Art. 2:393 Burgerlijk Wetboek Boek 2
Lid 1
De rechtspersoon verleent opdracht tot onderzoek van de jaarrekening aan een registeraccountant, aan een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep of aan een wettelijke auditor als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties. De opdracht kan worden verleend aan een organisatie waarin accountants die mogen worden aangewezen, samenwerken. Indien een rechtspersoon tevens een organisatie van openbaar belang is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, wordt door deze rechtspersoon aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten medegedeeld welke accountant of accountantsorganisatie wordt beoogd voor het uitvoeren van een opdracht tot onderzoek van de jaarrekening van de rechtspersoon. Deze mededeling geschiedt voordat tot de verlening van die opdracht, bedoeld in het tweede lid, is overgegaan. Onze Minister van Financiën stelt bij ministeriele regeling nadere regels over deze mededeling.
Lid 2
Tot het verlenen van de opdracht is de algemene vergadering bevoegd. Gaat deze daartoe niet over, of ontbreekt deze, dan is de raad van commissarissen bevoegd. Ontbreekt een raad van commissarissen, dan is het bestuur bevoegd. De aanwijzing van een accountant wordt door generlei voordracht beperkt. De opdracht kan worden ingetrokken door de algemene vergadering en door degene die haar heeft verleend. De opdracht kan enkel worden ingetrokken om gegronde redenen; daartoe behoort niet een meningsverschil over methoden van verslaggeving of controlewerkzaamheden. De algemene vergadering hoort de accountant op diens verlangen omtrent de intrekking van een hem verleende opdracht of omtrent het hem kenbaar gemaakte voornemen daartoe. Het bestuur en de accountant stellen de Stichting Autoriteit Financiële Markten onverwijld in kennis van de intrekking van de opdracht door de rechtspersoon of tussentijdse beëindiging ervan door de accountant en geven hiervoor een afdoende motivering.
Lid 3
De accountant onderzoekt of de jaarrekening het in artikel 362 lid 1 vereiste inzicht geeft. Hij gaat voorts na, of de jaarrekening aan de bij en krachtens de wet gestelde voorschriften voldoet, of het bestuursverslag overeenkomstig deze titel is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is, en of het bestuursverslag in het licht van de tijdens het onderzoek van de jaarrekening verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en zijn omgeving, materiële onjuistheden bevat, en of de in artikel 392 lid 1, onderdelen b tot en met f, vereiste gegevens zijn toegevoegd.
Lid 4
De accountant brengt omtrent zijn onderzoek verslag uit aan de raad van commissarissen en aan het bestuur. Hij maakt daarbij ten minste melding van zijn bevindingen met betrekking tot de betrouwbaarheid en continuïteit van de geautomatiseerde gegevensverwerking.
Lid 5
De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening. De accountant kan een afzonderlijke verklaring afgeven voor de enkelvoudige jaarrekening en voor de geconsolideerde jaarrekening. De accountantsverklaring omvat ten minste:
een vermelding op welke jaarrekening het onderzoek betrekking heeft en welke wettelijke voorschriften op de jaarrekening toepasselijk zijn;
een beschrijving van de reikwijdte van het onderzoek, waarin ten minste wordt vermeld welke richtlijnen voor de accountantscontrole in acht zijn genomen;
een oordeel of de jaarrekening het vereiste inzicht geeft en aan de bij en krachtens de wet gestelde regels voldoet;
een verwijzing naar bepaalde zaken waarop de accountant in het bijzonder de aandacht vestigt, zonder een verklaring als bedoeld in lid 6, onderdeel b, af te geven;
een vermelding van de gebleken tekortkomingen naar aanleiding van het onderzoek overeenkomstig lid 3 of het bestuursverslag overeenkomstig deze titel is opgesteld en of de in artikel 392 lid 1, onder b tot en met f, vereiste gegevens zijn toegevoegd;
een oordeel over de verenigbaarheid van het bestuursverslag met de jaarrekening;
een oordeel of er, in het licht van de tijdens het onderzoek van de jaarrekening verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en zijn omgeving, materiële onjuistheden in het bestuursverslag zijn gebleken onder opgave van de aard van die onjuistheden;
een verklaring betreffende materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandigheden die gerede twijfel kunnen doen rijzen of de rechtspersoon zijn werkzaamheden voort kan zetten;
een vermelding van de vestigingsplaats van de accountantsorganisatie.
Lid 6
De accountantsverklaring, bedoeld in lid 5, heeft de vorm van:
een goedkeurende verklaring;
een verklaring met beperking;
een afkeurende verklaring; of
een verklaring van oordeelonthouding.
De accountant ondertekent en dagtekent de accountantsverklaring.
Lid 7
De jaarrekening kan niet worden vastgesteld, indien het daartoe bevoegde orgaan geen kennis heeft kunnen nemen van de verklaring van de accountant, die aan de jaarrekening moest zijn toegevoegd, tenzij onder de overige gegevens een wettige grond wordt medegedeeld waarom de verklaring ontbreekt.
Lid 8
Iedere belanghebbende kan van de rechtspersoon nakoming van de in lid 1 omschreven verplichting vorderen.
Wordt genoemd in:
- Art. 4:37 Awb
- Art. 4:64 Awb
- Art. 4:78 Awb
- Art. 31 Gdw
- Art. 79 Gdw
- Art. 213 Gemw
- Art. 41 HRW
- Art. 1 Pensioenwet
- Art. 35 Politiewet
- Art. 217 Provw
- Art. 104 RO
- Art. 27m WAM
- Art. 23b WAM
- Art. 1 WED
- Art. 1:1 Wft
- Art. 4:51 Wft
- Art. 4:62r Wft
- Art. 4:85 Wft
- Art. 5:25a Wft
- Art. 5:25c Wft
- Art. 2.16 Whw
- Art. 2.20 Whw
- Art. 9.8 Whw
- Art. 10.3d Whw
- Art. 11.6 Whw
Recente uitspraken
Art. 2:393 BW is sinds 2001 in 64 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Rb. Amsterdam en Rb. Rotterdam.
- ECLI:NL:HR:2010:BL5416 — 16-04-2010 Hoge Raad
Jaarrekeningenrecht. Faillissement schuldenaar vóór datum vaststellen jaarrekening; toch geen afwaardering (tot nihil) vordering op begin- en eindbalans. Geen schending art. 2:362 lid 6 BW doordat ondernemingskamer betekenis heeft toegekend aan t.t.v. faillissement schuldenaar… - ECLI:NL:HR:2006:AU7473 — 10-02-2006 Hoge Raad
Jaarrekeningrecht; verboden aanvulling van rechtsgronden; maatstaf art. 2:362 BW en betekenis Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, motivering van het oordeel over de wijze van berekening van duurzame waardevermindering in art. 2:387 lid 4 BW. - ECLI:NL:CBB:2026:226 — 26-05-2026 CBb
Accountantstuchtrecht. Klacht van de AFM over de wettelijke controles van twee jaarrekeningen. Geen voldoende en geschikte controle-informatie verkregen over voorkomen, volledigheid, nauwkeurigheid en afgrenzing van de omzet. Controle niet met professioneel-kritische blik… - ECLI:NL:CBB:2023:241 — 16-05-2023 CBb
Het hoger beroep is gegrond en de klacht wordt ongegrond verklaard. Anders dan de accountantskamer is het College van oordeel dat in de toelichting op de jaarrekening de financiële gevolgen van de activa- passivatransactie afdoende zijn vermeld. Er is niet in strijd met… - ECLI:NL:CBB:2001:AD2889 — 30-08-2001 CBb
-
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.