Titel IV. De financiën van het waterschap
Artikel 122c
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
afvalwater: stedelijk afvalwater als bedoeld in de Omgevingswet;
afvoeren: brengen van stoffen op een openbaar vuilwaterriool of op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap;
bedrijfsruimte: naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar vuilwaterriool;
drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;
drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;
hernieuwbare energie: hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 116;
ingenomen water: geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;
openbaar vuilwaterriool: openbaar vuilwaterriool als bedoeld in de Omgevingswet;
primair energiegebruik: primair energiegebruik als bedoeld in artikel 116;
stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;
woonruimte: woonruimte als bedoeld in artikel 116;
zuiveringtechnisch werk: werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool.
Artikel 122d
Lid 1
Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren.
Lid 2
Aan de heffing worden onderworpen:
ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
ter zake van het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die afvoert.
Lid 3
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingplichtig:
in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die door de in artikel 123, derde lid, onderdeel d, bedoelde ambtenaar van het waterschap is aangewezen;
in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
in geval van het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik: degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.
Lid 4
Indien stoffen met behulp van een openbaar vuilwaterriool worden afgevoerd, is degene bij wie dat openbaar vuilwaterriool in beheer is, slechts voor die stoffen die de beheerder zelf op het openbaar vuilwaterriool heeft gebracht aan een heffing onderworpen.
Lid 5
De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:
aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;
aan het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen;
aan het doen van uitgaven ter beperking van de afvoer van hemelwater op een zuiveringtechnisch werk of op een openbaar vuilwaterriool;
aan de bekostiging van maatregelen voor het opwekken van hernieuwbare energie ter compensatie van de uitstoot van broeikasgassen, die vrijkomen als gevolg van de zuivering van afvalwater en die in redelijkheid niet te vermijden zijn. De hoeveelheid op te wekken hernieuwbare energie mag niet hoger zijn dan driemaal het primaire energiegebruik van het betreffende waterschap benodigd voor de zuivering van afvalwater.
Lid 6
Voor de zuivering van ander afvalwater dan bedoeld in artikel 1, tweede lid, kan een waterschap een overeenkomst sluiten met degene die zich van dit afvalwater ontdoet.
Lid 7
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop het primaire energiegebruik wordt bepaald.
Artikel 122e
Voor de heffing geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.
Artikel 122f
Lid 1
Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, waarbij de vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.
Lid 2
Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot:
zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof;
gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink: 1,00 kilogram;
gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium: 0,100 kilogram;
gewichtshoeveelheden van de stof chloride: 650 kilogram;
gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat: 650 kilogram;
gewichtshoeveelheden van de stof fosfor: 20,0 kilogram.
Lid 3
Het algemeen bestuur kan bij verordening met betrekking tot één of meer van de in het tweede lid, onderdelen b tot en met f, genoemde stoffen:
de gewichtshoeveelheid die één vervuilingseenheid vertegenwoordigt, hoger vaststellen dan in het tweede lid is bepaald;
bepalen dat:
zij niet worden onderworpen aan de heffing;
een bepaald aantal vervuilingseenheden niet wordt onderworpen aan de heffing;
vervuilingseenheden niet worden onderworpen aan de heffing, indien het aantal daarvan, na toepassing van de onderdelen a en b, onder 1° en 2°, niet uitgaat boven een bepaald aantal vervuilingseenheden; of
zij niet of niet geheel worden onderworpen aan de heffing als de stof in een bepaalde concentratie aanwezig is.
Artikel 122g
Lid 1
Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van gegevens verkregen door middel van door de heffingplichtige, gedurende elk etmaal van het kalenderjaar ondernomen meting, bemonstering en analyse, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels.
Lid 2
Op aanvraag van de heffingplichtige staat de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, onder nader te stellen voorwaarden toe dat van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in het eerste lid, wordt afgeweken indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan. Dit besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Lid 3
De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid organische koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid stikstof verminderd met de nitriet-stikstof en de nitraat- stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen.
