Hoofdstuk 6. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk
Wordt genoemd in:
Artikel 6.1
Lid 1
Dit hoofdstuk gaat over:
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk;
lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
ontgrondingsactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
mijnbouwlocatieactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
wateronttrekkingsactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk; en
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk.
Lid 2
Dit hoofdstuk gaat niet over:
ontgrondingsactiviteiten in het winterbed van een rivier;
activiteiten waarop hoofdstuk 7 van toepassing is;
activiteiten waarop afdeling 16.2 van toepassing is; en
activiteiten waarop hoofdstuk 17 van toepassing is.
Artikel 6.2
Lid 1
De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en wateronttrekkingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
Lid 2
De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.
Lid 3
De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:
het waarborgen van de veiligheid; en
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Lid 4
De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en de werking van die mijnbouwinstallatie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die installatie.
Artikel 6.3
Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een ontgrondingsactiviteit en een wateronttrekkingsactiviteit is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 6.4
Voor een mijnbouwlocatieactiviteit en een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 6.5
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 6.6
Lid 1
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.2, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Lid 2
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen;
waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen of zo veel mogelijk wordt beperkt;
resterende onvermijdbare waterstandsverhoging wordt gecompenseerd;
nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen;
de stabiliteit van oeverconstructies niet in gevaar wordt gebracht;
na beëindiging van een activiteit het deel van het waterstaatswerk dat is gebruikt zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
het waterstaatswerk tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor het bevoegd gezag; en
het materiaal en materieel dat is gebruikt op tijd wordt verwijderd als overstroming of wegslag hiervan dreigt.
Lid 3
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:
de veilige en vlotte doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd;
de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd;
geen hinder voor navigatieapparatuur wordt veroorzaakt; en
werken of onderdelen daarvan, materiaal en materieel niet uit de damwand steken.
Lid 4
Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
lozingen op een oppervlaktewaterlichaam doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn; en
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
Lid 5
Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
het belang van de scheepvaartveiligheid is gewaarborgd; en
de belangen van het uitoefenen van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van de daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd.
Lid 6
Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat het belang van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark is gewaarborgd.
Lid 7
Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam of voor het peilbeheer zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
Lid 8
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van die mijnbouwinstallatie worden voorkomen.
Artikel 6.7
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 6.6, 6.12 en 6.13 en afdeling 6.2, met uitzondering van bepalingen:
waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten, lozingsactiviteiten, ontgrondingsactiviteiten, wateronttrekkingsactiviteiten of mijnbouwlocatieactiviteiten wordt bepaald; en
over meldingen.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 6.12 en 6.13 en afdeling 6.2, tenzij anders is bepaald.
Lid 3
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 6.6, vierde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:
een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en
grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.
Lid 4
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
Lid 5
De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:
als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk: artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
als het gaat om een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam: de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
als het gaat om een mijnbouwlocatieactiviteit: artikel 8.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
als het gaat om een wateronttrekkingsactiviteit: de artikelen 8.84 en 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit; en
als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie: artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Lid 6
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels in artikel 8.76, eerste en derde lid, van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.8
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 6.9
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 6.10
Lid 1
Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 6.8 en 6.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Lid 2
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 6.11
Lid 1
Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, worden over lozingsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1 de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit.
Lid 2
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 6.12
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3 of 6.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 6.13
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3 of 6.4:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 6.14
Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 6.12 en 6.13 niet versoepeld.
Artikel 6.15
Lid 1
Met het oog op het belang van wijziging van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot dat waterstaatswerk is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de wijziging van dat waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Lid 2
Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
Artikel 6.16
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:
het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte, afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken, op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
Lid 3
Het eerste en tweede lid gelden niet voor:
een instroomvoorziening als bedoeld in artikel 6.34, tweede lid;
een uitstroomvoorziening als bedoeld in de artikelen 6.39, tweede lid, en 6.53, tweede lid;
een installatie voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad als bedoeld in artikel 6.49;
een mijnbouwinstallatie; en
een pijpleiding als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit.
