Artikelen 76-78
Artikel 78ee*
Lid 1
Door het college op grond van artikel 10d genomen besluiten, zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven tot een jaar na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
Lid 2
Het college brengt de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon in overeenstemming met deze wet, voor zover die besluiten afwijken van deze wet.
Lid 3
Op een aanvraag op grond van artikel 10d waarop niet is beslist voor de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon wordt beslist met toepassing van artikel 10d, zoals deze luidt na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon.
Lid 4
Op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon is ingediend tegen een door het college op grond van de artikel 10d van de Participatiewet genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van artikel 10d, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 78a
Vervallen
Artikel 78aa
Lid 1
Op de persoon die op de dag voor inwerkingtreding van artikel IX, onderdeel B, van de Verzamelwet SZW 2016, recht heeft op algemene bijstand:
blijven de artikelen 20 tot en met 22a, 24, 33, vierde lid, en 53a, tweede en derde lid, zoals die luidden op die dag van toepassing; en
is artikel 19a niet van toepassing;
gedurende zes maanden na de datum van inwerkingtreding voor zover toepassing van dit artikel tot een hoger bedrag aan algemene bijstand leidt.
Lid 2
Indien het netto minimumloon wijzigt met ingang van 1 januari 2016, worden bij de toepassing van het eerste lid, de normen, genoemd in de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde artikelen 20 tot en met 22a, toegepast, zoals ze zouden luiden na herziening met het percentage van deze wijziging.
Artikel 78b
Lid 1
Door het college op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid gelden door het college op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen ten aanzien van personen die een uitkering ontvangen op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers genomen besluiten als door hem genomen besluiten op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen onderscheidenlijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
Lid 3
Door het college of Onze Minister op grond van de Invoeringswet Wet werk en bijstand genomen besluiten gelden met ingang van de dag van inwerkingtreding van de wet van 29 december 2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 586) als door het college of Onze Minister genomen besluiten op grond van deze wet.
Artikel 78bb
Vervallen
Artikel 78c
Artikel 20 van de Algemene bijstandswet en artikel 4, vierde lid, laatste zin, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, zoals die luidde op 31 december 2003, blijven van toepassing op bijstand die op 31 december 2003 werd verleend met toepassing van die artikelen.
Artikel 78cc
Artikel 6, onderdeel g, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de Wet van 17 november 2016 tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen blijft van toepassing op de verstrekking van loonkostensubsidies over perioden die gelegen zijn voor 1 januari 2017.
Artikel 78d
Lid 1
Een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 van de Wet inschakeling werkzoekenden, een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet en een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen gelden als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.
Lid 2
Op dienstbetrekkingen als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden blijft titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de artikelen 4, tweede, zesde en zevende lid, en 11, aanhef en onderdeel a, van de Wet inschakeling werkzoekenden van toepassing. Op deze dienstbetrekkingen is artikel 134, tweede lid, van de Ambtenarenwet niet van toepassing.
Artikel 78dd
Lid 1
Artikel 10d, twaalfde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel A, van de Verzamelwet SZW 2022, blijft van toepassing indien de ziekmelding, bedoeld in artikel 38a, derde lid, van de Ziektewet voor dat tijdstip is gedaan.
Lid 2
De artikelen 5, onderdeel d, 35 en 36b, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel Cb, van de Verzamelwet SZW 2022 blijven van toepassing op de persoon aan wie een individuele studietoeslag is verleend, indien het verleende bedrag tot een hoger bedrag aan individuele studietoeslag leidt dan een studietoeslag op grond van artikel 36b.
Artikel 78e
Lid 1
Op een bezwaar- of beroepschrift dat:
vóór of op 31 december 2003 is ingediend tegen een door het college op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist;
na 31 december 2003 is ingediend tegen een op grond van de in het eerste lid bedoelde wetten of het Besluit in- en doorstroombanen met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, na 31 december 2003 genomen besluit en waarop nog niet onherroepelijk is beslist op het tijdstip dat de bepaling vervalt op grond waarvan het besluit is genomen;
na 31 december 2003 is ingediend en betrekking heeft op bijstandsverlening waarop op grond van artikel 12, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand de Algemene bijstandswet van toepassing is;
wordt beslist met toepassing van onderscheidenlijk de Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op verzoeken als bedoeld in artikel 140 van de Algemene bijstandswet en verzoeken om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
Lid 3
Op een bezwaar- of beroepschrift dat voor of op de dag van inwerkingtreding van de wet van 29 december 2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 586) is ingediend tegen een door het college of Onze Minister op grond van de Invoeringswet Wet werk en bijstand genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist wordt beslist met toepassing van deze wet.
Artikel 78ee
Lid 1
In dit artikel wordt verstaan onder:
aanvullende beurs: aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet studiefinanciering 2000;
basisbeurs uitwonend: basisbeurs voor een uitwonende student als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000;
leenfase: fase als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, artikel 4.18, tweede lid, of artikel 5.2, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000, waarin een student studiefinanciering kan ontvangen in de vorm van een lening;
lening: studiefinanciering in de vorm van een lening als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, artikel 4.18, tweede lid, of artikel 5.2, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000;
student: student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000;
uitwonende student: uitwonende student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000.
