Afdeling III. De betaling van de uitkering
Artikel 46
Lid 1
De Sociale verzekeringsbank betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat.
Lid 2
De betaling bedoeld in het eerste lid geschiedt in de regel per maand.
Lid 3
De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op of schorst de betaling indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft, dat:
het recht op uitkering niet of niet meer bestaat; of
recht op een lagere uitkering bestaat; of
de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger dan wel de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, een verplichting bedoeld in artikel 35, 35a, 36, tweede lid, of 37 niet is nagekomen.
Lid 4
De Sociale verzekeringsbank stelt de betrokken persoon of instelling onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing bedoeld in het derde lid.
Artikel 46a
Lid 1
De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op indien degene aan wie een uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
Lid 2
De betaling van de uitkering wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het de Bank is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.
Artikel 46b
Lid 1
De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op, indien blijkt dat het door de nabestaande verstrekte adres van hemzelf of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen staat ingeschreven.
Lid 2
Geen opschorting vindt plaats:
indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering;
indien de nabestaande van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
Lid 3
De Sociale verzekeringsbank doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de nabestaande.
Lid 4
De opschorting wordt beëindigd zodra het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat.
Artikel 47
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de nog niet vastgestelde uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze wet.
Artikel 48
Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
Artikel 49
Lid 1
De Sociale verzekeringsbank is bevoegd, voor zover nodig na ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, de wezenuitkering betaalbaar te stellen aan een ander dan de wettelijke vertegenwoordiger van het kind.
Lid 2
Indien de rechthebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger nalaat een aanvraag om wezenuitkering in te dienen, kan deze aanvraag geschieden door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de wezenuitkering betaalbaar kan worden gesteld.
Artikel 50
Lid 1
De Sociale verzekeringsbank betaalt, voor zover niet reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking van artikel 46 jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden, of indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op uitkering op grond van deze wet recht op uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontstaat.
Lid 2
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de betaling van de vakantie-uitkering.
Artikel 51
Lid 1
Na het overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na overlijden nabestaandenuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde kinderen aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde.
Lid 2
De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de nabestaandenuitkering over één maand, berekend naar de hoogte van die uitkering in de maand van overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend.
Lid 3
De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden door de Sociale verzekeringsbank uitbetaald.
Lid 4
De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
Lid 5
Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan nabestaandenuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
Lid 6
De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.
Artikel 52
Een uitkering op grond van deze wet die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald.
Artikel 53
Lid 1
De uitkering op grond van deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald:
gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
Lid 3
De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35.
Lid 4
De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35.
Lid 5
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
Lid 6
Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
Lid 7
In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 54
Lid 1
De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 53, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
Lid 2
Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Artikel 55
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
Artikel 55a
Lid 1
In afwijking van artikel 53, eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:
redelijkerwijs te voorzien is dat de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
een naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;
aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 35, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 39 is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.
Lid 3
Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:
niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald zijn schuld aan het de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
Lid 4
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Artikel 55b
Een vordering van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in de artikelen 53 en 55a is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 56
Lid 1
Voor het in ontvangst nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
Lid 2
Indien de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij de Sociale verzekeringsbank verzet tegen betaling aan de minderjarige wordt de uitkering aan de wettelijke vertegenwoordiger betaald.
Artikel 57
Lid 1
Indien degene, aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de Sociale verzekeringsbank van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
Lid 2
Indien degene aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Wet langdurige zorg en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
Lid 3
Indien aan degene aan wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend, een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en hij op grond van die wet hiervoor een bijdrage is verschuldigd, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, dat voor de gemeente de bijdrage int.
Lid 4
Indien het tweede of derde lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering dat niet aan de in het tweede of derde lid genoemde instantie wordt uitbetaald.
Lid 5
Een herziening van een uitkering op grond van het tweede en derde lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Artikel 58
Vervallen
Artikel 59
Lid 1
De uitkering is
onvervreemdbaar,
niet vatbaar voor verpanding of belening.
Lid 2
Volmacht tot ontvangst van uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
Lid 3
Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.