GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.367.605/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 249844)
beschikking van 29 september 2026
inzake
[verzoekster] (de moeder),
wonende te [woonplaats] ,verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. K.B. Spoelstra te Groningen,
en
[verweerder] (de vader),
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. A.E. van Nimwegen te Delfzijl.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 januari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 8 april 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 17 april 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift;
- een journaalbericht namens de moeder van 12 augustus 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 20 augustus 2026 met bijlage(n).
Op 26 augustus 2026 is de hierna nader te noemen [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen met de voorzitter over de verzoeken heeft gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter hiervan een samenvatting gegeven.
De mondelinge behandeling heeft op 1 september 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is een vertegenwoordiger verschenen. Mr. Spoelstra heeft mede aan de hand van pleitaantekeningen het woord gevoerd.
3 De feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- de meerderjarige [de meerderjarige] , geboren [in] 2005;
- de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2011.
In mei 2022 is de affectieve relatie tussen de ouders beëindigd.
[de minderjarige] heeft sinds het voorjaar van 2022 geen omgang meer gehad met de vader.
Bij vonnis van 7 november 2023 van de rechtbank Noord-Nederland is de vader veroordeeld voor het in augustus 2021 plegen van ontucht met [de meerderjarige] , die op dat moment minderjarig (16 jaar) was. De vader is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De vader heeft deze straf inmiddels ondergaan.
De vader is getrouwd met zijn huidige partner. Op 26 september 2025 heeft de vader - zonder medeweten van de moeder - in het gezagsregister laten aantekenen dat hij wenst dat na zijn overlijden zijn echtgenote als voogd over [de minderjarige] wordt aangewezen.
4 De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] te beëindigen, om te bepalen dat zij voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] uitoefent en om de vader het recht op omgang met [de minderjarige] te ontzeggen, afgewezen. Hierdoor is de rechtbank niet toegekomen aan een beslissing over het subsidiaire verzoek van de vader om aan de moeder een informatieverplichting op te leggen.
De moeder komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar verzoeken alsnog toe te wijzen.
De vader voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking, al dan niet onder verbetering van de gronden, te bekrachtigen en de proceskosten tussen partijen te compenseren.
5 De motivering van de beslissing
[de minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de voorzitter van het hof verteld dat zijn mening nog altijd hetzelfde is: hij wil niet dat zijn vader het gezag over hem heeft en hij wil ook geen omgang met zijn vader. [de minderjarige] heeft vanaf het moment dat hij in 2022 te horen kreeg dat zijn vader [de meerderjarige] seksueel heeft misbruikt, geen contact meer gehad met zijn vader. [de minderjarige] is boos op zijn vader dat hij dit heeft gedaan en heeft daardoor geen vertrouwen meer in hem. [de minderjarige] wil na zijn examens (eind van dit schooljaar) therapie gaan volgen om te verwerken wat hij heeft meegemaakt. Op dit moment vindt hij het heel lastig dat de vader de mogelijkheid heeft om schoolgegevens in te zien, van welke mogelijkheid de vader ook met regelmaat gebruik maakt. De vader kan hierdoor zien of [de minderjarige] aanwezig is op school en of hij zijn huiswerk heeft gemaakt. [de minderjarige] vindt het daarbij ook lastig dat de vader vervolgens hierover per e-mail vragen stelt aan de moeder. Hierbij speelt voor [de minderjarige] tevens een rol dat de vader hem al heel lang niet heeft gezien - ruim vier jaar - en dus niet op de hoogte is van zijn ontwikkeling.
De raad heeft tijdens de zitting gezegd op twee gedachten te hinken. Aan de ene kant vraagt de raad zich af in hoeverre het schijnrust is voor [de minderjarige] wanneer de vader geen gezag over hem heeft en geen contact met hem heeft. Op die manier kan hij namelijk een voor hem moeilijk onderwerp vermijden. Aan de andere kant ziet de raad ook dat [de minderjarige] duidelijk is in zijn mening over het gezag en de omgang. Daarbij weegt de raad mee dat [de minderjarige] zelf heeft laten weten dat hij therapie wil gaan volgen als hij er klaar voor is. Wat betreft het te geven advies geeft voor de raad de doorslag dat [de minderjarige] heeft gezegd dat het hem rust geeft als zijn vader niet meer het gezag over hem heeft en zijn vader het recht op omgang wordt ontzegd. De raad schat in dat op die manier de door [de minderjarige] te volgen therapie een betere start zal hebben en/of een grotere kans van slagen zal hebben. De raad heeft het hof daarom geadviseerd om de verzoeken van de moeder tot eenhoofdig gezag en om de vader het recht op omgang te ontzeggen, toe te wijzen.