Lid 4
In afwijking van het derde lid, tweede volzin, wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen vastgesteld op lager dan drie onderscheidenlijk hoger dan drie, indien de heffingplichtige op zijn kosten onderscheidenlijk de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, op kosten van het waterschap overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen nadere regels doet blijken dat deze verhouding lager is dan tweeënhalf onderscheidenlijk hoger is dan drieënhalf. Indien blijkt dat die verhouding lager is dan tweeënhalf of hoger is dan drieënhalf wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen gedeeld door tweeënhalf onderscheidenlijk drieënhalf en vermenigvuldigd met drie.
Lid 5
Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels.
Artikel 122h
Lid 1
In afwijking van artikel 122g wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt één vervuilingseenheid.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid kan bij verordening van het algemeen bestuur worden bepaald dat de vervuilingswaarde van de stoffen geheel of gedeeltelijk wordt bepaald aan de hand van de door het drinkwaterbedrijf geleverde hoeveelheid drinkwater en door de betrokken leverancier geleverde hoeveelheid warm tapwater.
Lid 3
De heffing met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde woonruimten wordt geheven over het tijdvak van 12 maanden zoals dat door het betrokken drinkwaterbedrijf bij de levering van drinkwater of door de berokken leverancier bij de levering van warm tapwater ten behoeve van die woonruimten wordt gehanteerd.
Lid 4
Indien het in het derde lid bedoelde tijdvak in twee kalenderjaren is gelegen worden de voor de kalenderjaren geldende tarieven per vervuilingseenheid naar tijdsevenredigheid toegepast.
Lid 5
Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.
Lid 6
Indien in de loop van een kalenderjaar het gebruik van een woonruimte, waarvan de heffing is bepaald op basis van het eerste lid, aanvangt of eindigt, wordt de gebruiker voor een evenredig gedeelte van de op basis van dit lid bepaalde aantal vervuilingseenheden aan de heffing onderworpen.
Artikel 122i
Lid 1
In afwijking van artikel 122g wordt de vervuilingswaarde van de stoffen, die vanuit een bedrijfsruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.
Lid 2
In afwijking van artikel 122g wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, gesteld op drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.
Lid 3
Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het tweede lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van een deel daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor een evenredig gedeelte aan de heffing onderworpen.
Lid 4
Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid van minder dan vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.
Artikel 122j
Het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar kan geheel of gedeeltelijk door middel van schatting worden vastgesteld indien door de heffingplichtige:
de meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel is geschied in overeenstemming met de in artikel 122g bedoelde regels;
het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 122h, eerste lid, 122i, eerste of tweede lid, of 122k, eerste lid of vierde lid, niet mogelijk is;
het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting, bemonstering, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 122k, vierde lid, wel mogelijk is, maar door de heffingplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in dat artikel is gedaan.
Artikel 122k
Lid 1
Indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 122g vastgesteld volgens de formule: A x B, waarbij,
A = het aantal m3 in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;
B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht van de in het derde lid opgenomen tabel of indien de heffingplichtige of de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap doet blijken dat een andere klasse dan acht van toepassing is, de afvalwatercoëfficiënt behorende bij een andere klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.
Lid 2
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water.
Lid 3
De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwatercoëfficiënten:
Klasse
Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water
Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m3 ingenomen water in het heffingsjaar
Ondergrens
Bovengrens
1
> 0
0,0013
0,0010
2
> 0,0013
0,0020
0,0016
3
> 0,0020
0,0031
0,0025
4
> 0,0031
0,0048
0,0039
5
> 0,0048
0,0075
0,0060
6
> 0,0075
0,012
0,0094
7
> 0,012
0,018
0,015
8
> 0,018
0,029
0,023
9
> 0,029
0,045
0,036
10
> 0,045
0,070
0,056
11
> 0,070
0,11
0,088
12
> 0,11
0,17
0,14
13
> 0,17
0,27
0,21
14
> 0,27
0,42
0,33
15
> 0,42
0,5
Lid 4
Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal overeenkomstig artikel 122g is het eerste lid op verzoek van de heffingplichtige van overeenkomstige toepassing.
Artikel 122l
Nadere regels met betrekking tot de zuiveringsheffing kunnen worden gesteld bij verordening van het algemeen bestuur.