Afdeling 7.1. Algemeen

Wordt genoemd in:

Artikel 7.1

Lid 1

Dit hoofdstuk gaat over de volgende activiteiten in de Noordzee:

  1. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk;

  2. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk;

  3. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam;

  4. stortingsactiviteiten op zee;

  5. ontgrondingsactiviteiten;

  6. mijnbouwlocatieactiviteiten; en

  7. wateronttrekkingsactiviteiten.

Lid 2

Dit hoofdstuk gaat niet over:

  1. lozingsactiviteiten aan boord van vaartuigen of luchtvaartuigen in zee, voor zover die activiteiten samenhangen met of voortvloeien uit het normale gebruik van het vaartuig of luchtvaartuig en dat gebruik niet als doel heeft het zich ontdoen van stoffen; en

  2. activiteiten aan boord van vaartuigen of drijvende werktuigen die in gebruik zijn voor het uitoefenen van defensietaken, ongeacht hun nationaliteit.

Artikel 7.2

Lid 1

De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en stortingsactiviteiten op zee zijn gesteld met het oog op:

  1. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

  2. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

  3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid zijn de regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvinden buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

Lid 3

De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

Lid 4

De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:

  1. het waarborgen van de veiligheid; en

  2. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Lid 5

De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.

Artikel 7.3

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk, een stortingsactiviteit op zee, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een ontgrondingsactiviteit en een wateronttrekkingsactiviteit is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

  1. waaraan een melding wordt gedaan;

  2. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  3. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 7.4

Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk en een mijnbouwlocatieactiviteit is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:

  1. waaraan een melding wordt gedaan;

  2. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  3. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 7.5

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 7.6

Lid 1

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 7.2, is verplicht:

  1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Lid 2

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  1. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;

  2. nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen;

  3. na beëindiging van een activiteit het deel van het waterstaatswerk dat is gebruikt zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;

  4. het waterstaatswerk tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor het bevoegd gezag; en

  5. het gebruikte materiaal en materieel op tijd wordt verwijderd als overstroming of wegslag hiervan dreigt.

Lid 3

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:

  1. de veilige en vlotte doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd;

  2. de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd; en

  3. geen hinder voor navigatieapparatuur wordt veroorzaakt.

Lid 4

Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van installaties in een waterstaatswerk worden voorkomen.

Lid 5

Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  1. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

  2. de beste beschikbare technieken worden toegepast;

  3. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;

  4. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;

  5. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam doelmatig kunnen worden bemonsterd;

  6. metingen representatief zijn; en

  7. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

Lid 6

Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  1. het belang van de scheepvaartveiligheid is gewaarborgd; en

  2. de belangen van het uitoefenen van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van de daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd.

Lid 7

Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat:

  1. het belang van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark is gewaarborgd; en

  2. zichthinder veroorzaakt door nieuwe mijnbouwinstallaties wordt geminimaliseerd.

Lid 8

Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.

Artikel 7.7

Lid 1

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 7.6, 7.12 en 7.13 en afdeling 7.2, met uitzondering van bepalingen:

  1. waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten, stortingsactiviteiten, lozingsactiviteiten, ontgrondingsactiviteiten of mijnbouwlocatieactiviteiten wordt bepaald; en

  2. over meldingen.

Lid 2

Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 7.12 en 7.13 en afdeling 7.2, tenzij anders is bepaald.

Lid 3

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 7.6, vijfde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:

  1. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en

  2. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.

Lid 4

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Lid 5

De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:

  1. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk: artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;

  2. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk: artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;

  3. als het gaat om een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam: de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;

  4. als het gaat om een stortingsactiviteit op zee: de artikelen 8.84, 8.87 en 8.99, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;

  5. als het gaat om een mijnbouwlocatieactiviteit: artikel 8.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  6. als het gaat om een wateronttrekkingsactiviteit: de artikelen 8.84 en 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit.

Lid 6

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkschrift zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.84 en 8.87 van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.8

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  1. de aanduiding van de activiteit;

  2. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  3. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  4. de dagtekening.

Artikel 7.9

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:

  1. de aanduiding van de activiteit;

  2. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  3. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  4. de dagtekening.

Artikel 7.10

Lid 1

Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 7.8 en 7.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.

Artikel 7.11

Lid 1

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, worden over lozingsactiviteiten als bedoeld in artikel 7.1 de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit.

Lid 2

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 7.12

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3 of 7.4, en het Kustwachtcentrum worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 7.13

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3 of 7.4, en aan het Kustwachtcentrum:

  1. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

  2. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

  3. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 7.14

Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 7.12 en 7.13 niet versoepeld.

Artikel 7.15

Lid 1

Met het oog op het belang van wijziging van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot dat waterstaatswerk is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de wijziging van dat waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.

Lid 2

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.