Hoofdstuk 18. Emissies door mobiliteit

Artikel 18.1

Voor toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. bromfiets: bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

  2. hoofdnederzetting: hoofdnederzetting als bedoeld in artikel 1 van de Handelsregisterwet 2007;

  3. hoofdvestiging: hoofdvestiging als bedoeld in artikel 1 van de Handelsregisterwet 2007;

  4. nevenvestiging: nevenvestiging als bedoeld in artikel 1 van de Handelsregisterwet 2007;

  5. onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007;

  6. rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007 of, als het gaat om de Staat, een ministerie of dienstonderdeel als bedoeld in dat artikel;

  7. reismodaliteit: wijze waarop een onderneming of rechtspersoon een werknemer heeft laten reizen;

  8. reizigerskilometer: verplaatsing van een werknemer over een afstand van 1 km;

  9. werknemer: degene die krachtens arbeidsovereenkomst, anders dan een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek met een beding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, van dat wetboek of publiekrechtelijke aanstelling is gehouden tot het verrichten van ten minste 20 uur betaalde arbeid per maand voor een onderneming of rechtspersoon;

  10. woon-werkmobiliteit: woon-werkmobiliteit als bedoeld in artikel 18.11, eerste lid, onder a;

  11. zakelijke mobiliteit: zakelijke mobiliteit als bedoeld in artikel 18.11, eerste lid, onder b.

Artikel 18.2

Deze afdeling gaat over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in paragraaf 18.1.2.

Artikel 18.3

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beperken van emissies in de lucht van kooldioxide die ontstaan door verbranding van brandstof in de motor van voertuigen.

Artikel 18.4

Lid 1

Voor een milieubelastende activiteit is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen degene die de milieubelastende activiteit verricht, is gevestigd, het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Lid 2

Als degene die de milieubelastende activiteit verricht meerdere vestigingen heeft, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de hoofdvestiging of hoofdnederzetting is gevestigd, het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.

Artikel 18.5

Lid 1

Het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, dat zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 4.13a van de wet overdraagt, geeft tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.

Artikel 18.6

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 18.7

Lid 1

Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 18.12.

Lid 2

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van artikel 18.12, tenzij anders is bepaald.

Lid 3

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 18.3.

Lid 4

Een maatwerkregel wordt gesteld in het omgevingsplan.

Artikel 18.8

Lid 1

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 18.12.

Lid 2

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 18.12, tenzij anders is bepaald.

Artikel 18.9

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:

  1. de naam, het e-mailadres en het telefoonnummer van de contactpersoon van de onderneming of rechtspersoon;

  2. het adres van de vestiging van de onderneming of rechtspersoon of, als sprake is van meerdere vestigingen, het adres van de hoofdvestiging of hoofdnederzetting van de onderneming of rechtspersoon;

  3. het nummer van de inschrijving van de onderneming of rechtspersoon in het handelsregister; en

  4. de dagtekening.

Artikel 18.10

Lid 1

Voordat de naam, het adres of het nummer, bedoeld in artikel 18.9 wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 18.11

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 18.2 worden aangewezen:

  1. het door een onderneming of rechtspersoon laten reizen van een werknemer tussen de woon- of verblijfplaats van de werknemer en de locatie waar de arbeid pleegt te worden verricht; en

  2. het door een onderneming of rechtspersoon laten reizen van een werknemer in het kader van de dienstbetrekking, met uitzondering van woon-werkmobiliteit.

Lid 2

Onder de aanwijzing valt niet het laten reizen van een werknemer:

  1. buiten Nederland, voor zover de reizen van de werknemer niet in Nederland beginnen of eindigen;

  2. door een onderneming of rechtspersoon die geen financiële vergoeding, fiets, bromfiets, motorvoertuig, vervoersbewijs voor openbaar vervoer of andere mobiliteitsvoorziening beschikbaar stelt voor zakelijke mobiliteit of woon-werkmobiliteit;

  3. door een in Nederland gevestigde onderneming of rechtspersoon die op 1 januari van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 18.15, eerste lid, in totaal minder dan 100 werknemers heeft;

