Hoofdstuk 3. De uitkeringen

Artikel 14

Lid 1

Recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:

  1. een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of

  2. arbeidsongeschikt is

    1. op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde, of

    2. op en sedert de laatste dag van de maand waarin hij niet meer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in onderdeel a, en wiens arbeidsongeschiktheid na de onderscheidenlijk onder 1° en 2° bedoelde dag ten minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na de vorenbedoelde dag zal voortduren.

Lid 2

Het recht op nabestaandenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand van overlijden van de verzekerde.

Lid 3

Voor de nabestaande die op de dag van overlijden van de verzekerde niet voldoet aan de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, omdat het kind op het moment van overlijden tot het huishouden van een ander behoort, gaat het recht op nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de maand waarin hij als gevolg van het overlijden wel aan die voorwaarde voldoet.

Lid 4

Voor de nabestaande die geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel d, gaat het recht op een nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het overlijden van de verzekerde, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.

Lid 5

De Sociale verzekeringsbank kan, in afwijking van het vierde lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 15

Lid 1

Geen recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande:

  1. wiens echtgenoot is overleden binnen een jaar, nadat hij met die echtgenoot is gehuwd en de gezondheidstoestand ten tijde van de huwelijkssluiting zulks redelijkerwijs moest doen verwachten; of

  2. indien de echtgenoot binnen een jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang van de verzekering zulks redelijkerwijs moest doen verwachten; of

  3. indien de echtgenoot door de nabestaande of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd.

  4. die een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende;

  5. die al recht op een nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft en die nadien wederom nabestaande is geworden als gevolg van het overlijden van de hulpbehoevende met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde ten behoeve van de verzorging van die hulpbehoevende.

Lid 2

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13, derde lid, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid, die tussen Nederland en een of meer mogendheden van kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels worden gesteld.

Lid 3

Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat, indien de echtgenoot overlijdt op of na de dag waarop de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Lid 4

De onderdelen a en b van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de nabestaande, zo hij niet opnieuw zou zijn gehuwd, recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad.

Artikel 16

Lid 1

Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien:

  1. niet langer aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b, wordt voldaan; of

  2. de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; of

  3. de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Lid 2

Het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoen, maar in geval van onderdeel c met ingang van de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt.

Lid 3

Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid, onderdeel b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is geëindigd herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.

Lid 4

De Sociale verzekeringsbank kan, in afwijking van het derde lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 17

Lid 1

De bruto-nabestaandenuitkering wordt op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van het netto-minimumloon.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid wordt de bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande, zolang hij een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende voert, op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon.

Lid 3

De bruto-nabestaandenuitkering bedraagt voor een nabestaande die woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste, tweede of vijfde lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

Lid 4

De bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande bedoeld in artikel 4 is niet hoger dan de door de overleden verzekerde aan de nabestaande verschuldigde uitkering tot levensonderhoud van de nabestaande.

Lid 5

In afwijking van het eerste lid wordt de bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon.

Lid 6

Het vijfde lid is niet van toepassing op nabestaanden die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.

Lid 7

Tot de personen, bedoeld in het vijfde lid, worden niet gerekend:

  1. de persoon die de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt,

  2. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de nabestaande, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de nabestaande, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de nabestaande zijn hoofdverblijf heeft,

  3. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de nabestaande zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de nabestaande een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger, en

  4. de persoon:

    1. die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 kan bestaan en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering;

    2. die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die tegemoetkoming;

    3. die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt;

    4. die een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld onder 1° tot en met 3° volgt buiten Nederland, waarbij voor onder 1° en 2° geldt dat hij bij op enig moment tijdens dat onderwijs jonger dan 30 jaar is of in de maand van aanvang de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.

Lid 8

Op verzoek van de Sociale verzekeringsbank legt de nabestaande de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.

Artikel 18

Lid 1

Op de nabestaandenuitkering wordt inkomen in mindering gebracht.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid wordt van het inkomen uit arbeid buiten aanmerking gelaten:

  1. een bedrag gelijk aan 50% van het bruto-minimumloon, alsmede

  2. voor zover het inkomen uit arbeid meer bedraagt dan het in onderdeel a bedoelde bedrag, een derde gedeelte van dat meerdere.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid wordt in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:

  1. X staat voor het aantal dagen gelegen in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, voordat de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt, en

  2. Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Lid 4

Voor een nabestaande die woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, wordt, in afwijking van het tweede lid, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van dat lid vastgestelde bedrag buiten aanmerking gelaten. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

Artikel 19

Lid 1

De nabestaandenuitkering wordt bij wijziging van het inkomen herzien. Deze herziening gaat in op de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet.

