Afdeling 8.1. Algemeen

Artikel 8.1

Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk.

Artikel 8.2

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg behoort.

Artikel 8.3

Tenzij in artikel 8.4 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

  1. waaraan een melding wordt gedaan;

  2. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  3. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 8.4

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag:

  1. waaraan een melding wordt gedaan;

  2. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  3. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 8.5

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 8.6

Lid 1

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 8.2, is verplicht:

  1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Lid 2

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

  1. het veilig en doelmatig gebruik van wegen wordt verzekerd; en

  2. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 8.7

Lid 1

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 8.6, 8.11 en 8.12 en afdeling 8.2, met uitzondering van bepalingen:

  1. waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk wordt bepaald; en

  2. over meldingen.

Lid 2

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 8.11 en 8.12 en afdeling 8.2, tenzij anders is bepaald.

Lid 3

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Lid 4

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel in artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.8

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  1. de aanduiding van de activiteit;

  2. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  3. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  4. de dagtekening.

Artikel 8.9

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1, worden die ondertekend en voorzien van:

  1. de aanduiding van de activiteit;

  2. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  3. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  4. de dagtekening.

Artikel 8.10

Lid 1

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 8.8 en 8.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 8.11

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 8.12

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 8.1:

  1. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

  2. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

  3. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 8.13

Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 8.11 en 8.12 niet versoepeld.

Artikel 8.14

Lid 1

Met het oog op het belang van verruiming of wijziging van een weg in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot die weg is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van die weg door of namens de wegbeheerder.

Lid 2

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.