Artikel 16 Verordening rij- en rusttijden (561/2006)

1.

Indien er in het voertuig geen controleapparaat is geïnstalleerd overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3821/85, zijn de bepalingen in de leden 2 en 3 van dit artikel van toepassing op:

a) 

geregelde diensten van nationaal personenvervoer; en

b) 

geregelde diensten van internationaal personenvervoer, indien het begin‐ en het eindpunt van de lijn zich bevinden binnen een afstand van 50 km hemelsbreed van een grens tussen twee lidstaten, en indien het traject niet langer is dan 100 km.

2.

De vervoersonderneming stelt een dienstregeling en een dienstrooster op, die voor iedere bestuurder de naam, de standplaats alsmede het vooraf vastgestelde rooster moeten bevatten van de verschillende rijperioden, de andere werkzaamheden, de onderbrekingen en de beschikbaarheid.

Iedere bestuurder die een in lid 1 bedoelde dienst onderhoudt, moet een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben.

3.

Het dienstrooster moet:

a) 

alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten voor een periode die minimaal de dag van controle en de voorgaande 56 dagen beslaat; die gegevens moeten met regelmatige tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan één maand, worden bijgewerkt;

b) 

worden ondertekend door het hoofd van de vervoersonderneming of diens gevolmachtigde; en

c) 

na afloop van de betrokken periode gedurende één jaar worden bewaard door de vervoersonderneming. De vervoersonderneming verstrekt de betrokken bestuurders op verzoek een uittreksel uit het rooster; en

d) 

op verzoek van een met controle belaste ambtenaar worden getoond en overhandigd.

4.

Voor controles langs de weg moet de bestuurder, totdat een digitaal reisblad beschikbaar is, het gebruik van de afwijkingen uit hoofde van artikel 7, derde alinea, en artikel 8, leden 2 bis en 6 bis, kunnen rechtvaardigen door:

a) 

aan boord een ingevuld reisblad te hebben met de informatie die vereist is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1073/2009; het is de verantwoordelijkheid van de vervoersonderneming om de bestuurder voorafgaand aan elke reis uit te rusten met ingevulde reisbladen, en

b) 

aan boord papieren of elektronische kopieën te hebben van dergelijke reisbladen die informatie bevatten over de voorafgaande 28 dagen en, vanaf 31 december 2024, de voorafgaande 56 dagen.

De verplichting in punt b) van de eerste alinea vervalt ten laatste wanneer het voertuig gebruikmaakt van een tachograaf waarmee het in lid 5 bedoelde type personenvervoer kan worden geregistreerd.

Voor binnenlands personenvervoer kan gebruik worden gemaakt van het reisblad voor internationaal personenvervoer, waarbij wordt aangegeven dat het voor binnenlands personenvervoer wordt gebruikt. De Commissie kan een uitvoeringshandeling vaststellen waarbij het model van het reisblad voor binnenlands personenvervoer wordt vastgesteld om de controles op de naleving indien passend te vereenvoudigen. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 24, lid 2 bis, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Uiterlijk op 31 december 2026 beoordeelt de Commissie de opties voor digitalisering van het reisblad voor bestuurders die ongeregeld personenvervoer verrichten in termen van haalbaarheid, kosteneffectiviteit en het effect ervan op de afdwingbaarheid en de arbeidsomstandigheden van de bestuurders, en dient zij indien passend bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in met betrekking tot die digitalisering.

Die beoordeling omvat de ontwikkeling van een digitaal reisblad met de vereiste informatie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1073/2009, zodat die informatie vóór het begin van de reis elektronisch kan worden geregistreerd in een meertalige interface waartoe de ondernemers toegang hebben. Daartoe kan de Commissie ook de mogelijkheid onderzoeken om een of meer nieuwe modules te ontwikkelen voor het Informatiesysteem interne markt, dat werd ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad ().

5.

Om een uniforme toepassing en handhaving van artikel 7, derde alinea, en artikel 8, leden 2 bis en 6 bis, te waarborgen, stelt de Commissie bij de eerstvolgende herziening van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 van de Commissie (), of bij de vervanging ervan door een andere uitvoeringshandeling, en uiterlijk op 23 november 2025, uitvoeringshandelingen vast waarbij passende technische specificaties worden vastgesteld die de registratie en opslag in de tachograaf van gegevens over het type personenvervoer, namelijk geregeld of ongeregeld personenvervoer, mogelijk maken. De toepassingsdatum van die uitvoeringshandelingen wordt na raadpleging van de betrokken belanghebbenden vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 24, lid 2 bis, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Geconsolideerde tekst van 31-12-2024 (bron: EUR-Lex). Juridisch bindend is alleen de tekst in het Publicatieblad van de EU.