Lid 2

Indien wijziging van andere omstandigheden dan wijziging van het inkomen leidt tot een lagere uitkering, gaat die herziening in met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin die wijziging zich voordoet. Indien dit leidt tot een hogere uitkering, gaat die herziening in op de dag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 20

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor samenloop van uitkering ingevolge deze wet met uitkering aan nagelaten betrekkingen ingevolge de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie.

Artikel 21

Lid 1

Indien in een pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of worden opgenomen krachtens welke op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk met een uitkering ingevolge dit hoofdstuk rekening wordt gehouden, dient bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden genomen, dat een verhoging van de uitkering ingevolge deze wet als gevolg van de artikelen 17 en 29, welke plaatsvindt na ingang van een pensioen of na het verkrijgen van een recht op uitgesteld pensioen, buiten beschouwing blijft.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op pensioenregelingen waarin bepalingen zijn opgenomen volgens welke een uitkering ingevolge deze wet en de premievrije aanspraken of het pensioen van die regeling tezamen na beëindiging van de actieve deelneming jaarlijks ten minste worden verhoogd met het percentage van de in het eerste lid bedoelde verhoging van de uitkering of het percentage van de loon- of prijsontwikkeling.

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Lid 1

Recht op een wezenuitkering heeft een kind dat door het overlijden van een verzekerde ouderloos is geworden, zolang het de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt.

Lid 2

Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een kind dat de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt gelijkgesteld:

  1. een kind van 16 of 17 jaar ten aanzien van wie is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, dan wel een van de vrijstellingen van die verplichtingen op grond van die wet van toepassing is;

  2. een kind van 16 of 17 jaar dat na het behalen van een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten dan wel een vervolgstudie volgt;

  3. een kind van 18 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat als leerling, vavo-student of student als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs staat ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 en deze geregeld bezoekt of een vervolgstudie volgt;

  4. een ongehuwd kind van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 heeft behaald dan wel op wie een van de vrijstellingen als bedoeld in onderdeel a van toepassing zijn geweest of zouden zijn geweest en wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het verzorgen van zijn huishouden, waartoe overigens ten minste een kind dat recht heeft op wezenuitkering, behoort.

Lid 3

Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, wordt mede als ongehuwd aangemerkt het kind dat een gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende indien de overledene voor diens overlijden een huishouden met de hulpbehoevende is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen of indien het kind na het overlijden van de verzekerde een huishouding is gaan voeren met een hulpbehoevende met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen.

Lid 4

Het recht op wezenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin het kind ouderloos is geworden en aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.

Lid 5

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid.

Lid 6

Het niet voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, blijkt uit een daartoe strekkende mededeling van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het kind woont.

Artikel 26a

Vervallen

Artikel 27

Lid 1

Geen recht op wezenuitkering bestaat, indien:

  1. de verzekerde binnen een jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang van de verzekering zulks redelijkerwijs moest doen verwachten; of

  2. de verzekerde door het ouderloos kind of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd.

Lid 2

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13, derde lid, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid, die tussen Nederland en een of meer mogendheden van kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels worden gesteld.

Artikel 28

Lid 1

Het recht op wezenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin niet langer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een wezenuitkering, bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, wordt voldaan.

Lid 2

Het recht op wezenuitkering herleeft met ingang van de eerste dag van de maand, waarin het kind weer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een wezenuitkering voldoet.

Lid 3

Een kind wordt niet langer als ouderloos aangemerkt:

  1. in geval van erkenning van het kind; of

  2. wanneer het wordt geadopteerd met ingang van de dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Lid 4

Ontkenning van het door erkenning ontstane vaderschap doet het recht op wezenuitkering, zo dit nog zou hebben bestaan indien geen erkenning had plaatsgevonden, herleven met ingang van de dag, waarop de beschikking waarbij de ontkenning is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan.

