Artikel 19 Invorderingswet 1990

Lid 1

Een derde op wie de belastingschuldige een vordering heeft of uit een reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, is op vordering van de ontvanger gehouden de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen voor zover een en ander vatbaar is voor beslag. Voor zover één en ander niet vatbaar is voor beslag is de derde op vordering van de ontvanger verplicht ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige.

Lid 2

Het eerste lid, tweede volzin, vindt alleen toepassing indien de belastingschuldige op het tijdstip waarop de vordering wordt gedaan, meer dan één belastingaanslag waarvan de enige of laatste betalingstermijn met ten minste twee maanden is overschreden, niet heeft betaald en hij met betrekking tot deze belastingaanslagen:

  1. geen verzoek om uitstel van betaling heeft gedaan, niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling of de gestelde voorwaarden voor uitstel van betaling niet is nagekomen, en

  2. geen verzoek om kwijtschelding van belasting heeft gedaan of niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van belasting.

Lid 3

Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en een houder van penningen is op vordering van de ontvanger verplicht uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen.

Lid 4

Een betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht is op vordering van de ontvanger verplicht, in zoverre onder blokkering van onttrekkingen aan de rekening, uit het tegoed van een rekening die een belastingschuldige bij hem heeft alsmede, indien de betaaldienstverlener en de belastingschuldige in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, uit het ingevolge die overeenkomst verstrekte krediet, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. De betaaldienstverlener is verplicht aan de vordering te voldoen, zonder zich daarbij op verrekening te kunnen beroepen. De verplichting tot betaling vervalt een week na de dag van bekendmaking van de vordering aan de betaaldienstverlener.

Lid 5

De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de ontvanger te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan. De ontvanger maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de belastingschuldige achterwege.

Lid 6

De belastingschuldige kan op de voet van artikel 17 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Lid 7

Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem beslag is of wordt gelegd of verzet is of wordt gedaan ter zake van schulden waaraan een gelijke of hogere voorrang is toegekend. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.

Lid 8

De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de belastingschuldige.

Lid 9

Indien de vordering wordt gedaan op grond van het eerste lid en het dwangbevel op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een schriftelijke aankondiging van de ontvanger aan de belastingschuldige, inhoudende dat hij voornemens is een vordering te doen. De vordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan vier weken na de dagtekening van de vooraankondiging. De in de eerste volzin bedoelde aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of jegens degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. Indien de vordering op de voet van het eerste lid een vordering betreft van een periodieke betaling als bedoeld in artikel 475c, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is artikel 475i, tweede tot en met vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, tenzij de vordering wordt gedaan jegens degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.

Lid 10

Het eerste tot en met negende lid zijn niet van toepassing op belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen werkt.

Lid 11

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop het eerste en het vierde lid toepassing kunnen vinden.

Recente uitspraken

Art. 19 Invord1990 is sinds 2001 in 17 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Den Haag, Hof 's-Hertogenbosch en CRvB.

  • ECLI:NL:HR:2022:279 — 22-02-2022 Hoge Raad
    Beklag, beslag ex art. 94a Sv op twee auto’s onder ander, die nadien is overleden. Beëindiging beslag als voorwerp aan Staat is vervallen. Auto’s zijn door OM verkocht, waarna waarde van auto’s na vrijgeven van beslag o.g.v. vordering ex art. 19 Invorderingswet 1990 aan…
  • ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471 — 27-02-2013 CRvB
    Door executoriaal derdenbeslag op de AOW-uitkering van appellant en inning van de bestuursrechtelijke premie komt appellant met zijn inkomen onder de beslagvrije voet. De Raad is van oordeel, zoals ook door Cvz al aangegeven in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift van…
  • ECLI:NL:GHSHE:2026:1131 — 29-04-2026 Hof 's-Hertogenbosch
    Ontvankelijkheid hoger beroep. Het hogerberoepschrift is niet binnen de termijn ontvangen door het hof. Belanghebbende stelt dat het hogerberoepschrift eerder (en tijdig) bij de post is aangeboden, maar (om onbekende redenen) niet is aangekomen bij het hof. Naar het oordeel van…
  • ECLI:NL:GHSHE:2022:3787 — 26-10-2022 Hof 's-Hertogenbosch
    Procedure over aanslag IB/PVV 2015 waarin uitsluitend formele grieven worden aangevoerd. Het hof is van oordeel dat er een mandaatgebrek kleeft aan de uitspraak op bezwaar, maar passeert dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep…
  • ECLI:NL:GHARL:2018:3353 — 10-04-2018 Hof Arnhem-Leeuwarden
    KB Lux, lijfsdwang ter voldoening aan betalingsverplichting belastingschuld. Op de Ontvanger rust de bewijslast van de stelling dat er middelen tot betaling aanwezig zijn. Bewijsvermoeden, tegenbewijs.

Bekijk alle 17 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.