  4. door een buiten Nederland gevestigde onderneming of rechtspersoon waarvan de nevenvestigingen in Nederland op 1 januari van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 18.15, eerste lid, in totaal minder dan 100 werknemers hebben;

  5. met vliegtuigen, helikopters, vaartuigen of werktuigen;

  6. met voertuigen die zijn bedoeld voor:

    1. het vervoer van goederen of dieren;

    2. het gebruik door hulpverleningsdiensten ter vervulling van een dringende taak als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; of

    3. militair gebruik en die zijn voorzien van een militair kenteken;

  7. met andere voertuigen dan bedoeld onder f, aanhef en onder 2°:

    1. voor de uitoefening van een politietaak als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Politiewet 2012, of voor het volgen van een politieopleiding als bedoeld in artikel 1 van die wet; of

    2. voor de uitoefening van een taak op het gebied van de brandweerzorg, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s, of de rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet, of voor het volgen van een opleiding als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van die wet; en

  8. als bestuurder van een voertuig dat is bedoeld voor het vervoer van personen tegen betaling of als controleur van vervoerbewijzen in dat voertuig.

Artikel 18.12

Lid 1

Voor de emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit is de emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde waaraan met ingang van 1 januari 2050 wordt voldaan: 0 g per reizigerskilometer.

Lid 2

Dit lid is nog niet in werking getreden.

Lid 3

Dit lid is nog niet in werking getreden.

Artikel 18.13

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 18.12 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld over de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 18.12, tweede lid.

Artikel 18.14

Lid 1

De emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit of zakelijke mobiliteit in kalenderjaargemiddelde per reizigerskilometer wordt berekend door de emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit of zakelijke mobiliteit in het kalenderjaar te delen door het aantal reizigerskilometers voor woon-werkmobiliteit respectievelijk zakelijke mobiliteit in het kalenderjaar.

Lid 2

De emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit of zakelijke mobiliteit, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door voor elke reismodaliteit het aantal in het kalenderjaar gereisde kilometers voor woon-werkmobiliteit respectievelijk zakelijke mobiliteit te vermenigvuldigen met de bij ministeriële regeling vastgestelde emissiefactor voor die reismodaliteit en de uitkomsten bij elkaar op te tellen.

Artikel 18.15

Lid 1

Jaarlijks worden uiterlijk op 30 juni de volgende gegevens over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling:

  1. het aantal werknemers op 1 januari van dat kalenderjaar;

  2. de gebruikte reismodaliteiten, waarbij in ieder geval onderscheid wordt gemaakt tussen het laten reizen:

    1. met openbaar vervoer;

    2. per fiets of te voet;

    3. per bromfiets; en

    4. per motorvoertuig;

  3. per reismodaliteit, bedoeld onder b, onder 3° en 4°, de gebruikte brandstof of andere voeding van de motor van het voertuig, waarbij in ieder geval onderscheid wordt gemaakt tussen:

    1. elektrisch;

    2. elektrisch in combinatie met benzine, diesel of waterstof;

    3. LPG;

    4. CNG;

    5. LNG;

    6. benzine;

    7. biobrandstof; en

    8. diesel; en

  4. het aantal kilometers dat de onderneming of rechtspersoon de werknemers heeft laten reizen.

Lid 2

In de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, wordt onderscheid gemaakt tussen woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit. Ten behoeve van het verstrekken van die gegevens worden persoonsgegevens verwerkt.

Lid 3

Als het gaat om woon-werkmobiliteit kan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, bij gebruik van meer dan een reismodaliteit worden volstaan met het verzamelen en verstrekken van gegevens over de reismodaliteit waarmee de werknemer de meeste reizigerskilometers heeft afgelegd, waarbij de reizigerskilometers die de werknemer als gevolg van andere reismodaliteiten heeft afgelegd, bij de eerstbedoelde reizigerskilometers worden opgeteld.

Lid 4

De gegevens worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar wordt gesteld. De gegevens gelden als ondertekend.

Lid 5

Het eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, is niet van toepassing als in het kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, en het daaraan voorafgaande kalenderjaar de emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit in kalenderjaargemiddelde niet hoger is dan 3 g per reizigerskilometer.