De moeder is het eens met het advies van de raad. Zij is de procedure bij de rechtbank gestart en heeft daarna hoger beroep ingesteld, omdat [de minderjarige] dat wilde. De moeder is van mening dat de bestendige opvatting van [de minderjarige] doorslaggevend moet zijn.
De vader heeft tijdens de zitting laten blijken dat hij het een lastig dilemma vindt, ook nadat hij de mening van [de minderjarige] (bij het hof) en het advies van de raad heeft gehoord. De vader begrijpt dat het voor iedereen een ingewikkelde situatie is, dat [de minderjarige] , de moeder en [de meerderjarige] boos op hem zijn en dat wat hij heeft gedaan grote impact op hen heeft gehad. Hij respecteert het dat [de minderjarige] geen omgang met hem wil. Wat de vader betreft bepaalt [de minderjarige] of er ooit weer omgang zal zijn en zo ja, wanneer. De vader had de wens dat [de minderjarige] ooit contact met hem zou opnemen, maar die wens heeft hij inmiddels losgelaten omdat hij zich realiseert dat [de minderjarige] wellicht nooit de behoefte zal hebben om contact met hem te hebben. Voor het geval dat [de minderjarige] ooit wel contact met hem zou willen, wil de vader graag iets van zijn leven weten. De vader denkt dat [de minderjarige] er meer last van heeft als de vader geen gezag over [de minderjarige] meer heeft en dus afhankelijk is van de moeder voor informatie over hem, dan wanneer de vader op basis van zijn gezagspositie zelf rechtstreeks informatie kan krijgen van de betrokken instanties.
De vader wil graag dat het goed gaat met [de minderjarige] . Maar hij is bang dat hij het, wat hij ook doet, in de ogen van [de minderjarige] nooit meer goed kan doen. De afgelopen jaren is er geen contact geweest tussen de vader en [de minderjarige] , wat [de minderjarige] de vader nu lijkt te verwijten. De vader vraagt zich daarom af of het [de minderjarige] daadwerkelijk rust zal geven als hij zich er nu bij neerlegt dat [de minderjarige] geen omgang met hem wil en niet wil dat hij gezag heeft, of dat [de minderjarige] hem dit in de toekomst alsnog ook kwalijk zal nemen.
Met betrekking tot het feit dat de vader in september 2025 in het gezagsregister heeft laten aantekenen dat hij wenst dat na zijn overlijden zijn echtgenote als voogd over [de minderjarige] wordt aangewezen (zie hiervoor onder 3.5), terwijl [de minderjarige] de partner van de vader niet kent, heeft de vader tijdens de zitting toegezegd dat hij dezelfde middag zou regelen dat dit aangepast wordt. Het hof gaat ervan uit dat de vader in het belang van [de minderjarige] zijn toezegging is nagekomen en als hij dit niet heeft gedaan, hij dit met de grootst mogelijk spoed alsnog doet.
Het hof begrijpt het dilemma van de vader over wat in deze ingewikkelde gezinssituatie al dan niet goed is om te doen, bijvoorbeeld zich juist wel of niet afzijdig houden. Dit neemt echter niet weg dat in dit geval de mening van [de minderjarige] zelf, mede gelet op zijn leeftijd (hij is inmiddels 15 jaar), zwaar meeweegt. Uit de stukken en het gesprek met [de minderjarige] is het hof gebleken dat [de minderjarige] een heel duidelijke en consequente mening heeft over de verzoeken met betrekking tot het gezag en de omgang. Gezien zijn leeftijd begrijpt [de minderjarige] heel goed wat het betekent dat zijn vader en moeder samen het gezag over hem hebben en in welke situaties dit meebrengt dat zijn vader informatie over hem krijgt of zijn toestemming moet geven. Hij is zelf heel duidelijk dat het hem rust geeft wanneer zijn vader niet meer het gezag over hem heeft. De onrust die hij nu ervaart, doordat hij weet dat zijn vader zelf rechtstreeks informatie kan inzien of opvragen bij bijvoorbeeld zijn school, is niet in zijn belang. Ook is het voor [de minderjarige] belangrijk dat duidelijk is dat de vader in elk geval het komende jaar geen recht op omgang met hem heeft. De toezegging van de vader dat hij geen contact zal zoeken met [de minderjarige] , is voor [de minderjarige] onvoldoende. [de minderjarige] heeft op dit moment geen vertrouwen in de vader. Ook vindt hij de feitelijke situatie te onvoorspelbaar, doordat hij bijvoorbeeld nog wel een whatsappbericht van de echtgenote van de vader had ontvangen, doordat de vader nog wel geld als verjaardagscadeau naar zijn rekening had overgemaakt en doordat de vader met zijn echtgenote meerdere malen onverwacht naar de winkel is geweest waar zijn zus [de meerderjarige] werkt terwijl [de meerderjarige] na het eerste bezoek al had aangegeven dit niet te willen. Deze gebeurtenissen staan weliswaar los van de omgang, maar maken wel dat [de minderjarige] de vader nog te onbetrouwbaar en onvoorspelbaar vindt.