Lid 5

Herroeping van adoptie als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet het recht, zo dit nog zou hebben bestaan, indien geen adoptie zou hebben plaatsgevonden, herleven met ingang van de dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 29

Lid 1

De bruto-wezenuitkering is gelijk aan een percentage van het bruto-bedrag behorend bij de nabestaandenuitkering bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Lid 2

Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt voor een kind dat op de eerste dag van een kalendermaand

  1. jonger is dan 10 jaar: 32,

  2. 10 jaar of ouder doch jonger dan 16 jaar is: 48, en

  3. 16 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar is: 64.

Lid 3

De bruto-wezenuitkering bedraagt voor een kind dat woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

Artikel 29a

Lid 1

Degene die een nabestaandenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een tegemoetkoming.

Lid 2

Degene die een wezenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een tegemoetkoming.

Lid 3

De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet beschouwd als een nabestaandenuitkering of wezenuitkering op grond van deze wet, behoudens voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, en afdeling II van hoofdstuk 3.

Lid 4

Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte, de indexering en de wijze van betaling van de tegemoetkoming.

Lid 6

De tegemoetkoming bedraagt indien de nabestaande of de wees woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste tot en met vijfde lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande of wees woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

Lid 7

De tegemoetkoming is niet vatbaar voor beslag.

Artikel 30

Recht op vakantie-uitkering over een maand heeft degene die over die maand recht heeft op een nabestaandenuitkering of op een wezenuitkering.

Artikel 31

Lid 1

De bruto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering, wordt zodanig vastgesteld, dat de netto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van de netto-minimum-vakantiebijslag per maand.

Lid 2

De bruto-vakantie-uitkering over de wezenuitkering bedraagt een bepaald percentage van bruto-bedragen vastgesteld op grond van het eerste lid.

Lid 3

Voor de vaststelling van het in het tweede lid bedoelde percentage is artikel 29, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32

Lid 1

Indien de nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 17, tweede, derde, vierde of vijfde lid, 18, 67 of 70, eerste lid, wordt verminderd dan wel anderszins op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt op de vakantie-uitkering een evenredige vermindering toegepast dan wel de vakantie-uitkering evenredig verlaagd.

Lid 2

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de berekening van de vakantie-uitkering van degene, wiens uitkering met toepassing van artikel 20 is verminderd en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van een andere mogendheid geen recht heeft op een vakantie-uitkering ingevolge die wetgeving.

Lid 3

Indien de wezenuitkering met toepassing van artikel 29, derde lid, op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag, bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, wordt de vakantie-uitkering evenredig verlaagd.

Artikel 32a

Lid 1

Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij op de dag van het overlijden van de verzekerde niet in Nederland woont. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde niet in Nederland woont.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing indien de nabestaande onderscheidenlijk het kind op de dag van het overlijden van de verzekerde woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op nabestaandenuitkering onderscheidenlijk wezenuitkering kan bestaan.

Lid 3

Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel 15 of 27, recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat:

  1. de nabestaande in Nederland woont en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden bedoeld in artikel 66a, tweede lid;

  2. het kind in Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.

Lid 4

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de nabestaande onderscheidenlijk het kind niet in Nederland wonen, vanaf de dag dat betrokkene in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op nabestaandenuitkering onderscheidenlijk wezenuitkering kan bestaan.

Lid 5

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering ontstaat voor:

  1. de nabestaande of het kind, indien de nabestaande of het kind werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;

  2. de nabestaande of het kind, indien de nabestaande of het kind in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of

  3. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde nabestaande of het kind.

Artikel 32b

Lid 1

Het recht op nabestaandenuitkering eindigt op de eerste dag dat de nabestaande niet in Nederland woont. Het recht op wezenuitkering eindigt op de eerste dag dat het kind niet in Nederland woont.

Lid 2

Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel 15 of 27, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat:

  1. de nabestaande in Nederland woont en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden bedoeld in artikel 66a, tweede lid;

  2. het kind in Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.

Lid 3

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien de nabestaande onderscheidenlijk het kind niet in Nederland wonen, vanaf de dag dat betrokkene in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op nabestaandenuitkering onderscheidenlijk wezenuitkering kan bestaan.

Lid 4

Artikel 32a, tweede en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32c

Lid 1

Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem op de dag van het overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag na afloop van de toepassing van artikel 32e met betrekking tot dat recht op uitkering, rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag na afloop van de toepassing van artikel 32e met betrekking tot dat recht op uitkering, rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Lid 2

Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel 15 of 27, recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat:

  1. de nabestaande in vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;

  2. het kind in vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.

