Hoofdstuk V. Controleprocedures en sancties

Artikel 16

1.

Indien er in het voertuig geen controleapparaat is geïnstalleerd overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3821/85, zijn de bepalingen in de leden 2 en 3 van dit artikel van toepassing op:

a) 

geregelde diensten van nationaal personenvervoer; en

b) 

geregelde diensten van internationaal personenvervoer, indien het begin‐ en het eindpunt van de lijn zich bevinden binnen een afstand van 50 km hemelsbreed van een grens tussen twee lidstaten, en indien het traject niet langer is dan 100 km.

2.

De vervoersonderneming stelt een dienstregeling en een dienstrooster op, die voor iedere bestuurder de naam, de standplaats alsmede het vooraf vastgestelde rooster moeten bevatten van de verschillende rijperioden, de andere werkzaamheden, de onderbrekingen en de beschikbaarheid.

Iedere bestuurder die een in lid 1 bedoelde dienst onderhoudt, moet een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben.

3.

Het dienstrooster moet:

a) 

alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten voor een periode die minimaal de dag van controle en de voorgaande 56 dagen beslaat; die gegevens moeten met regelmatige tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan één maand, worden bijgewerkt;

b) 

worden ondertekend door het hoofd van de vervoersonderneming of diens gevolmachtigde; en

c) 

na afloop van de betrokken periode gedurende één jaar worden bewaard door de vervoersonderneming. De vervoersonderneming verstrekt de betrokken bestuurders op verzoek een uittreksel uit het rooster; en

d) 

op verzoek van een met controle belaste ambtenaar worden getoond en overhandigd.

4.

Voor controles langs de weg moet de bestuurder, totdat een digitaal reisblad beschikbaar is, het gebruik van de afwijkingen uit hoofde van artikel 7, derde alinea, en artikel 8, leden 2 bis en 6 bis, kunnen rechtvaardigen door:

a) 

aan boord een ingevuld reisblad te hebben met de informatie die vereist is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1073/2009; het is de verantwoordelijkheid van de vervoersonderneming om de bestuurder voorafgaand aan elke reis uit te rusten met ingevulde reisbladen, en

b) 

aan boord papieren of elektronische kopieën te hebben van dergelijke reisbladen die informatie bevatten over de voorafgaande 28 dagen en, vanaf 31 december 2024, de voorafgaande 56 dagen.

De verplichting in punt b) van de eerste alinea vervalt ten laatste wanneer het voertuig gebruikmaakt van een tachograaf waarmee het in lid 5 bedoelde type personenvervoer kan worden geregistreerd.

Voor binnenlands personenvervoer kan gebruik worden gemaakt van het reisblad voor internationaal personenvervoer, waarbij wordt aangegeven dat het voor binnenlands personenvervoer wordt gebruikt. De Commissie kan een uitvoeringshandeling vaststellen waarbij het model van het reisblad voor binnenlands personenvervoer wordt vastgesteld om de controles op de naleving indien passend te vereenvoudigen. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 24, lid 2 bis, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Uiterlijk op 31 december 2026 beoordeelt de Commissie de opties voor digitalisering van het reisblad voor bestuurders die ongeregeld personenvervoer verrichten in termen van haalbaarheid, kosteneffectiviteit en het effect ervan op de afdwingbaarheid en de arbeidsomstandigheden van de bestuurders, en dient zij indien passend bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in met betrekking tot die digitalisering.

Die beoordeling omvat de ontwikkeling van een digitaal reisblad met de vereiste informatie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1073/2009, zodat die informatie vóór het begin van de reis elektronisch kan worden geregistreerd in een meertalige interface waartoe de ondernemers toegang hebben. Daartoe kan de Commissie ook de mogelijkheid onderzoeken om een of meer nieuwe modules te ontwikkelen voor het Informatiesysteem interne markt, dat werd ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad ().

5.

