Hoofdstuk 5. Milieubelastende activiteiten: modules
Artikel 5.1
Dit hoofdstuk is alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3, 4, 6 of 7 is bepaald.
Artikel 5.2
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 wordt een plattegrond van de locatie waarop is aangegeven waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Lid 2
Ten hoogste vier weken na een wijziging van die locatie, wordt een plattegrond waarop die gewijzigde locatie is aangegeven verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Lid 3
Dit artikel is niet van toepassing voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie die in hoofdstuk 3 als vergunningplichtig is aangewezen.
Artikel 5.3
Lid 1
Bij het beëindigen van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 wordt een bodemonderzoek verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
Lid 2
Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, gemaakt of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waarop de activiteit is verricht.
Lid 3
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740, voor zover de activiteit plaatsvindt op de landbodem, of aan NEN 5717 en NEN 5720, voor zover de activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam.
Lid 4
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Artikel 5.4
Het rapport van het bodemonderzoek bevat:
de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
de wijze waarop het onderzoek is verricht;
de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;
informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;
bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, gemaakt of vrijgekomen; en
als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt volgens artikel 5.6.
Artikel 5.5
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van de activiteit wordt een rapport van het bodemonderzoek verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Artikel 5.6
Lid 1
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het bodemonderzoek bij het beëindigen van de activiteit de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld voor het begin van de activiteit:
voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: in een rapport volgens NEN 5740; of
voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: in een rapport volgens NEN 5720;
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de volgende kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit:
voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of
voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.
Lid 2
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Lid 3
Het herstel wordt milieukundig begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
Artikel 5.6a
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 5.6, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de verwachte datum van het begin van de herstelwerkzaamheden;
een omschrijving van de herstelwerkzaamheden, waaronder in ieder geval:
de begrenzing van de locatie waarop de herstelwerkzaamheden worden verricht met een aanduiding op een kaart en op een dwarsprofiel;
het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de herstelwerkzaamheden worden verricht;
de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit in kubieke meters; en
de herstelwaarde voor de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit volgens artikel 5.6, eerste lid; en
als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.
Lid 2
Ten minste een week voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 5.6, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de naam en het adres van degene die de herstelwerkzaamheden gaat verrichten;
de naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en
de naam van de natuurlijke persoon die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.
Lid 3
Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.
Artikel 5.7
Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 5.6, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 dat in ieder geval de volgende gegevens bevat:
de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het saneren van de bodem; en
de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.
Artikel 5.7a
Lid 1
Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 wordt een vooronderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
Lid 2
Het vooronderzoek bodem voldoet aan NEN 5725.
Artikel 5.7b
Lid 1
Als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging van de bodem, wordt een verkennend bodemonderzoek verricht.
Lid 2
Een verkennend bodemonderzoek voldoet aan NEN 5740.
Lid 3
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Lid 4
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7c
Lid 1
Als uit het vooronderzoek bodem of het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er een verdenking bestaat op aanwezigheid van asbest in de bodem, wordt een verkennend bodemonderzoek asbest verricht.
Lid 2
Een verkennend bodemonderzoek asbest voldoet aan NEN 5707.
Lid 3
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Lid 4
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7d
Lid 1
Als uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat een nader bodemonderzoek nodig is, wordt een nader bodemonderzoek verricht.
Lid 2
Een nader bodemonderzoek voldoet aan NTA 5755.
Lid 3
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Lid 4
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7e
Lid 1
Als uit het verkennend bodemonderzoek asbest blijkt dat er een nader bodemonderzoek nodig is, wordt een nader bodemonderzoek asbest verricht.
Lid 2
Een nader bodemonderzoek asbest voldoet aan NEN 5707.
Lid 3
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Lid 4
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7f
Lid 1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van bodemonderzoek als bedoeld in de artikelen 5.7b, 5.7c, 5.7d en 5.7e geloosd in een vuilwaterriool.