Lid 4
Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Artikel 6.17
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om:
het boven het maaiveld aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een verharding die geen bouwwerk is;
het plaatsen of in stand houden van een opgaande houtbeplanting, anders dan die is omschreven in de legger, tussen 1 oktober en 1 april;
het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk om oeverafslag tegen te gaan dat boven het oeverland uitsteekt;
het bouwen of in stand houden van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening en de voorzieningen die daarbij horen, voor zover die:
zijn gelegen binnen de vaarweg; of
zijn gelegen buiten de vaarweg en niet alleen door een huishouden worden gebruikt;
het permanent afmeren van een woonschip of een ander drijvend werk in een oppervlaktewaterlichaam voor zover dat bij ministeriële regeling is aangewezen;
het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding voor zover:
daarmee vloeibare gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.24 worden getransporteerd;
die in een kunstwerk of een vaarweg ligt; of
die wordt geplaatst met een boring die lagen met verschillende stijghoogtes doorkruist; en
het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met f, voor zover:
bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m2; of
bij een werk dat geen bouwwerk is of een ander object: de oppervlakte meer is dan 30 m2 of als daarvoor een vaste fundering nodig is.
Lid 2
Het verbod geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een kanaal in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:
het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
Artikel 6.18
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:
het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
Artikel 6.19
Lid 1
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
de maximale oppervlakte van het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object; en
een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Lid 4
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.17 of 6.18;
op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten; en
op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg.
Artikel 6.20
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.16, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
als het gaat om het lozen afkomstig van het reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 6.23; of
als het gaat om het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 6.24.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Lid 4
Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 6.21
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.16 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:
de verwachte datum van het begin van de activiteit;
de verwachte duur ervan; en
als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 6.16, tweede lid: de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.17 of 6.18;
op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten;
op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg; en
op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 6.22
Het afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd, tenzij het gaat om:
afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Artikel 6.23
Lid 1
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:
is er een werkinstructie opgesteld; en
wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
Lid 2
In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
welke technieken worden toegepast;
welke stoffen worden gebruikt; en
welke stoffen kunnen vrijkomen.
Lid 3
Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:
op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd en de omvang van de hulpconstructie;
of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
als natte technieken worden gebruikt: de wijze van opvang van afvalwater; en
als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s: de aanvullende maatregelen die worden getroffen.
Artikel 6.24
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is beschreven:
op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terecht komen.
Artikel 6.25
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Artikel 6.26
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 6.27
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:
het ontgraven of verplaatsen van grond of baggerspecie; en
het toepassen van grond of baggerspecie.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die bestaan uit het ontgronden in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
Lid 3
Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Lid 4
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 6.28
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, voor zover het gaat om:
het ontgronden voor het bouwen, onderhouden of slopen van bouwwerken en het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van wegen of waterstaatswerken anders dan watergangen en vaargeulen;
het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van watergangen of vaargeulen door of namens de waterbeheerder;
het ontgronden voor het plaatsen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;
het doen van een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het graven van slikgruppen om aanwas te bevorderen; of
het ontgronden voor het testen van materieel of het verrichten van onderzoek naar winbare hoeveelheden van andere vaste stoffen dan schelpen, als:
wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
niet meer dan vijf reizen worden verricht; en
de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 5.000 m3, in de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het Markermeer met inbegrip van het Oostvaardersdiep, het Ketelmeer, het Keteldiep, de Haringvliet, het Hollandsch Diep, het Grevelingenmeer, de Krammer, de Volkerak, het Zoommeer, de Oosterschelde en de Westerschelde, of 2.500 m3 in een ander oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.29
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om het aanleggen of in stand houden van een terreinophoging met een volume van meer dan 50 m3 per kadastraal perceel.
Artikel 6.30
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.31
Lid 1
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
de maximale oppervlakte en het maximale volume van de activiteit;
een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Lid 4
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.29 of 6.30; en
op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 6.32
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
de verwachte duur ervan.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.29 of 6.30; en
op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 6.33
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.28, eerste lid, onder f, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de naam, het type en registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
een kaart op een schaal van ten minste 1:5.000, met daarop de locatie van de ontgronding, de locaties van buisleidingen, kabels, oevers, vaste werken of bekende of te verwachten archeologische monumenten en de coördinaten ervan;
gegevens waaruit is afgeleid dat er binnen 500 m rond de ontgronding geen bekende of te verwachten archeologische monumenten zijn;
de manier van ontgronden, de maximale oppervlakte en de maximale diepte van de ontgronding; en
de verwachte hoeveelheid en het soort stoffen die met de ontgronding zullen worden gewonnen en de bestemming van die stoffen.