Om een uniforme toepassing en handhaving van artikel 7, derde alinea, en artikel 8, leden 2 bis en 6 bis, te waarborgen, stelt de Commissie bij de eerstvolgende herziening van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 van de Commissie (), of bij de vervanging ervan door een andere uitvoeringshandeling, en uiterlijk op 23 november 2025, uitvoeringshandelingen vast waarbij passende technische specificaties worden vastgesteld die de registratie en opslag in de tachograaf van gegevens over het type personenvervoer, namelijk geregeld of ongeregeld personenvervoer, mogelijk maken. De toepassingsdatum van die uitvoeringshandelingen wordt na raadpleging van de betrokken belanghebbenden vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 24, lid 2 bis, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 17

1.

Lidstaten moeten aan de hand van het standaardschema zoals beschreven in Beschikking 93/173/EEG () aan de Commissie de nodige inlichtingen verstrekken zodat zij in staat wordt gesteld om de twee jaar een verslag op te stellen over de toepassing van deze verordening en van Verordening (EEG) nr. 3821/85 en over de ontwikkelingen op de betrokken gebieden.

2.

De Commissie moet deze inlichtingen uiterlijk op 30 september van het jaar na afloop van de betrokken tweejarige periode ontvangen.

3.

In dit verslag wordt aangegeven in welke mate van de uitzonderingsbepalingen in artikel 13 gebruik is gemaakt.

4.

De Commissie legt dit verslag binnen dertien maanden na afloop van de betrokken tweejarige periode voor aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 17 bis

Uiterlijk op 31 december 2028 stelt de Commissie een verslag op waarin de gevolgen worden beoordeeld van de bepalingen van deze verordening die verband houden met de sector van het ongeregeld personenvervoer wat betreft de verkeersveiligheid en de sociale aspecten, met name de arbeidsomstandigheden van de bestuurders. De Commissie zendt dat verslag toe aan het Europees Parlement en aan de Raad. Indien zij dat passend acht, dient de Commissie wetgevingsvoorstellen ter zake in.

Artikel 18

De lidstaten stellen de nodige maatregelen voor de uitvoering van deze verordening vast.

Artikel 19

1.

De lidstaten stellen regelgeving vast inzake sancties voor inbreuken op deze verordening en op Verordening (EU) nr. 165/2014 en nemen alle maatregelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan. Die sancties dienen doeltreffend en in verhouding met de ernst van de inbreuken te zijn, zoals vermeld in bijlage III bij Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad (), evenals een afschrikkende werking te hebben en niet-discriminerend te zijn. Geen enkele inbreuk op deze verordening en op Verordening (EU) nr. 165/2014 mag aan meer dan één sanctie of procedure onderworpen worden. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze regels en maatregelen, samen met de op nationaal niveau gekozen methode en criteria voor de beoordeling van de evenredigheid. De lidstaten delen eventuele latere wijzigingen die van invloed zijn op de bepalingen onmiddellijk mee. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van deze regels en maatregelen en van eventuele wijzigingen daarvan. De Commissie zorgt ervoor dat deze informatie in alle officiële talen van de Unie wordt bekendgemaakt op een speciale openbare website met gedetailleerde informatie over dergelijke sancties die van toepassing zijn in de lidstaten van de Unie.

2.

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten een sanctie kunnen opleggen aan een onderneming en/of bestuurder voor een inbreuk op deze verordening of op Verordening (EU) nr. 165/2014 die zij op hun grondgebied vaststellen en waarvoor nog geen sanctie is opgelegd, ook wanneer die inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land.

Wanneer een inbreuk wordt vastgesteld:

— 

die niet is begaan op het grondgebied van de betrokken lidstaat, en

— 

die is begaan door een onderneming die in een andere lidstaat of een derde land is gevestigd, of door een bestuurder wiens plaats van tewerkstelling zich aldaar bevindt,

kan een lidstaat, bij wijze van uitzondering, tot 1 januari 2009, in plaats van een sanctie op te leggen, de feiten aangaande de inbreuk ter kennis brengen van de bevoegde instantie van de lidstaat of het derde land waar de onderneming gevestigd is of waar zich de plaats van tewerkstelling van de bestuurder bevindt.

3.

Wanneer een lidstaat voor een bepaalde inbreuk een procedure instelt of een sanctie oplegt, verstrekt hij de bestuurder een schriftelijk bewijs daarvan.

4.

