Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Artikel 60
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de nabestaande en ouderloos geworden kinderen van de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kunnen maken ter zake van het overlijden van de verzekerde, houdt de rechter rekening met de aanspraken op uitkeringen, die de nabestaande en het ouderloos kind op grond van deze wet hebben.
Artikel 61
Lid 1
De Sociale verzekeringsbank heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van het overlijden van de verzekerde, jegens diens nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken op grond van deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijk persoon jegens de nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht is gehouden.
Lid 2
De Sociale verzekeringsbank kan in plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen in de vorm van een jaarlijks vast te stellen afkoopsom die aan de Sociale verzekeringsbank wordt vergoed voor de totale schadelast ten gevolge van het veroorzaken van overlijden.
Artikel 62
Lid 1
Indien de verzekerde bij zijn overlijden in dienstbetrekking werkzaam was, geldt artikel 61, ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte persoon, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wiens nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien het overlijden van de verzekerde is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk persoon.
Lid 2
Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990.