Artikel 6.34
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op:
het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk; en
het in de bodem brengen van water voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op het bouwen of in stand houden van een instroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.35
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, tweede lid.
Artikel 6.36
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, als:
het innamedebiet meer is dan 1.800 m3/u, de instroomsnelheid meer is dan 0,15 m/s en de activiteit wordt verricht in de Waddenzee, de Eems, de Dollard, de Westerschelde, de Oosterschelde, het Grevelingenmeer, de Nieuwe Waterweg, het Calandkanaal, het Breediep, de Nieuwe Maas ten westen van de A16, de Buitenhaven van IJmuiden, het Slijkgat of het Veerse Meer;
het innamedebiet meer is dan 100 m3/u en de activiteit wordt verricht in een ander oppervlaktewaterlichaam dan genoemd onder a;
de instroomsnelheid meer is dan 0,30 m/s; of
water wordt onttrokken in samenhang met een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 of paragraaf 6.2.7.
Lid 2
Het verbod geldt niet voor baggerwerkzaamheden.
Artikel 6.37
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c.
Lid 2
Het verbod geldt niet voor:
een bronbemaling of proefbemaling, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 100 m3/u en in totaal niet meer dan 100.000 m3;
beregening, bevloeiing of veedrenking, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 60 m3/u; en
in andere gevallen, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 10 m3/u.
Artikel 6.37a
Lid 1
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, wordt de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water gemeten met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
Lid 2
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder c, wordt de kwaliteit van het in de bodem te brengen water gemeten en geanalyseerd volgens de in tabel 6.37a opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.
Lid 3
De analyse van de monsters vindt plaats volgens de op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van het Drinkwaterbesluit gestelde regels.
Tabel 6.37a Parameters en meetfrequentieParameter
Afkorting
Frequentie
Bacteriën van de coligroep
Vierwekelijks
Kleur
Vierwekelijks
Zwevende stof
SS
Vierwekelijks
Geleidingsvermogen voor elektriciteit
Vierwekelijks
Temperatuur
T
Vierwekelijks
Zuurgraad
pH
Vierwekelijks
Opgelost zuurstof
O2
Vierwekelijks
Totaal organisch koolstof
TOC
Vierwekelijks
Bicarbonaat
HCO3
Vierwekelijks
Nitriet
NO2
Vierwekelijks
Nitraat
NO3
Vierwekelijks
Ammonium
NH4
Vierwekelijks
Totaal fosfaat
Totaal P
Vierwekelijks
Fluoride
F
Driemaandelijks
Chloride
Cl
Vierwekelijks
Sulfaat
SO4
Driemaandelijks
Natrium
Na
Driemaandelijks
IJzer
Fe
Driemaandelijks
Mangaan
Mn
Driemaandelijks
Chroom
Cr
Driemaandelijks
Lood
Pb
Driemaandelijks
Koper
Cu
Driemaandelijks
Zink
Zn
Driemaandelijks
Cadmium
Ca
Driemaandelijks
Arseen
As
Driemaandelijks
Cyanide
CN
Driemaandelijks
Minerale olie
Vierwekelijks
Adsorbeerbaar organisch halogeen
AOX
Vierwekelijks
Vluchtig organisch gebonden chloor
VOC
Vierwekelijks
Vluchtige aromaten
Vierwekelijks
Polycyclische aromaten
PAK
Driemaandelijks
Fenolen
Driemaandelijks
Artikel 6.37b
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens verstrekt:
de in het voorafgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en in de bodem gebracht water; en
de kwaliteit van het in de bodem gebrachte water.
Artikel 6.38
Lid 1
Waterschaarste en dreigende waterschaarste zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet.
Lid 2
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, kan voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet.
Lid 3
Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet.
