Hoofdstuk 16. Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren

Artikel 16.1

Dit hoofdstuk gaat over:

  1. wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3/jaar water of voor de openbare drinkwatervoorziening voor zover het gaat om:

    1. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of

    2. het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; en

  2. ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk.

Artikel 16.2

Lid 1

De regels in paragraaf 16.2.1 over wateronttrekkingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op:

  1. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

  2. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

  3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

Lid 2

De regels in paragraaf 16.2.2 over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.

Artikel 16.3

Deze paragraaf is van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3/jaar water of voor de openbare drinkwatervoorziening, voor zover het gaat om:

  1. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of

  2. het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.

Artikel 16.4

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een wateronttrekkingsactiviteit te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.3.

Artikel 16.5

In de omgevingsverordening kan met het oog op het doelmatig waterbeheer worden afgeweken van de aanwijzing van de vergunningplichtige gevallen, bedoeld in artikel 16.4, voor zover het gaat om wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen.

Artikel 16.6

Deze paragraaf is van toepassing op ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk.

Artikel 16.7

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6, voor zover het gaat om het ontgronden voor:

  1. een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als:

    1. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    2. niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven; en

    3. deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam;

  2. een natuurvriendelijke oever van ten hoogste 10 m uit de insteek van de watergang;

  3. een ander natuurbouwproject, als grondlagen dieper dan 0,5 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

  4. een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

  5. het aanleggen, in stand houden, veranderen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;

  6. het bouwen, in stand houden of slopen van een bouwwerk;

  7. het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om:

    1. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder;

    2. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, weg, spoorweg of luchthaven;

  8. het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als:

    1. de locatie van ontgronding is opgenomen in dat plan, dat besluit of die vergunning;

    2. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en

    3. niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven;

  9. het onderhouden van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder; of

  10. het aanleggen, onderhouden of veranderen van een watergang door een ander dan door of namens de waterbeheerder, als:

    1. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en

    2. de watergang een bovenbreedte heeft van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m, en, als een peilbesluit is vastgesteld, een diepte van niet meer dan 1 m onder dat peil.

Artikel 16.8

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6, voor zover het gaat om het ontgronden voor:

  1. het treffen van een maatregel in verband met een verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam die is opgenomen in:

    1. een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet; of

    2. het nationaal waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet; of

  2. het treffen van een maatregel die is opgenomen in een inrichtingsprogramma.

Lid 2

Het eerste lid geldt niet voor het ontgronden om het bodemmateriaal dat voor die maatregelen nodig is, te verkrijgen.

Artikel 16.9

Lid 1

Er kan worden afgeweken van de aanwijzing van de vergunningvrije gevallen, bedoeld in artikel 16.7.

Lid 2

Een aanvullend verbod of vergunningvrij geval kan worden opgenomen in de omgevingsverordening, als dat doelmatig en doeltreffend is.