RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/415434 / FA RK 23-5075
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Beschikking van de rechtbank over gezag en zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.M. van Veen,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.F. van Drenth,
over de minderjarige kinderen van partijen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
hierna samen ook genoemd de kinderen.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend, de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuid-West-Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1 Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de beschikking van 30 april 2024; en de daarin genoemde stukken;
-
het F9-formulier van mr. Van Drenth, ontvangen op 29 september 2025;
-
het F9-formulier van mr. Van Veen, ontvangen op 7 oktober 2025;
-
de brief van de Raad van 17 oktober 2025, ontvangen op 20 oktober 2025;
-
het op 13 april 2026 ontvangen rapport van de Raad van 8 april 2026;
-
het F9-formulier van mr. Van Drenth, met als bijlage productie 20, ontvangen op 29 juni 2026.
Op 2 juli 2026 heeft de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens waren aanwezig een medewerkster namens de Raad en een medewerkster namens de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige zaak met het door de Raad ingediende verzoek tot een ondertoezichtstelling met kenmerk C/02/447019 / JE RK 26-634, zijn beide verzoeken gelijktijdig mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.
2 De feiten
Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank op deze plaats naar de hiervoor genoemde beschikking van 30 april 2024. In aanvulling daarop geldt het volgende.
De rechtbank heeft partijen, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] doorverwezen naar een hulptraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). De beslissingen op de verzoeken over het ouderlijk gezag en de zorgregeling heeft de rechtbank aangehouden in afwachting van het eindrapport van het UHA-traject.
Op 1 september 2025 heeft de Raad een rapportage ontvangen van de gemeente Altena inzake het UHA-traject, inhoudende, kort gezegd, dat dit traject niet is geslaagd. De Raad heeft naar aanleiding van deze rapportage besloten een eigen onderzoek uit te voeren.
De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van het rapport van de Raad van
8 april 2026. Bij voormeld rapport heeft de Raad aan de kinderrechter verzocht om de kinderen onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar. In afwachting van het verloop en het resultaat van de ondertoezichtstelling, adviseert de Raad om het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag aan te houden voor de duur van tien maanden. In deze periode dient er, uitgaande van regie door de GI met inzet van hulpverlening meer zicht te komen op de rol van de vader in het leven van de kinderen en de (on)mogelijkheden tot gezamenlijk gezag. Als er voldoende zicht is, op zijn rol, houding en medewerking kan er beoordeeld worden of eenhoofdig gezag van de moeder in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is. De Raad adviseert daarnaast om een begeleide zorgregeling te starten van één keer in de zes weken met mogelijkheid tot uitbreiding in duur en frequentie. Het is belangrijk dat de volledige regie van de zorgregeling (opschalen dan wel afschalen indien nodig) onder regie van de GI zal plaatsvinden.
De Raad heeft in de zaak met het zaaknummer: C/02/447019 / JE RK 26-634) aan de kinderrechter verzocht om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Bij beschikking van 2 juli 2027 is dat verzoek toegewezen, waarbij de kinderen onder toezicht zijn gesteld van de GI voor de periode van 2 juli 2026 tot 2 juli 2027.
3. De (resterende) verzoeken
Aan de orde is nog het verzoek van de vrouw dat de rechtbank bepaalt dat voortaan aan haar alleen het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] toekomt.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De man verzoekt, samengevat:
vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
o gedurende een periode van 12 weken afwisselend op zaterdag dan wel zondag van 10:00 uur tot 18:00 uur waarbij de vrouw [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar de man brengt en de man de kinderen na afloop weer naar de vrouw brengt;
o daarna om de week een weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen na afloop terug brengt;
o vanaf de kerstvakantie 2024 een verdeling bij helfte van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen;
o via belmomenten elke week twee keer, namelijk op de woensdag om 18:30 uur en op een nader te bepalen weekenddag op een in overleg af te stemmen tijdstip;
o althans dat de man contact heeft met de kinderen op een wijze door de rechtbank te bepalen.
4 De (nadere) standpunten en het advies van de Raad
De vrouw sluit zich aan bij het advies van de Raad. Zij is van mening dat een ondertoezichtstelling nodig is, en daarom kan zij zich vinden in een aanhouding van tien maanden ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. Het is goed als de GI de regie hierin zal houden. Mocht de zaak niet worden aangehouden, dan blijft de moeder vasthouden aan haar verzoek om eenhoofdig gezag. Zowel uit het traject van de ondertoezichtstelling als uit het raadsrapport blijkt dat de kinderen klem zitten tussen de ouders, wat het nemen van gezagsbeslissingen bemoeilijkt. Gezag omvat meer dan alleen het zetten van een handtekening bij het geven van toestemming, het brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee. Op dit moment is de man niet in staat deze verantwoordelijkheden te dragen, mede doordat er geen contact met de kinderen is. De vrouw verzoekt daarnaast om het verzoek van de man betreffende de omgangsregeling af te wijzen. Zij staat wel achter contact tussen de man en de kinderen, mits dit onder begeleiding plaatsvindt. De vrouw is begonnen met het verstrekken van uitgebreidere informatie over de kinderen aan de man. Zij zal hiermee blijven doorgaan, zodat de man goed op de hoogte is van de situatie van de kinderen zodra het contact wordt hervat.