Lid 2
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 5.7g
Lid 1
Met het oog op het doelmatig gebruik van energie wordt een kosten-batenanalyse uitgevoerd als een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW:
wordt opgericht, om de kosten en baten te berekenen van de werking van die stookinstallatie als een hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallatie als bedoeld in artikel 2, onder 34, van de richtlijn energie-efficiëntie; of
ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie, om de kosten en baten te berekenen van het ombouwen van die stookinstallatie tot een hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallatie als bedoeld in artikel 2, onder 34, van de richtlijn energie-efficiëntie.
Lid 2
Als de stookinstallatie, bedoeld in het eerste lid, restwarmte op een bruikbare temperatuur genereert, worden ook de kosten en baten berekend van:
het gebruik van restwarmte om te voldoen aan een economisch aantoonbare vraag naar warmte als bedoeld in artikel 2, onder 31, van de richtlijn energie-efficiëntie; en
de aansluiting van die stookinstallatie op een warmtenet of een koudenet.
Artikel 5.7h
Met het oog op het doelmatig gebruik van energie wordt een kosten-batenanalyse uitgevoerd om de kosten en baten te berekenen van het gebruik van restwarmte van stookinstallaties in de nabijheid van een warmtenet of een koudenet, als:
een warmtenet of een koudenet wordt opgericht of ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie; of
een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW in een warmtenet of een koudenet wordt opgericht of ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie.
Artikel 5.7i
Lid 1
De kosten-batenanalyse wordt uitgevoerd volgens de beginselen, bedoeld in deel 2 van bijlage IX bij de richtlijn energie-efficiëntie.
Lid 2
Op het berekenen van de kosten en baten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.7j
Lid 1
De artikelen 5.7g, tweede lid, en 5.7h zijn niet van toepassing als:
de afstand tussen de stookinstallatie en het warmtenet of koudenet tussen 1 en 3 km is en de beschikbare hoeveelheid nuttige warmte of de warmtevraag minder dan 2.500 GJ per jaar is; of
de afstand tussen de stookinstallatie en het warmtenet of koudenet meer dan 3 km is en de beschikbare hoeveelheid nuttige warmte of de warmtevraag minder dan 25.000 GJ per jaar is.
Lid 2
De artikelen 5.7g en 5.7h zijn niet van toepassing op:
een installatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, die bestemd is voor de productie van elektriciteit, voor zover deze installatie:
fungeert als noodvoorziening en de opvang van piekverbruik; en
volgens plan minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, in bedrijf is; of
een stookinstallatie die ligt nabij een CO2-opslagcomplex als bedoeld in artikel 1, onder s, van de Mijnbouwwet waarvoor een opslagvergunning is verleend op grond van hoofdstuk 3 van die wet.
Artikel 5.7k
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.2.1, 3.3.13 of 3.4.3 wordt de kosten-batenanalyse, bedoeld in de artikelen 5.7g en 5.7h, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Artikel 5.7l
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 5.7g, 5.7h, 5.7i en 5.7k niet versoepeld.
Artikel 5.8
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 5 van de PRTR-verordening.
Artikel 5.9
Lid 1
Als degene die de activiteit verricht rapportageplichtig is, wordt het PRTR-verslag uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarover een PRTR-verslag moet worden opgesteld, ingediend bij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Lid 2
Bij het overschrijden van de capaciteitsdrempel voor het overbrengen van ongevaarlijk afval of de capaciteitsdrempel voor het overbrengen van gevaarlijk afval, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, van de PRTR-verordening, is de rapportageplicht zowel op het overbrengen van ongevaarlijk afval als op het overbrengen van gevaarlijk afval van toepassing.
Lid 3
Het tweede lid is niet van toepassing op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of intensieve aquacultuur, bedoeld in bijlage I, onder 7, bij de PRTR-verordening.
Artikel 5.10
Lid 1
Het PRTR-verslag bevat de gegevens, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de PRTR-verordening.
Lid 2
Het PRTR-verslag bevat ook gegevens over de stoffen, bedoeld in bijlage V, als een of meer van de emissiegrenswaarden die daarbij zijn genoemd, worden overschreden. De artikelen 5, tweede tot en met vijfde lid, en 9, eerste en tweede lid, van de PRTR-verordening zijn van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Het tweede lid is niet van toepassing op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of intensieve aquacultuur, bedoeld in bijlage I, onder 7, bij de PRTR-verordening.