Artikel 32d

Lid 1

Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Het recht op wezenuitkering eindigt, indien het kind rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.

Lid 2

Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel 15 of 27, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat:

  1. de nabestaande in vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;

  2. het kind in vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.

Lid 3

Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Lid 4

Artikel 32c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

Het recht op nabestaandenuitkering, respectievelijk het recht op wezenuitkering eindigt, in afwijking van het eerste lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat, indien op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht bestaat op die uitkering op grond van artikel 32f, eerste lid.

Artikel 32e

Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien en voor zolang hij zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien en voor zolang het zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

Artikel 32f

Lid 1

Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

Lid 2

Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel 15, 27 of 32d, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat:

  1. de nabestaande zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;

  2. het kind zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.

Artikel 32g

Lid 1

Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij op de dag van het overlijden van de verzekerde een uitreiziger is. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde een uitreiziger is.

Lid 2

Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel 15, 27, 32d of 32h, recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat:

  1. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat de nabestaande zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;

  2. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in het eerste lid, eerste zin, en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.

Lid 3

Voor het tweede lid is artikel 33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32h

Lid 1

Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande, nadat het recht op nabestaandenuitkering is ingegaan, een uitreiziger is. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind, nadat het recht op wezenuitkering is ingegaan, een uitreiziger is.

Lid 2

Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel 15, 27, 32d of 32f, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat:

  1. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat de nabestaande zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;

  2. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.

Lid 3

Voor het tweede lid is artikel 33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of recht op nabestaanden- of wezenuitkering bestaat.

Lid 2

De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

Lid 3

Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld formulier.

Lid 4

Het recht op uitkering wordt niet vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaand aan de dag waarop de Sociale verzekeringsbank de aanvraag om uitkering heeft ontvangen. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin.

Artikel 34

Lid 1

Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:

  1. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 35, 36, tweede lid, of 37 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

  2. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

  3. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 35, 35a, 36, tweede lid, of 37 er toe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

Lid 2

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 35

Lid 1

De nabestaande, het ouderloos kind en zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt uitbetaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Lid 2

Op verzoek van de Sociale verzekeringsbank legt de meerderjarige persoon die in dezelfde woning als de nabestaande zijn hoofdverblijf heeft, als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, desgevraagd alle gegevens en inlichtingen over die voor de beoordeling van de aanspraak op uitkering van belang kunnen zijn.

Artikel 35a

In aanvulling op artikel 35 kan de Sociale verzekeringsbank de nabestaande dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger respectievelijk het ouderloos kind dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verzoeken aan te tonen dat:

  1. de nabestaande geen gezamenlijke huishouding voert anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende;

  2. het kind, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel d, ongehuwd is en dat tot zijn huishouden ten minste een ander kind behoort dat recht heeft op een wezenuitkering;

  3. de feitelijke woonsituatie van de nabestaande of van een ouderloos kind in overeenstemming is met het verstrekte adres van die nabestaande of van dat ouderloos kind.

Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan de Sociale verzekeringsbank bij die verzoeken aanbieden met de toestemming van de nabestaande, het ouderloos kind dan wel de wettelijke vertegenwoordiger de woning van de nabestaande respectievelijk het ouderloos kind binnen te treden.

Artikel 36

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.

Lid 2

De nabestaande, het ouderloos kind dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger of de instelling waaraan op grond van artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan de Sociale verzekeringsbank desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Lid 3

De nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijk vertegenwoordiger, onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.

Artikel 37

Voor de toepassing van de artikelen 5, tweede lid, 11, 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 26, tweede lid, aanhef en onderdeel b, dan wel om te bepalen of een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende wordt gevoerd, onderwerpt de betrokken persoon zich op verzoek van de Sociale verzekeringsbank aan een geneeskundig onderzoek.

Artikel 38

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting op grond van artikel 36, tweede of derde lid, of 37 opgelegd, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 35, niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.

Lid 2

Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Lid 3

De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een zodanige waarschuwing is gegeven.

Lid 4

De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Lid 5

Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 39 wordt opgelegd.

Lid 6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 39

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Lid 2

In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is verleend.

Lid 3

Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Lid 4

De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaats vindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een zodanige waarschuwing is gegeven.

Lid 5

De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.

Lid 6

In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Lid 7

De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Lid 8

Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.

Lid 9

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

Lid 10

In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.

Lid 11

Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Artikel 55a, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 12

Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het elfde lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan.