Artikel 6.39
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en het in samenhang daarmee lozen van afvalwater afkomstig van voedselbereiding met grootkeukenapparatuur.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Lid 3
Het eerste lid geldt niet voor het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder waarop paragraaf 4.28 van toepassing is.
Artikel 6.40
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, tweede lid.
Artikel 6.41
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
de zuiveringsvoorziening die wordt gebruikt.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.42
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, worden gegevens en bescheiden over de verwachte datum van het begin van de activiteit verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3.
Artikel 6.43
Lid 1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt het afvalwater, bedoeld in artikel 6.39, eerste lid, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Lid 2
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden voor biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l en voor chemische zuurstofverbruik 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Lid 3
Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat, kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Lid 4
Als in samenhang met het huishoudelijke afvalwater ook afvalwater afkomstig van voedselbereiding wordt geloosd, is de zuiveringsvoorziening daarop berekend.
Artikel 6.44
Lid 1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Lid 2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Lid 3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
Artikel 6.45
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende mijnbouwlocatieactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk:
het gebruiken van een locatie voor een mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het voor die installatie geldende beperkingengebied; en
het gebruiken van een locatie voor een verkenningsonderzoek met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen, met uitzondering van het bij dat onderzoek gebruiken van ontplofbare stoffen.
Artikel 6.46
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, geldt voor:
de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder a, voor zover de mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt en die activiteit wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied; en
de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, voor zover die activiteit wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied.
Artikel 6.47
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder a, te verrichten als het gaat om een mijnbouwinstallatie die niet geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat de coördinaten van de installatie.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.47a
Lid 1
Ten minste 48 uur voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, worden aan de inspecteur-generaal der mijnen de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
gegevens over de wijze waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
de locatie waarop en de vaarlijnen waarlangs het verkenningsonderzoek wordt verricht, aangegeven op een kaart;
de data waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van de vaartuigen;
de gegevens over de bekwaamheid en ervaring van de personen die contact houden met de overige scheepvaart in en om de onderzoekslocatie; en
gegevens over de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop de personen, bedoeld onder e, zich bevinden.
Lid 2
Ten minste 48 uur voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 6.48
Lid 1
Met het oog op de veiligheid van de scheepvaart is er aan boord van een verkenningsvaartuig een persoon die contact houdt met de andere scheepvaart in en om het onderzoeksgebied.
Lid 2
Een verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.
Artikel 6.48a
Met het oog op het voorkomen van storende geluidseffecten voor zeezoogdieren wordt bij het gebruik van kunstmatig opgewekte trillingen bij een verkenningsonderzoek met een laag geluidsvolume begonnen en verloopt de versterking van dat volume geleidelijk.
Artikel 6.48b
Bij toezicht op de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, wordt voorzien in het vervoer van toezichthouders als bedoeld in artikel 130, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet.
Artikel 6.49
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk:
het kweken van consumptievis;
het kweken of houden van ongewervelde waterdieren;
het telen van waterplanten; en
het invangen van mosselzaad.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van:
het kweken van consumptievis;
het kweken of houden van ongewervelde dieren; of
het telen van waterplanten.
Artikel 6.50
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.49, eerste lid.
Artikel 6.51
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden bij het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren of het telen van waterplanten geen stoffen aan het oppervlaktewaterlichaam toegevoegd.
Artikel 6.52
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.49, tweede lid, is paragraaf 5.3.1 over PRTR van overeenkomstige toepassing, als het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur met een productiecapaciteit van 1.000 ton vis of schelpdieren per jaar of meer.
Artikel 6.53
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, anders dan bedoeld in de paragrafen 6.2.1, 6.2.4 en 6.2.6.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk die bestaan uit het voor de lozingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening.
Artikel 6.54
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 6.53, tweede lid.
Artikel 6.55
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 6.53, eerste lid, voor zover het gaat om:
het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen;
het lozen van meer dan 5.000 m3 water per uur; en
het lozen van water door een uitstroomvoorziening, behalve voor het lozen van:
afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
afvalwater afkomstig van ontwateren;
water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in artikel 3.145.
Lid 3
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Lid 4
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen, water of warmte afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.1.