Artikel 5.11
Lid 1
Bij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, 6.1 of 7.1, kan een aanvraag worden ingediend om aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geen informatie te verstrekken over bepaalde in het PRTR-verslag opgenomen gegevens voor opname in het PRTR.
Lid 2
Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
De aanvraag wordt gelijktijdig met het indienen van het PRTR-verslag ingediend.
Lid 4
In een aanvraag om geheimhouding wordt de naam aangegeven van de groep verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage VI, waarvan de geheim te houden verontreinigende stof deel uitmaakt.
Artikel 5.12
Lid 1
Er is een meet- en registratiesysteem aanwezig, waarmee:
volledige, consistente en geloofwaardige gegevens worden verkregen;
met gepaste frequentie informatie kan worden verzameld die nodig is om te bepalen welke emissie en welke overbrengingen van verontreinigende stoffen onder de rapportageplicht vallen;
informatie kan worden verkregen over de totaliteit van de emissie en overbrengingen van verontreinigende stoffen van alle opzettelijke, accidentele, routinematige en niet-routinematige activiteiten; en
de beste beschikbare informatie kan worden verkregen.
Lid 2
Onder meet- en registratiesysteem wordt verstaan: de voor de gegevensinzameling gebruikte methodiek.
Artikel 5.13
Lid 1
Op het meten van PM10 is NTA 8029 van toepassing.
Lid 2
De zin beginnend met «Bedrijven mogen» en eindigend met «resultaat leiden» in hoofdstuk 1 Onderwerp en toepassingsgebied in de NTA 8029 is niet van toepassing.
Artikel 5.14
Met een maatwerkregel of een maatwerkvoorschrift wordt niet van de artikelen 5.8 tot en met 5.13 afgeweken.
Artikel 5.15
Lid 1
Alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
Lid 2
Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden verstaan:
energiebesparende maatregelen;
maatregelen voor het jaarlijks produceren van hernieuwbare energie op de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht tot ten hoogste het jaarlijkse energiegebruik van de energiedrager van de milieubelastende activiteit waarvoor jaarlijks hernieuwbare energie geproduceerd wordt; en
maatregelen voor het vervangen van een energiedrager die leiden tot een lagere emissie van kooldioxide.
Lid 3
Het eerste lid is niet van toepassing:
als het energiegebruik van de milieubelastende activiteit in enig kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kWh elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten;
op maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik aan een gebruiksfunctie als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
als voor het energiegebruik van de milieubelastende activiteit alleen gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie die wordt geproduceerd op de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht; of
als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a, eerste lid, onder b.
Lid 4
Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan als alle van toepassing zijnde bij ministeriële regeling vastgestelde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik zijn getroffen, tenzij artikel 5.15b van toepassing is.
Lid 5
Op het berekenen van de terugverdientijd, de emissie van kooldioxide en de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Lid 6
Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet verstaan maatregelen voor het gebruik van rie-biomassa voor de productie van elektriciteit en laagwaardige warmte met een temperatuur van ten hoogste 100 °C.
Artikel 5.15a
Lid 1
Als artikel 5.15, eerste lid, van toepassing is, worden uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
als degene die de activiteit verricht is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van inschrijving in het handelsregister;
een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, die zijn getroffen;
een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, die niet van toepassing zijn omdat een of meer van de in de ministeriële regeling aangegeven randvoorwaarden niet van toepassing zijn;
als niet alle van toepassing zijnde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, zijn getroffen: een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar die zijn getroffen; en
het energiegebruik van de milieubelastende activiteit, uitgedrukt in kilowattuur elektriciteit en kubieke meters aardgasequivalent, en gemeten over enig kalenderjaar.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing als:
het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a, eerste lid, onder a; of
artikel 5.15b van toepassing is.
Lid 3
Het eerste lid is van toepassing als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a, eerste lid, onder b.
