Hoofdstuk 14. Activiteiten die werelderfgoed betreffen
Artikel 14.1
Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die werelderfgoed betreffen.
Artikel 14.2
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.
Artikel 14.3
Tenzij in de artikelen 14.4 of 14.5 anders is bepaald, is voor een activiteit die werelderfgoed betreft het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.
Artikel 14.4
Voor een activiteit die werelderfgoed betreft die geheel of in hoofdzaak wordt verricht in de territoriale zee die buiten een gemeente ligt, is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.
Artikel 14.5
Voor een activiteit die werelderfgoed betreft, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.
Artikel 14.6
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 14.7
Degene die een activiteit verricht die werelderfgoed betreft en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van werelderfgoed of een onderdeel daarvan, is, voor zover dit de uitzonderlijke universele waarde raakt, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.
Artikel 14.8
Lid 1
Een maatwerkregel kan in het omgevingsplan worden gesteld over artikel 14.7.
Lid 2
Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 14.2.
Artikel 14.9
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 14.7.
Lid 2
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 14.2.