Artikel 6.56
Lid 1
Ten minste 48 uur voor het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
gegevens waaruit blijkt of er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt; en
als er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt: welke stoffen dat blusschuim bevat.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259.
Artikel 6.56a
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.56b, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
De melding bevat:
een aanduiding van het soort goederen; en
de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.56b
In afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel B, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 6.56c
Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 6.56b, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56c, gemeten in een steekmonster.
Tabel 6.56c EmissiegrenswaardenStof
Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink
1 mg/l
Minerale olie
10 mg/l
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen
50 μg/l
Onopgeloste stoffen
100 mg/l
Som van stikstofverbindingen
10 mg/l
Som van fosforverbindingen
2 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik
200 mg/l
Artikel 6.56d
Lid 1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Lid 2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Lid 3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 6.56e
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 6.56f, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
De melding bevat de maximale teeltoppervlakte.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.56f
In afwijking van artikel 4.795, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 6.56g
Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 6.56f, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56g, gemeten in een steekmonster.
Tabel 6.56g EmissiegrenswaardenStof
Emissiegrenswaarde in mg/l
Onopgeloste stoffen
100 mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik
60 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik
300 mg/l
Artikel 6.56h
Lid 1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Lid 2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Lid 3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
Artikel 6.56ha
Lid 1
Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden:
het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;
het lozen van afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem; en
het lozen van afvalwater afkomstig van een grondwatersanering.
Lid 2
Een melding bevat:
de resultaten van de beschikbare voorafgaande bodemonderzoeken;
de locaties van de lozingspunten; en
het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
Lid 3
Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 6.56hb
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 6.56ha, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 6.56hc
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt afvalwater afkomstig van een voorafgaand onderzoek voor een grondwatersanering niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.56hd
Voor het afvalwater afkomstig van saneren van de bodem, grondwatersanering of graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 6.56hd, gemeten in een steekmonster.
Tabel 6.56hd Emissiegrenswaarden afvalwaterStoffen
Emissiegrenswaarde in μg/l
Naftaleen
0,2
PAK’s
1
BTEX
50
Tetrachlooretheen
3
Trichlooretheen
20
1,2-dichlooretheen
20
1,1,1-trichloorethaan
20
Vinylchloride
8
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen
20
Monochloorbenzeen
7
Dichloorbenzenen
3
Trichloorbenzenen
1
Minerale olie
1.000
Cadmium
4
Kwik
1
Koper
10
Nikkel
40
Lood
50
Zink
100
Chroom
20
Onopgeloste stoffen
50.000
Artikel 6.56he
Lid 1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Lid 2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Lid 3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor naftaleen en BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan en vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen en trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride alleen NEN-EN-ISO 15680 kan worden gebruikt;
voor minerale olie: NEN-ISO 9377-2;
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
Artikel 6.56i
Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.56j
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.56i, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om:
het zich bevinden in dat beperkingengebied; en
het aanwezig hebben van een object, anders dan voor het verrichten van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.320.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een vaartuig of drijvend werktuig dat in het beperkingengebied vaart:
in verband met het aanleggen, inspecteren, testen, repareren, onderhouden, veranderen of verwijderen van onderzeese kabels of leidingen;
om diensten te verlenen voor de installatie of om personen of goederen te vervoeren van of naar de installatie;
om de installatie te inspecteren;
om levens of eigendommen te redden;
gedwongen door de weersomstandigheden;
als het in nood verkeert;
voor de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhavingstaak; of
als het toestemming heeft van de degene die de installatie exploiteert.
Artikel 6.57
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, anders dan bedoeld in de paragrafen 6.2.1 tot en met 6.2.7, die bestaan uit:
het verrichten van werkzaamheden;
het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel, materialen of vaste substanties; en
andere activiteiten.
Lid 2
Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Artikel 6.58
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.57, onder b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk tussen 1 oktober en 1 april.
Artikel 6.59
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.60
Lid 1
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
de maximale oppervlakte van de activiteit; en
een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Lid 4
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.58; en
op het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel of materialen voor ten hoogste een week.
Artikel 6.61
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 6.57, onder a en b, in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:
de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
de verwachte duur ervan.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.58; en
op het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel of materialen voor ten hoogste een week.