum van de in artikel 25 bis, lid 13, eerste alinea, bedoelde overeenkomst, of vanaf de datum van toepassing van de in artikel 25 bis, lid 13, vierde alinea, bedoelde gedelegeerde handeling van de Commissie.
Artikel 10 bis, leden 1 tot en met 12, en artikel 25 bis, leden 1 tot en met 12, zijn echter niet van toepassing vóór 23 december 2023.
Artikel 16, tweede alinea, tweede zin, en derde, vierde en vijfde alinea, is van toepassing vanaf 23 april 2024 of vanaf de datum van toepassing van de in artikel 16, zesde alinea, bedoelde uitvoeringshandeling van de Commissie, indien dit later is.
Artikel 31
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.