Artikel 5.15b
Lid 1
Als artikel 5.15, eerste lid, van toepassing is en het energiegebruik van de milieubelastende activiteit in enig kalenderjaar groter is dan 10.000.000 kWh elektriciteit of 170.000 m3 aardgasequivalenten wordt onderzoek verricht naar alle mogelijke maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar.
Lid 2
Ten behoeve van het onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik worden uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
als diegene die de activiteit verricht is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van inschrijving in het handelsregister;
een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, die zijn getroffen;
een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, die nog niet zijn getroffen en het moment waarop de maatregelen naar verwachting zullen worden getroffen;
het energiegebruik van de milieubelastende activiteit, uitgedrukt in kilowattuur elektriciteit en kubieke meters aardgasequivalent, en gemeten over enig kalenderjaar;
een onderbouwing van het onderzoek naar de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, waaronder in ieder geval;
een analyse van het energiegebruik;
een analyse van de productieapparatuur en installaties; en
een beschrijving van de structurele energiezorg.
Lid 3
Dit artikel is niet van toepassing als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a.
Lid 4
Op het onderzoek zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.15c
Lid 1
De gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 5.15a en 5.15b, worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister voor Klimaat en Energie beschikbaar worden gesteld.
Lid 2
Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.
Artikel 5.15d
Als voor de inwerkingtreding van dit besluit gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft artikel 2.15 van dat besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit voor zover gericht op de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, en de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn gesteld, tot 1 december 2027 van toepassing.
Artikel 5.16
Lid 1
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt artikel 5.15 niet versoepeld.
Lid 2
Een maatwerkvoorschrift over artikel 5.15 kan het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, inhouden.
Artikel 5.16a
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, bedoeld in artikel 3.235, eerste lid, voor zover het gaat om een rekencentrum of datacentrum met een geïnstalleerd IT-vermogen, zijnde het vermogen van de geïnstalleerde informatietechnologie in de ruimten en van de apparatuur die hoofdzakelijk of alleen dienen voor gegevensgerelateerde functies, met inbegrip van de noodzakelijke bijbehorende apparatuur, van ten minste 500 kW.
Lid 2
Deze paragraaf is niet van toepassing als de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geheel wordt verricht voor het uitoefenen van:
defensietaken; of
taken voor rampenbestrijding als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s of crisisbeheersing als bedoeld in dat artikel.
Artikel 5.16b
Lid 1
Uiterlijk op 15 juli 2024 en daarna jaarlijks uiterlijk op 15 mei worden door degene die de activiteit verricht gegevens over de energie-efficiëntie van de activiteit openbaar gemaakt via een elektronische voorziening.
Lid 2
Degene die de activiteit verricht, voldoet aan de verplichting van het eerste lid door de volgende gegevens over de activiteit over het voorafgaande kalenderjaar te verzamelen en openbaar te maken:
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
de naam van het rekencentrum of datacentrum en het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
de datum waarop de activiteit is gestart;
het geïnstalleerde vermogen in kilowatt;
de vloeroppervlakte van het rekencentrum of datacentrum in vierkante meters;
gegevens over het rekencentrum of datacentrum en de energieprestaties, waaronder in ieder geval:
het energiegebruik;
het waterverbruik in kubieke meters;
het restwarmtegebruik;
de temperatuurinstelpunten;
het gebruik van hernieuwbare energie;
de hoeveelheid in het rekencentrum of datacentrum opgeslagen en verwerkte data;
het jaarlijks inkomende en uitgaande dataverkeer; en
de dagtekening.
Lid 3
Voor zover er sprake is van gegevens waarvan de geheimhouding op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid gerechtvaardigd is, zijn deze gegevens uitgezonderd van de verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Lid 4
Op het verzamelen en openbaar maken van de gegevens zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.16c
Lid 1
De gegevens, bedoeld in artikel 5.16b, worden openbaar gemaakt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister voor Klimaat en Energie beschikbaar worden gesteld.
Lid 2
Gegevens die openbaar zijn gemaakt via de elektronische voorziening gelden als ondertekend.
Artikel 5.17
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/215.
Artikel 5.17a
Deze paragraaf is alleen van toepassing voor zover in hoofdstuk 4 met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem is bepaald dat een bodembeschermende voorziening wordt toegepast.