Door en namens de man is, samengevat, verzocht om het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag af te wijzen. Volgens hem zitten de kinderen niet klem door gezagsproblemen, maar omdat er geen contact is tussen hem en de kinderen. Wanneer er beslissingen over het gezag moeten worden genomen, werkt hij hier wel aan mee. Daarnaast zou, indien er een ondertoezichtstelling komt, het problemen in de uitvoering geven indien de man het gezag niet heeft. Ten aanzien van zijn verzoek met betrekking tot verdeling van de zorg- en opvoedtaken verzoekt de man om een regeling waarin hij contact met de kinderen heeft. In zijn visie liep de zorgregeling bij de gemeente goed. Er was om de week contact met de kinderen. Toen de gemeente besloot dit contact uit te breiden en onbegeleid te laten plaatsvinden, is het binnen het vrijwillig kader gestopt. Inmiddels ligt de zorgregeling stil, terwijl daar geen aanleiding voor is. De man heeft zijn leven inmiddels goed op orde en er zijn geen contra-indicaties om een voorlopige of definitieve regeling vast te stellen. Hij begrijpt dat het contact langzaam opgebouwd moet worden omdat de kinderen moeten wennen, maar de man verzoekt om een minimale regeling vast te stellen, met zo snel mogelijk een uitbreiding. Dit is belangrijk, omdat [minderjarige 2] meerdere keren heeft aangegeven zijn vader te missen. Mocht er een ondertoezichtstelling komen, dan heeft de GI al een basis om verder te werken. De man wil graag contact met zijn kinderen en staat er ook voor open dat dit onder begeleiding plaatsvindt.
De GI heeft samengevat aangegeven dat er bij haar sprake is van een wachtlijst. Het gezin zal binnen de ondertoezichtstelling worden aangemeld bij het monitoringsteam, dat in de eerste maanden de benodigde stappen zal zetten, waaronder de aanmelding voor hulpverlening. Voor de begeleide omgang zal een passende hulpverleningsorganisatie worden gezocht. Het is wenselijk dat de rechtbank als uitgangspunt een minimale regeling vaststelt.
In aanvulling op het schriftelijk advies, geeft de Raad tijdens de zitting aan
dat het wenselijk is dat de GI de begeleide omgang monitort. Zo kan tijdig worden ingegrepen wanneer het contact niet verloopt zoals gewenst, maar ook kunnen stappen worden gezet wanneer het juist goed gaat. Daarnaast is het positief dat beide ouders hiervoor openstaan. Ten aanzien van de zorgregeling adviseert de Raad om het contact tussen de man en de kinderen te herstellen, waarbij zijn in het begin een keer per zes weken een uur contact met elkaar hebben en dat dit contact vervolgens snel wordt uitgebreid. Voor wat betreft het verzoek van de moeder over verkrijging van het eenhoofdig gezag blijft de Raad bij zijn advies om een beslissing hierover aan te houden voor de duur van tien maanden, om aldus te bezien hoe een en ander zich in het kader van de ondertoezichtstelling zich ontwikkelt.
5 De (nadere) beoordeling
Gezag
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dit kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de minderjarigen krijgt.
De rechtbank overweegt dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden sinds er sprake is van het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , omdat onder meer de onderlinge verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord is. Gelet hierop kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek. De rechtbank zal het verzoek daarom hierna inhoudelijk beoordelen en daarop beslissen.