Het hof juicht het voornemen van [de minderjarige] om, als hij daar ruimte voor voelt, therapie te gaan volgen om te verwerken wat hij heeft meegemaakt toe. Het hof deelt de visie van de raad dat [de minderjarige] meer van de therapie zal kunnen profiteren wanneer nu de behoefte van [de minderjarige] aan rust en duidelijkheid wordt gevolgd en dus wordt aangesloten bij zijn mening over het gezag en de omgang. Het hof acht het dan ook in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag van de ouders wordt beëindigd en dat het gezag voortaan alleen aan de moeder toekomt (artikel 1:253n in samenhang met artikel 1:251a, lid 1 sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Ook is naar het oordeel van het hof voldaan aan de in artikel 1:377a lid 3, sub c en d, BW genoemde gronden om de vader het recht op omgang te ontzeggen: [de minderjarige] heeft van ernstige bezwaren tegen omgang met de vader doen blijken en omgang is ook anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] .
De vader had bij de rechtbank verzocht om in het geval het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] wordt toegewezen, te bepalen dat de moeder de vader eenmaal per drie maanden moet informeren over belangrijke zaken die [de minderjarige] aangaan.
De moeder heeft verweer gevoerd wat betreft de frequentie van de informatieverplichting. Zij is bereid om de vader eenmaal per zes maanden te informeren.
Hoewel de moeder al op grond van de wet (artikel 1:377b lid 1 BW) verplicht is de vader te informeren over [de minderjarige] , ziet het hof aanleiding om een informatieregeling vast te leggen. Het hof is namelijk van oordeel dat de informatie die de moeder tot op heden aan de vader heeft gegeven, te summier is. De frequentie van de informatieverplichting zal het hof bepalen op eenmaal per drie maanden. Nu de vader niet meer het gezag over [de minderjarige] heeft en daardoor niet zelf bij instanties informatie kan inwinnen, kan hij alleen nog van de moeder informatie over [de minderjarige] krijgen. Het hof vindt een regeling van eenmaal per zes maanden, zoals de moeder wil, daarom te beperkt. Het hof zal dan ook het verzoek van de vader toewijzen en bepalen dat de moeder gehouden is de vader eens per drie maanden op de hoogte te stellen van wat zich in die periode in het leven van [de minderjarige] heeft afgespeeld, waarbij in elk geval valt te denken aan informatie over schoolresultaten en -activiteiten, vrijetijdsbesteding en het lichamelijk en geestelijk welzijn van [de minderjarige] (bijvoorbeeld of sprake is van hulpverlening).
6 De slotsom
Op grond van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen zoals hierna onder ‘De beslissing’ is vermeld.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.
7 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 januari 2026, en opnieuw beschikkende:
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] , geboren [in] 2011, en bepaalt dat de moeder het gezag over [de minderjarige] voortaan alleen uitoefent;
bepaalt dat de moeder gehouden is de vader eens per drie maanden op de hoogte te stellen van wat zich in die periode in het leven van [de minderjarige] heeft afgespeeld, waarbij in elk geval te denken valt aan informatie over schoolresultaten en -activiteiten, vrijetijdsbesteding en het lichamelijk en geestelijk welzijn van [de minderjarige] (bijvoorbeeld of sprake is van hulpverlening);
ontzegt aan de vader het recht op omgang met [de minderjarige] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. F. van der Meulen, C. Coster en F. Menso, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 29 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.