Artikel 5.18
Lid 1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem heeft een lekbak waarboven of waarop vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking of in een opslagtank worden opgeslagen, een opvangcapaciteit van ten minste 110% van de inhoud van de grootste verpakkingseenheid of opslagtank, waarbij de opvangcapaciteit ten minste 10% is van de inhoud van alle opgeslagen stoffen.
Lid 2
Er wordt voorkomen dat water in een lekbak blijft staan.
Artikel 5.18a
Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater is een lekbak niet aangesloten op het vuilwaterriool.
Artikel 5.19
Lid 1
Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden zo spoedig mogelijk na aanleg en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.
Lid 2
Als een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool zijn aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7700, worden deze uiterlijk zes jaar na aanleg en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd.
Lid 3
Als het beoordelen van het vuilwaterriool volgens AS SIKB 6700 redelijkerwijs niet mogelijk is, kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, het ondergrondse vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool dat is aangelegd voor inwerkingtreding van dit besluit worden beoordeeld volgens het CUR rapport 2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming.
Lid 4
Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden jaarlijks gecontroleerd volgens bijlage 6 bij AS SIKB 6700.
Lid 5
Als een vloeistofdichte bodemvoorziening of het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool is gerepareerd, wordt na reparatie het gerepareerde deel opnieuw beoordeeld en goedgekeurd door een instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de reparatie wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7700 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
Artikel 5.20
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 5.21
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.
Artikel 5.22
Tot drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is artikel 5.19, eerste en tweede lid, niet van toepassing op het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool dat is aangelegd voor de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 5.22a
Lid 1
Een zeer zorgwekkende stof is een stof die voldoet aan een of meer van de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van de reach-verordening.
Lid 2
Een stof is in ieder geval een zeer zorgwekkende stof als die:
voorkomt:
in bijlage VI bij de CLP-verordening en in die bijlage is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of 1b;
op de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van de reach-verordening;
in bijlage XVII bij de reach-verordening ten aanzien van chemische stoffen waarvoor een restrictie geldt vanwege het voldoen aan de criteria van artikel 57 van die verordening;
in bijlage I, II of III bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen;
op de lijst van stoffen voor prioritaire actie die is vastgesteld op grond van artikel 6 van het Ospar-verdrag; of
in bijlage X bij de kaderrichtlijn water, voor zover een stof in die bijlage is aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof; of
voldoet aan de vastgestelde wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen, bedoeld in:
artikel 5, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU 2012, L167) vastgesteld in Gedelegeerde Verordening 2017/2100 van de commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het identificeren van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2017, L 301); of
bijlage II, paragraaf 3.6.5, bij de Verordening (EG) 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309).
Artikel 5.23
Eenmaal per vijf jaar worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, verstrekt:
gegevens over de mate waarin zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht of het water worden geëmitteerd, en
de vermijdings- en reductieprogramma’s, bedoeld in artikel 5.24.
Artikel 5.24
Lid 1
Er worden vermijdings- en reductieprogramma’s opgesteld voor zeer zorgwekkende stoffen.
Lid 2
Deze programma’s bevatten:
een overzicht van mogelijkheden om het gebruik van zeer zorgwekkende stoffen te vermijden;
als gebruik niet te vermijden is: een overzicht van mogelijkheden en technieken om emissies in de lucht of het water te voorkomen en te beperken;
informatie over de bedrijfszekerheid en de kosten van de technieken; en
informatie over afwenteleffecten.
Lid 3
Bij het overzicht van de technieken wordt informatie opgenomen over het rendement en de validatie van de technieken.
Lid 4
Op het bepalen van de kosten en het rendement van de technieken, bedoeld in het derde lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.24a
Lid 1
De informatie, bedoeld in artikel 5.23, onder a, wordt ingediend met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar worden gesteld.
Lid 2
Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier, gelden als ondertekend.
