Art. 2:349a Burgerlijk Wetboek Boek 2
Lid 1
De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. In afwijking van artikel 282 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de behandeling. De verzoekers en de rechtspersoon verschijnen hetzij bij advocaat, hetzij bijgestaan door hun advocaten. Alvorens te beslissen kan de ondernemingskamer ook ambtshalve getuigen en deskundigen horen.
Lid 2
Indien gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek, kan de ondernemingskamer in elke stand van het geding op verzoek van de indieners van het in artikel 345 bedoelde verzoek een zodanige voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding. Artikel 357 lid 6 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Ingeval nog geen onderzoek is gelast, wordt een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de ondernemingskamer gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. De ondernemingskamer beslist daarna binnen een redelijke termijn op het verzoek als bedoeld in artikel 345.
Recente uitspraken
Art. 2:349a BW is sinds 2001 in 137 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Hoge Raad en Rb. Amsterdam.
- ECLI:NL:HR:2025:854 — 06-06-2025 Hoge Raad
Art. 81 lid 1 RO. Ondernemingsrecht. Afwijzing door Ondernemingskamer van verzoek om nadere onmiddellijke voorzieningen te treffen en van tegenverzoek om eerder getroffen onmiddellijke voorzieningen op te heffen. Miskenning van reikwijdte van art. 2:8 BW in verband met art.… - ECLI:NL:HR:2023:1719 — 08-12-2023 Hoge Raad
Art. 81 lid 1 RO. Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Afwijzing verzoek tot treffen van onmiddellijke voorzieningen (art. 2:349a lid 2 BW). Noodzaakt verdenking van strafbare feiten tot schorsing bestuurders? Betekenis faillissement vennootschap. - ECLI:NL:HR:2020:2000 — 11-12-2020 Hoge Raad
Art. 81 lid 1 RO. Ondernemingsrecht. Art. 2:349a lid 2 BW. Procesrecht. Art. 173 Rv. Verzoek bij de ondernemingskamer tot een onmiddellijke voorziening, inhoudende een bevel tot het afgeven van een ‘witness statement’ door bestuurder/aandeelhouder in een in het buitenland… - ECLI:NL:HR:2020:1593 — 09-10-2020 Hoge Raad
Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Is tijdig ingesteld cassatieberoep tegen door de ondernemingskamer getroffen voorzieningen niet-ontvankelijk op de grond dat de enquêteprocedure nadien onherroepelijk is geëindigd? - ECLI:NL:HR:2017:361 — 03-03-2017 Hoge Raad
Art. 81 lid 1 RO. Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Vervolg op HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2578. Bezwaren tegen onmiddellijke voorziening; art. 2:349a BW; benoeming van bestuurder van de vennootschap. Samenhang met 16/03894.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.