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel 45, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, met een uitkering op grond van deze wet, kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.

Lid 2

Onverminderd het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft.

Lid 3

Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet.

Lid 4

De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.

Lid 5

Zolang de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn verplichting, bedoeld in artikel 39, achtste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:

  1. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;

  2. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.

Artikel 45a

Vervallen

Artikel 46

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat.

Lid 2

De betaling bedoeld in het eerste lid geschiedt in de regel per maand.

Lid 3

De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op of schorst de betaling indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft, dat:

  1. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat; of

  2. recht op een lagere uitkering bestaat; of

  3. de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger dan wel de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, een verplichting bedoeld in artikel 35, 35a, 36, tweede lid, of 37 niet is nagekomen.

Lid 4

De Sociale verzekeringsbank stelt de betrokken persoon of instelling onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing bedoeld in het derde lid.

Artikel 46a

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op indien degene aan wie een uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

Lid 2

De betaling van de uitkering wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het de Bank is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.

Artikel 46b

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op, indien blijkt dat het door de nabestaande verstrekte adres van hemzelf of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen staat ingeschreven.

Lid 2

Geen opschorting vindt plaats:

  1. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering;

  2. indien de nabestaande van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Lid 3

De Sociale verzekeringsbank doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de nabestaande.

Lid 4

De opschorting wordt beëindigd zodra het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat.

Artikel 47

Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de nog niet vastgestelde uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze wet.

Artikel 48

Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.

Artikel 49

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank is bevoegd, voor zover nodig na ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, de wezenuitkering betaalbaar te stellen aan een ander dan de wettelijke vertegenwoordiger van het kind.

Lid 2

Indien de rechthebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger nalaat een aanvraag om wezenuitkering in te dienen, kan deze aanvraag geschieden door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de wezenuitkering betaalbaar kan worden gesteld.

Artikel 50

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank betaalt, voor zover niet reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking van artikel 46 jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden, of indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op uitkering op grond van deze wet recht op uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontstaat.

Lid 2

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de betaling van de vakantie-uitkering.

Artikel 51

Lid 1

Na het overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na overlijden nabestaandenuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:

  1. aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

  2. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde kinderen aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde.

Lid 2

De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de nabestaandenuitkering over één maand, berekend naar de hoogte van die uitkering in de maand van overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend.

Lid 3

De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden door de Sociale verzekeringsbank uitbetaald.

Lid 4

De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.

Lid 5

Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan nabestaandenuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.

Lid 6

De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.

Artikel 52

Een uitkering op grond van deze wet die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald.

Artikel 53

Lid 1

De uitkering op grond van deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald:

  1. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

  2. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

  3. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

  4. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

Lid 3

De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35.

Lid 4

De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:

  1. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en

  2. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35.

Lid 5

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.

Lid 6

Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.

Lid 7

In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.

Artikel 54

Lid 1

De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 53, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.

Lid 2

Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager vaststelt.

Artikel 55

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.

Artikel 55a

Lid 1

In afwijking van artikel 53, eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:

  1. redelijkerwijs te voorzien is dat de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;

  2. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;

  3. een naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;

  4. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en

  5. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 35, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 39 is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.

Lid 3

Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:

  1. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

  2. de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald zijn schuld aan het de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

  3. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Lid 4

Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.

Artikel 55b

Een vordering van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in de artikelen 53 en 55a is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 56

Lid 1

Voor het in ontvangst nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.

Lid 2

Indien de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij de Sociale verzekeringsbank verzet tegen betaling aan de minderjarige wordt de uitkering aan de wettelijke vertegenwoordiger betaald.

Artikel 57

Lid 1

Indien degene, aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de Sociale verzekeringsbank van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.

Lid 2

Indien degene aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Wet langdurige zorg en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

Lid 3

Indien aan degene aan wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend, een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en hij op grond van die wet hiervoor een bijdrage is verschuldigd, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, dat voor de gemeente de bijdrage int.

Lid 4

Indien het tweede of derde lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering dat niet aan de in het tweede of derde lid genoemde instantie wordt uitbetaald.

Lid 5

Een herziening van een uitkering op grond van het tweede en derde lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

Lid 1

De uitkering is

  1. onvervreemdbaar,

  2. niet vatbaar voor verpanding of belening.

Lid 2

Volmacht tot ontvangst van uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.

Lid 3

Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.