Artikel 5.25
Lid 1
Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu overschrijdt de concentratie van zeer zorgwekkende stoffen op leefniveau als gevolg van emissies door de activiteit, waarbij rekening wordt gehouden met de achtergrondwaarden, niet de grenswaarden, bedoeld in bijlage VIa.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Lid 3
Het eerste lid is niet van toepassing op het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie.
Artikel 5.26
Op een berekening is standaardrekenmethode 3 Nieuw Nationaal Model van toepassing.
Artikel 5.27
Deze paragraaf is niet van toepassing op emissies in de lucht:
vanuit een ippc-installatie voor zover daarvoor een document met de conclusies over beste beschikbare technieken is vastgesteld in overeenstemming met artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn industriële emissies, dat een conclusie bevat over die emissies;
voor zover daarvoor op grond van hoofdstuk 4 emissiegrenswaarden gelden; of
door het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie.
Artikel 5.28
Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.
Artikel 5.29
Lid 1
In deze paragraaf wordt onder een emissierelevante parameter categorie A verstaan: een parameter die, zo nodig na kalibratie, een kwantitatief beeld geeft van de emissie.
Lid 2
Onder een emissierelevante parameter categorie B wordt verstaan: een parameter die een kwalitatief beeld geeft van de emissie.
Artikel 5.30
Lid 1
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden vanuit alle puntbronnen per stof of stofklasse de waarden, bedoeld in tabel 5.30, gemeten in een eenmalige, periodieke of continue meting.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 5.30, niet overschrijdt.
Tabel 5.30 EmissiegrenswaardenStof of stofklasse
Emissiegrenswaarde in ng/Nm3of mg/Nm3of ng TEQ/Nm3
Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar
Zwaveldioxide
50 mg/Nm3
1.000 kg/jaar
Stikstofoxide
100 mg/Nm3
1.000 kg/jaar
Waterstofchloride
2 mg/Nm3
7,5 kg/jaar
Waterstoffluoride
1 mg/Nm3
7,5 kg/jaar
Ammoniak
5 mg/Nm3
75 kg/jaar
ERS
0,05 ng TEQ/Nm3
20 mg TEQ/jaar
MVP1
0,05 mg/Nm3
0,075 kg/jaar
MVP2
1 mg/Nm3
1,25 kg/jaar
S
3 mg/Nm3
100 kg/jaar
sA.1
0,05 mg/Nm3
0,125 kg/jaar
sA.2
0,5 mg/Nm3
1,25 kg/jaar
sA.3
0,5 mg/Nm3
5 kg/jaar
gA.1
0,5 mg/Nm3
1,25 kg/jaar
gA.2
3 mg/Nm3
7,5 kg/jaar
gA.3
30 mg/Nm3
75 kg/jaar
gO.1
20 mg/Nm3
50 kg/jaar
gO.2
50 mg/Nm3
250 kg/jaar
Artikel 5.31
Lid 1
Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 5.30, is NEN-EN 15259 van toepassing.
Lid 2
Op het verrichten van een eenmalige, periodieke of parallelmeting zijn van toepassing:
voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
voor zuurstof: NEN-EN 14789;
voor chroom VI-verbindingen: NEN-ISO 16740;
voor zware metalen: NEN-EN 14385;
voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
voor ammoniak: NEN 2826;
voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
voor dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3; en
voor kwik: NEN-EN 13211.
Lid 3
Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:
voor stikstofoxiden: NEN-ISO 10849;
voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en
voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 5.32
Lid 1
De emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, worden gecontroleerd volgens het controleregime, bedoeld in tabel 5.32.
Lid 2
De controle van emissies wordt gebaseerd op de grootte van de storingsfactor, bedoeld in tabel 5.32.
Lid 3
De storingsfactor wordt berekend door de helft van de storingsemissie te delen door de ondergrens, uitgedrukt in kilogram per jaar.
Lid 4
De storingsemissie is de toename van de vracht van de emissie, uitgedrukt in gram per uur, bij het falen van een reinigingstechniek of procesgeïntegreerde maatregel, en wordt berekend als het verschil tussen de ongereinigde massastroom en de massastroom, berekend uit het debiet, vermenigvuldigd met de geldende emissiegrenswaarde.