In artikel 1:253n lid 2 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank overweegt dat als wettelijk uitgangspunt heeft te gelden dat ouders na hun scheiding of na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kind uitoefenen, tenzij sprake is van één of meerdere hiervoor genoemde gronden voor wijziging van het gezag. Gebleken is dat de man gezagsbeslissingen niet tegenhoudt. Van misbruik van het ouderlijk gezag is dan ook van de zijde van de man geen sprake. Hoewel de communicatie en samenwerking tussen de partijen momenteel moeizaam verlopen, vormt dit in deze zaak op zichzelf onvoldoende reden voor een wijziging van het ouderlijk gezag. Hierbij wordt door de rechtbank ook meegenomen dat het van belang is dat de man het gezag blijft houden, mede omdat [minderjarige 2] heeft aangegeven graag contact met hem te willen hebben. Onder meer hieraan dient door beide partijen te worden gewerkt. Bij een eventuele toewijzing van het verzoek van de vrouw is het risico aanwezig dat de man geen enkel meer zicht heeft over de kinderen, als het contact tussen hen zich niet herstelt. Dat dient te worden voorkomen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd om nu al een eindbeslissing te geven. Dit betekent dat zij ten aanzien van dit verzoek niet zal volgen het advies van de Raad om de beslissing voor een bepaalde periode aan te houden. Met een eindbeslissing wordt er zoveel rust voor beide kinderen en de ouders gecreëerd. Hiermee acht de rechtbank dat het belang van de kinderen het beste is gediend.
Gelet op het voorgaande is het de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige 2] en [minderjarige 1] klem of verloren zijn geraakt of dreigen te raken wanneer het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand gelaten wordt of dat een wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag (anderszins) in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te achten is. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot haar voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen afwijzen.
Ten overvloede wordt vermeld dat behouden van het gezag van beide partijen het bijkomend voordeel heeft dat de GI in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling beide ouders kan ‘aansturen’.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen die te maken hebben met de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit lid 2 van voornoemd artikel volgt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan op grond van sub a een regeling zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over hun kind(eren).
De rechtbank beoordeelt of het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld. Zij wonen bij de vrouw. Het laatste contact tussen hen en de man was in september 2025. [minderjarige 2] heeft aangegeven zijn vader wel graag weer te willen zien en heeft verdriet om het gemis van zijn vader. Beide partijen zijn bereid mee te werken aan de opstart van begeleide contacten. De rechtbank zal dan ook conform het advies van de Raad en met instemming van partijen een minimale zorgregeling vaststellen, inhoudende dat de kinderen één keer in de zes weken begeleid (fysiek) contact hebben met de man, te beginnen vanaf de eerste week na de zomervakantie 2026. Nu de kinderen onder toezicht zijn gesteld van de GI, zal de rechtbank daarbij bepalen dat de regie over de (verdere) vormgeving en uitbreiding van de zorgregeling tussen de man en beide kinderen bij de GI wordt belegd, met dien verstande dat er, zodra daarvoor bij de kinderen ruimte ontstaat en dit door de GI en de betrokken jeugdbeschermer in hun belang wordt geacht, zal worden ingezet op uitbreiding van de contacten. Dit is in lijn met de in het kader van de ondertoezichtstelling gegeven beslissing en geformuleerde doelen, namelijk dat beide kinderen een voor hen passende en veilige omgang met de man hebben.
De rechtbank geeft de GI mee om zo snel mogelijk toe te werken naar uitbreiding van de contacten, bijvoorbeeld meermalen in de week beeldbellen en/of minimaal één keer per week fysiek contact, zolang wenselijk onder begeleiding. Hierbij moet echter wel rekening worden gehouden met het tempo van elk kind afzonderlijk. [minderjarige 2] heeft aangegeven graag contact te willen met zijn vader, mogelijk is zijn tempo hoger dan dat van [minderjarige 1] en is hij eerder toe aan fysiek contact.
Op de zitting is, op advies van de Raad, afgesproken dat de vrouw eenmaal per maand informatie aan de man zal verstrekken. De rechtbank complimenteert de moeder met haar bereidheid tot medewerking en het verstrekken van deze maandelijkse informatie. Dit is positief, omdat de man aldus op de hoogte is van de situatie van de kinderen, zodra het contact tussen hen wordt hervat.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat de GI toewerkt naar uitbreiding van het contact. Zodra er een regeling is ontstaan die een vaste vorm heeft aangenomen, heeft de GI de mogelijkheid om die door de kinderrechter te laten vastleggen, door een op grond van artikel 1:265g BW gebaseerd verzoek bij de rechtbank in te dienen.
Vanwege de regievoerende taak van de GI bij onder meer het herstellen en de opbouw van het contact tussen de man en de kinderen heeft de rechtbank de GI als belanghebbende in deze procedure aangemerkt.
De rechtbank zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de minderjarige kinderen van partijen het volgende:
-
zij hebben één keer per zes weken recht op, begeleid, contact met elkaar;
-
de regie over de (verdere) vormgeving en uitbreiding van de zorgregeling tussen de man en beide kinderen wordt bij de GI belegd, met dien verstande dat er, zodra daarvoor bij de kinderen ruimte ontstaat en dit door de betrokken jeugdbeschermer ook in hun belang wordt geacht, er zal worden ingezet op uitbreiding van de contacten, waarbij het tempo van ieder kind afzonderlijk wordt meegenomen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.