De lidstaten zien erop toe dat er een systeem van evenredige sancties, waaronder eventueel financiële sancties, van kracht is voor inbreuken op deze verordening of Verordening (EEG) nr. 3821/85 door ondernemingen, of door de daarbij betrokken afzenders expediteurs, bevrachters, touroperators, hoofd‐ en onderaannemers en uitzendbureaus voor chauffeurs.

Artikel 20

1.

De bestuurder moet alle bewijzen die een lidstaat met betrekking tot sancties of het instellen van een procedure heeft verstrekt, bewaren totdat dezelfde inbreuk op deze verordening niet langer tot een tweede procedure of sanctie uit hoofde van de verordening kan leiden.

2.

De bestuurder legt de in lid 1 bedoelde bewijzen op verzoek over.

3.

Een bestuurder die in dienst is bij of ter beschikking gesteld wordt van meer dan één vervoersonderneming, moet elke onderneming de informatie verschaffen die deze nodig heeft om te voldoen aan hoofdstuk II.

Artikel 21

In die gevallen dat een lidstaat oordeelt dat er zich een inbreuk op deze verordening stelt die de verkeersveiligheid op manifeste wijze in gevaar brengt, machtigt zij de bevoegde autoriteiten het betrokken voertuig stil te leggen tot het ogenblik waarop een einde is gemaakt aan de oorzaak van de inbreuk. Een lidstaat kan de bestuurder verplichten een dagelijkse rusttijd te nemen. Een lidstaat kan tevens in voorkomend geval de vergunning van een onderneming intrekken, schorsen of beperken als die onderneming in de betrokken lidstaat is gevestigd, of het rijbewijs van een bestuurder intrekken, schorsen of beperken. De Commissie, handelend volgens artikel 24, lid 2, ontwikkelt richtsnoeren ter bevordering van een geharmoniseerde toepassing van dit artikel.

Artikel 22

1.

De lidstaten werken nauw met elkaar samen en verlenen elkaar onverwijld wederzijdse bijstand om de consequente uitvoering en de doeltreffende handhaving van deze verordening te bevorderen, overeenkomstig de vereisten van artikel 8 van Richtlijn 2006/22/EG.

2.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten doen elkaar geregeld alle beschikbare informatie toekomen over:

a) 

inbreuken op de bepalingen in hoofdstuk II door niet-ingezetenen en de sancties die zij voor deze inbreuken op hen hebben toegepast;

b) 

sancties die een lidstaat voor in andere lidstaten gemaakte inbreuken op zijn ingezetenen heeft toegepast;

c) 

andere specifieke punten, onder meer de risicoclassificatie van de onderneming, die gevolgen kunnen hebben voor de naleving van deze verordening.

3.

De lidstaten doen geregeld relevante informatie over de nationale interpretatie en toepassing van deze verordening toekomen aan de Commissie, die deze informatie in elektronische vorm ter beschikking zal stellen van de andere lidstaten.

Voor de uitwisseling van informatie in het kader van deze verordening gebruiken de lidstaten het orgaan voor intracommunautaire contacten dat is aangewezen overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2006/22/EG.

Wederzijdse administratieve samenwerking en bijstand zijn kosteloos.

4.

De Commissie faciliteert de dialoog tussen de lidstaten onderling inzake de nationale interpretatie en toepassing van deze verordening door middel van het comité bedoeld in artikel 24, lid 1.

Artikel 23

De Gemeenschap opent onderhandelingen met derde landen wanneer dit nodig is voor de toepassing van deze verordening.

Artikel 23 bis

1.

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.

De in artikel 8 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 20 augustus 2020.

De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.

Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.

Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ().

5.

Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.

Een overeenkomstig artikel 8 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 24

1.

De Commissie wordt bijgestaan door een comité ingesteld bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3821/85.

2.

Indien naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad () van toepassing.

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.

Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 25

1.

Op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief:

a) 

onderzoekt de Commissie gevallen waar zich verschillen voordoen in de toepassing en handhaving van de verordening, met name wat betreft rijtijden, onderbrekingen en rusttijden;

b) 

licht de Commissie de verordening toe, teneinde een uniforme aanpak te bevorderen.

2.

In de gevallen bedoeld in lid 1, onder b), stelt de Commissie uitvoeringshandelingen inzake de gemeenschappelijke aanpak vast.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 2 bis, bedoelde onderzoeksprocedure.