Lid 2
Onze Minister kan ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die uiterlijk op 31 juli 2024 een basisbeurs uitwonend en een aanvullende beurs voor de maand oktober 2023 heeft aangevraagd en aan wie deze zijn toegekend.
Lid 3
Onze Minister kan ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die:
zich op 1 oktober 2023 in de leenfase bevindt;
in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving; en
uiterlijk op 31 juli 2024 voor de maand oktober 2023 een lening heeft aangevraagd en aan wie deze is toegekend.
Lid 4
Een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming kan niet ten nadele van een student worden herzien.
Lid 5
De tegemoetkoming is geen bijstand in de zin van deze wet of studiefinanciering in de zin van artikel 3.1 van de Wet studiefinanciering 2000.
Lid 6
Op de tegemoetkoming is artikel 46, tweede lid, van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 76 tot en met 78 niet van toepassing.
Lid 7
Voor de uitvoering van dit artikel kan Onze Minister van de persoonsgegevens van de student die Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar heeft ter uitvoering van de Wet studiefinanciering 2000, de volgende persoonsgegevens verwerken, met uitzondering van bijzondere categorieën van persoonsgegevens:
contactgegevens;
identificerende gegevens waaronder het burgerservicenummer of het onderwijsnummer, bedoeld in artikel 1.7 van de Wet studiefinanciering 2000;
bankrekeningnummer;
het gegeven of aan een student een aanvullende beurs is toegekend;
het gegeven of aan een student een basisbeurs uitwonend is toegekend;
het gegeven of een student een lening heeft aangevraagd voor de maand oktober 2023, en of die student in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving.
Lid 8
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de goede uitvoering van dit artikel.
Lid 9
Hoofdstuk 7b vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat het van toepassing blijft op geschillen die op dat tijdstip in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn met betrekking tot besluiten van Onze Minister die op grond van dit artikel zijn genomen.
Artikel 78f
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10 tot en met 10h, 11, 17, 31, 32, 34, 34a, 34b, 35, 40, 41, 43a, 44, 44a, 45, 58, 69, 77, 83 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.
Artikel 78ff
Lid 1
Artikel 12, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van de Participatiewet in balans, blijft van toepassing op de aanvraag van bijstand die uiterlijk op die dag is ingediend en op de resterende periode van reeds toegekende bijzondere bijstand, waarbij geldt dat bijzondere bijstand wordt aangevuld tot de toepasselijke norm zoals bedoeld in artikel 20, derde lid, zoals dat luidt na de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van de Participatiewet in balans, indien die laatste norm hoger is dan de reeds toegekende bijzondere bijstand.
Lid 2
Dit lid is nog niet in werking getreden.
Lid 3
Dit lid is nog niet in werking getreden.
Lid 4
Dit lid is nog niet in werking getreden.
Artikel 78g
Lid 1
De artikelen 18, tweede en derde lid, en 53a, treden, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lid 2
De artikelen 14 tot en met 14f, 66 en142a van de Algemene bijstandswet, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f, vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lid 3
Waar in artikel 14, eerste lid, van de Algemene bijstandswet wordt verwezen naar de artikelen 8, zesde lid, onderdeel b, en 112 van die wet, wordt in plaats van die artikelen gelezen: artikel 2, derde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 38 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Artikel 78gg
Lid 1
Het college kent ambtshalve of op aanvraag een tegemoetkoming toe aan een huishouden, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
het huishouden heeft een inkomen uit een uitkering, niet zijnde een uitkering op grond van deze wet, eventueel aangevuld met een uitkering op grond van artikel 19;
vergeleken met een vergelijkbaar huishouden, waarvoor het inkomen uit enkel een uitkering bestaat op grond van artikel 19, ontvangt het huishouden een lager bedrag aan tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, als gevolg van de verschillende afbouwpaden van de dubbele algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, en in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
de som van het netto-inkomen en de ontvangen tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ligt lager dan bij een vergelijkbaar huishouden waarvoor het inkomen uit een uitkering enkel bestaat uit een uitkering op grond van artikel 19, vanwege hetgeen genoemd is onder b.
Lid 2
De tegemoetkoming is geen bijstand in de zin van deze wet.
Lid 3
Op de tegemoetkoming is artikel 46, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Lid 4
De Dienst Toeslagen verstrekt aan de Belastingdienst de informatie die nodig is voor de uitvoering van het vijfde lid.
Lid 5
De Belastingdienst verstrekt aan het college door tussenkomst van het Inlichtingenbureau de burgerservicenummers en de gemeentecodes van de inwoners van de betreffende gemeente die in aanmerking komen voor de tegemoetkoming.
Lid 6
Een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming wordt niet ten nadele van het huishouden herzien.
Lid 7
De hoogte van de tegemoetkoming wordt jaarlijks vastgesteld bij ministeriële regeling.
Lid 8
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de goede uitvoering van dit artikel.