Lid 5
In afwijking van het tweede lid is controleregime 4 van toepassing op stoffen in stofklasse ERS.
Lid 6
Bij een emissierelevante parameter wordt aangetoond:
welke emissierelevante parameters de emissies van een specifieke component controleren; en
binnen welke grenzen de emissierelevante parameters voldoen aan de emissiegrenswaarden.
Storingsfactor
Controle-regime
Controlevormen
Minder dan 3
Emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 3, maar minder dan 30
1
Meting eenmalig en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 30, maar minder dan 300
2
Meting 1 keer per 3 jaar en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 300, maar minder dan 3.000
3
Meting 1 keer per jaar en emissierelevante parameters categorie B
Gelijk aan of meer dan 3.000
4
Continue meting of emissierelevante parameters categorie A of meting twee keer per jaar en emissierelevante parameters categorie B
Artikel 5.33
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 5.31 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 5.34
De emissies van verbrandingsprocessen worden omgerekend naar afgas met een volumegehalte aan zuurstof van:
6% bij een stookinstallatie met vaste brandstof; of
3% bij een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof.
Artikel 5.35
Lid 1
Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.
Lid 2
Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 5.36.
Lid 3
De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
Artikel 5.36
Lid 1
Een continue meting bestaat uit:
een rechtstreekse continue meting van de concentratie in het afgas; of
een continue meting van de parameters van de voor de installatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.
Lid 2
Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de halfuursgemiddelden of etmaalgemiddelden, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 5.36.
Lid 3
De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
Tabel 5.36 MeetonzekerheidStof
Percentage meetonzekerheid
Zwaveldioxide
20
Stikstofoxide
20
Totaal stof
30
Debiet
20
Overig
40
Artikel 5.37
Lid 1
Het resultaat van de individuele meting overschrijdt de emissiegrenswaarde niet.
Lid 2
De daggemiddelde waarde van de emissieconcentratie, bepaald op basis van het resultaat van continue metingen, is niet meer dan de emissiegrenswaarde.
Lid 3
De halfuurgemiddelde waarden, als resultaat van continue metingen, zijn niet meer dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.
Artikel 5.38
Lid 1
De resultaten van emissiemetingen of controles van emissierelevante parameters worden vastgelegd in een rapport.
Lid 2
De resultaten van emissiemetingen worden:
gerapporteerd bij condities van de lucht bij een temperatuur van 273 K, 101,3 kPa en betrokken op droge lucht voor temperatuur en druk, en bij droog afgas; en
gecorrigeerd voor de meetonzekerheid.
Artikel 5.38a
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 5.38b
Lid 1
Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride en ammoniak en voor de stofklassen ERS, S en sA.3, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op emissies naar de lucht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum gelden in dat geval de emissiegrenswaarden voor stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en voor de stofklassen ERS, S en sA.3 zoals opgenomen in tabel 5.38b.
Lid 2
Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op de emissie naar de lucht van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum geldt in dat geval voor deze stoffen een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.
Tabel 5.38b EmissiegrenswaardenStof of stofklasse
Emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm3of mg/Nm3
Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar
Stikstofoxide
200 mg/Nm3
1.000 kg/jaar
Waterstofchloride
3 mg/Nm3
7,5 kg/jaar
Waterstoffluoride
3 mg/Nm3
7,5 kg/jaar
Ammoniak
30 mg/Nm3
75 kg/jaar
ERS
0,1 ng TEQ/Nm3
20 mg TEQ/jaar
S
5 mg/Nm3
100 kg/jaar
sA.3
5 mg/Nm3
5 kg/jaar
Artikel 5.39
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in bijlage VIII.
Lid 2
Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan 50 dB(A) over de periode van 07.00 tot 19.00 uur, 45 dB(A) over de periode van 19.00 tot 23.00 uur en 40 dB(A) over de periode van 23.00 tot 07.00 uur.
Artikel 5.40
De activiteit wordt niet verricht buiten een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
Artikel 5.41
Artikel 5.40 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht op een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat rondom dat industrieterrein op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, of op grond van artikel 2.12a, eerste lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, en dat besluit in werking is getreden.