Titel VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 165
Lid 1
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 122, vijfde lid, in de praktijk.
Lid 2
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen tien jaar na de inwerkingtreding van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 117, derde lid, en 122d, vijfde lid, onderdeel d, in de praktijk.
Artikel 166
Lid 1
Het bij of krachtens artikel 122k bepaalde, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) blijft gedurende ten hoogste tien jaar van toepassing op de heffingplichtige voor wie de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water is bepaald aan de hand van artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan voornoemd tijdstip, voor zover deze vervuilingswaarde per m3 ingenomen water niet behoorde binnen de klassegrens die leidt tot een afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht.
Lid 2
Voor de in het eerste lid bedoelde heffingplichtige stelt de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, binnen tien jaar na het in het eerste lid bedoelde tijdstip een individuele afvalwatercoëfficiënt vast. Na deze vaststelling is op de desbetreffende heffingplichtige dit artikel niet meer van toepassing.
Lid 3
Dit artikel is tevens niet langer van toepassing indien binnen de in het eerste lid bedoelde periode van ten hoogste tien jaar de in het tweede lid bedoelde vaststelling van de afvalwatercoëfficiënt nog niet heeft plaatsgevonden en door verandering in de bedrijfsomstandigheden vaststelling van een nieuwe afvalwatercoëfficiënt nodig is.
Artikel 167
Vervallen
Artikel 168
Vervallen
Artikel 169
Vervallen
Artikel 170
Vervallen
Artikel 170a
Vervallen
Artikel 171
Vervallen
Artikel 172
Op termijnen gesteld in een verordening van het waterschap zijn de artikelen 1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet (Stb. 1964, 314) van overeenkomstige toepassing, tenzij in de verordening anders is bepaald.
Artikel 173
Artikel 44, vierde tot en met zevende lid, artikel 44a, vierde en vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 48, zesde en zevende lid, is niet van toepassing op het bij inwerkingtreding van die bepaling zittende lid van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter van het dagelijks bestuur van een waterschap, zolang deze zonder onderbreking zijn ambt vervult in hetzelfde waterschap.
Artikel 174
Vervallen
Artikel 175
Vervallen
Artikel 176
Vervallen
Artikel 177
Vervallen
Artikel 178
Vervallen
Artikel 179
Vervallen
Artikel 180
Deze wet kan worden aangehaald als Waterschapswet.