Artikel 78h
Lid 1
De Sociale verzekeringsbank kan de verlening van bijstand aan een Nederlander die zich in het buitenland bevindt voortzetten ten aanzien van:
degene die in december 1995 bijstand ontving op grond van artikel 82 of artikel 95 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand niet is geëindigd;
degene die op enig moment in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 1995 bijstand ontving op grond van artikel 82 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand in die periode is geëindigd, indien belanghebbende binnen 26 weken na die datum opnieuw bijstand aanvraagt.
Lid 2
De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.
Lid 3
De artikelen van deze wet zijn niet van toepassing, voor zover de omstandigheden het toelaten, met uitzondering van hoofdstuk 2 en de paragrafen 6.1 tot en met 6.5, met dien verstande dat de Sociale verzekeringsbank in de plaats treedt van het college.
Lid 4
Zodra ten minste 26 weken zijn verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het desbetreffende geval niet langer van toepassing.
Lid 5
In de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan de uitvoering van dit artikel wordt voorzien door een rijksbijdrage aan de Sociale verzekeringsbank.
Lid 6
Op de uitgaven, bedoeld in het vijfde lid, komen in mindering de bedragen die door de Sociale verzekeringsbank op grond van deze wet zijn ontvangen door terugvordering.
Lid 7
Een nog niet afgehandeld en tot Onze Minister gericht verzoek om op grond van artikel 6 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand een besluit te nemen, wordt vanaf 1 januari 2009 beschouwd als te zijn gericht tot de Sociale verzekeringsbank.
Lid 8
Bezwaren en beroepen die zijn of worden ingesteld tegen een besluit genomen op grond van artikel 6 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand gelden vanaf 1 januari 2009 als bezwaren en beroepen gericht tot de Sociale verzekeringsbank.
Artikel 78i
Lid 1
Een besluit van het college tot verlening van algemene bijstand aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, dat is genomen vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4, geldt met ingang van die datum als genomen door de Sociale verzekeringsbank op grond van paragraaf 5.4.
Lid 2
De toepassing van paragraaf 6.5 in relatie tot besluiten als bedoeld in het eerste lid gaat na de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 over op de Sociale verzekeringsbank.
Lid 3
Een tot het college gericht verzoek door een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, om een besluit te nemen, waarop op de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 nog niet is beslist, geldt met ingang van die datum als te zijn gericht tot de Sociale verzekeringsbank.
Artikel 78j
Lid 1
Het college dat vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, een vordering heeft in verband met terugvordering of verhaal van kosten van bijstand anders dan in verband met het recht op algemene bijstand, waarop artikel 78i van toepassing is, blijft, indien die vordering nog niet geheel is voldaan, bevoegd die vordering te innen.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 verstrekte geldlening of borgtocht op grond van artikel 48, 50 en 78c aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid.
Artikel 78k
Lid 1
Rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een door het college vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 verstrekte geldlening of borgtocht op grond van artikel 48, 50 en 78c aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, die na die datum wordt voortgezet, gaan over op de Sociale verzekeringsbank.
Lid 2
Vermogensbestanddelen die voortvloeien uit een geldlening als bedoeld in het eerste lid gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 over op de Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor een akte of betekening nodig is.
Lid 3
Met betrekking tot de ingevolge het tweede lid overgaande vermogensbestanddelen die in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden door de bewaarders van die registers. De daartoe benodigde opgaven worden door de zorg van Onze Minister aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
Lid 4
Terzake van de in het tweede lid bedoelde overgang van vermogensbestanddelen blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
Artikel 78l
Lid 1
Het college dat vóór de inwerkingtreding van paragraaf 5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, een besluit in verband met de verlening van algemene bijstand heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
Lid 2
In een geding in beroep en hoger beroep, gericht tegen een besluit ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, genomen vóór de inwerkingtreding van paragraaf 5.4 of gericht tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid, blijft het college partij en voor het college staat hoger beroep in verband met deze besluiten open.
Lid 3
Onverminderd het eerste en tweede lid kan de Sociale verzekeringsbank in een bestuursrechtelijk geding tussen het college en een persoon, bedoeld in artikel 47a, eerste lid, in de plaats van het college treden, zonder dat daarvoor een betekening nodig is en met overneming van procureurstelling onderscheidenlijk aanwijzing van een gemachtigde, indien de Sociale verzekeringsbank vóór de inwerkingtreding van paragraaf 5.4 mandaat is verleend door het college ten aanzien van besluiten over de verlening van algemene bijstand aan personen als bedoeld in artikel 47a, eerste lid.
Artikel 78m
De artikelen 3, zevende en achtste lid, en 4, tweede lid, zijn niet van toepassing, indien voor 1 januari 2010 op grond van artikel 11 recht bestaat op bijstand voor gehuwden, omdat de ongehuwde bijstandsgerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op bijstand bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere bijstandsuitkering.
Artikel 78o
Indien het college vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, een vordering heeft waarop artikel 78j van toepassing is en die persoon een uitkering op grond van die paragraaf ontvangt, betaalt de Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college ter verrekening van die vordering aan dat college.
Artikel 78p
Vervallen
Artikel 78q
Vervallen
Artikel 78r
Vervallen