ECLI:NL:RBZWB:2026:7992

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/446660 FA RK 26/1669
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging ZR nav stagneren huidige ZR en inforegeling.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/446660 FA RK 26/1669

datum uitspraak: 21 juli 2026

beschikking betreffende wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatieregeling, en levensonderhoud

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E. Sars (voorheen mr. Z. Vis),

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats 2] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.J.S. Linssen.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 31 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 3 juli 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het F9-formulier van 6 juli 2026 van mr. Vis;

- de brief van mr. Linssen van 7 juli 2026;

- de brief van mr. Vis van 9 juli 2026 (onttrekking);

- de stelbrief van mr. Sars van 10 juli 2026;

- het bericht van de rechtbank van 10 juli 2026.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 14 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De rechter heeft ter zitting samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,

2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012.

- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen.

2.2

Partijen hebben in het kader van de verbreking van de relatie afspraken met elkaar gemaakt, welke zijn vastgelegd in een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan op 31 december 2018. Ingevolge dat ouderschapsplan is de man gerechtigd tot contact met de minderjarigen eenmaal per twee weken van vrijdagavond tot zondagavond dan wel maandagochtend.

2.3

De zorgregeling is tot eind 2024 volgens de afspraken verlopen.

3 De verzoeken

3.1

De man verzoekt nu, samengevat:

  • Primair: te bepalen dat de vrouw de zorgregeling uit het ouderschapsplan dient na te komen, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,= per dag dat de vrouw de zorgregeling niet nakomt, zonder maximum;

  • Subsidiair: een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de kinderen waarbij de kinderen één nacht per twee weken bij de man verblijven.

  • Te bepalen dat de vrouw de man één keer per twee weken dient te informeren over de kinderen.

3.2

De vrouw verzoekt, samengevat:

  • De zorgregeling tussen de man en de kinderen te schorsen;

  • Te bepalen dat artikel 11 van het ouderschapsplan waar het gaat om de afspraak van de kindrekening wordt gewijzigd in die zin dat de man verplicht wordt het overeengekomen bedrag € 684,32 rechtstreeks aan de vrouw te voldoen;

  • Te bepalen dat de kindrekening wordt opgeheven en het saldo bij helfte wordt gedeeld en op een rekening wordt gestort op naam van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;

  • Te bepalen dat de vrouw wordt ontslagen uit de verplichting om de man aan te wijzen als de begunstigde van de TAF verzekering;

  • Te bepalen dat de man aan de vrouw dient te betalen het bedrag van € 148,= aan niet betaald zakgeld;

  • Ten behoeve van de kinderen aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, voor een reis naar Spanje in de periode van 1 augustus 2026 tot en met 22 augustus 2026.

4 De beoordeling

Financiële aspecten

4.1

De rechtbank heeft partijen op 10 juli 2026 geïnformeerd dat de financiële aspecten van de procedure niet ter zitting van 14 juli 2026 behandeld zullen worden. Ter zitting is getracht omtrent de financiële aspecten overeenstemming te bereiken zodat de procedure in zijn geheel afgerond zou kunnen worden. Dit is helaas niet gelukt, zodat de rechtbank de behandeling van deze verzoeken aan zal houden en verwijzen naar het cluster familierecht van deze rechtbank.

Vervangende toestemming vakantie, wijziging zorgregeling en informatieregeling

4.2

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Vervangende toestemming vakantie

4.3

Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt. Afgesproken is dat de man zijn handtekening zal zetten op de daarvoor bestemde formulieren, zodat de vrouw de vakantie kan boeken naar Spanje (inclusief het eiland Ibiza) of Portugal. De vrouw kan daarna een kopie van het compleet ingevulde originele toestemmingsformulier naar de man versturen. De rechtbank zal zekerheidshalve -mocht de toestemming onverhoopt toch niet verleend zijn- vervangende toestemming voor de vakantie verlenen.

Zorgregeling

4.4

Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden nu er sinds eind 2024 geen fysiek contact meer is geweest tussen de man en de minderjarigen.

4.5

Sinds de kinderen verhuisd zijn heeft de man geregeld te horen gekregen dat de kinderen het niet naar hun zin hebben bij de man. De man vermoedt dat de kinderen in een loyaliteitsconflict verkeren, in die zin dat ze het ene bij de vrouw zeggen en het andere bij de man. Sinds november 2024 heeft de man het bericht ontvangen dat de kinderen niet meer zouden komen. [minderjarige 1] heeft af en toe nog appcontact met de man. De exacte aanleiding voor het verbreken van het contact is de man niet bekend. Naarmate de kinderen ouder worden is het gewoonlijk dat zij meer vrijheid krijgen zodat zij ook met vriendinnen af kunnen spreken. Het betekent echter niet dat de zorgregeling helemaal moet worden losgelaten. Ter zitting is door en namens de man toegelicht dat hij deze verzoeken heeft gedaan om iets op gang te brengen. Hij wil de minderjarigen niet dwingen om contact met hem te hebben als ze dat niet willen. Hij vraagt zich af op welke manier hij een vorm van contact kan hebben met de minderjarigen en zijn ouderrol kan invullen tot ze volwassen zijn.

4.6

Het is volgens de vrouw juist dat de verstandhouding tussen de man en de kinderen is verslechterd. Met name de vakanties vanaf 2019 hebben ervoor gezorgd dat de verhouding is verslechterd. Dit is met name gelegen in miscommunicaties en dat de man zijn nieuwe vriendin te snel heeft geïntroduceerd bij de kinderen. De kinderen hebben naar aanleiding van een incident er voor gekozen om geen contact meer te hebben met hun vader. [minderjarige 2] is inderdaad op een brug aangetroffen en Veilig Thuis is daarop ingeschakeld. [minderjarige 2] wil niet dat de reden waarom ze op de brug stond aan haar ouders kenbaar wordt gemaakt. [minderjarige 2] heeft enkel gesprekken gevoerd met de crisisdienst. De vrouw heeft daarna hulp ingeschakeld voor de kinderen. Op 18 december 2025 is een akkoord gevraagd voor het inschakelen van een kinderpsycholoog door Jeugdzorg. Uiteindelijk is er een orthopedagoog ingeschakeld. Die heeft een ondersteuningsplan opgesteld. Daarin is opgenomen dat het huidige ouderschapsplan niet meer aansluit bij de huidige situatie en ontwikkelingsfase van de kinderen. Verder is vermeld dat [minderjarige 2] spanningen ervaart rondom de huidige situatie met haar vader. Later, bij brief van 13 april 2026, heeft de orthopedagoog aangegeven dat [minderjarige 2] nog niet toe is aan contact met vader. Zij spreekt de hoop daarbij uit dat vader geduld weet te betrachten. De vrouw vindt het dan ook onbegrijpelijk dat de man nu nakoming van de zorgregeling vraagt. Het hervatten van de zorgregeling vindt de vrouw niet in het belang van de kinderen. Het zou de ingezette hulpverlening volledig doorkruisen. De vrouw verzoekt dan ook de zorgregeling te schorsen. De dwangsommen dienen afgewezen te worden.

4.7

Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben tijdens het kindgesprek met de kinderrechter aangegeven geen contact met hun vader te willen. [minderjarige 1] heeft tot 2026 contact via de app gehouden met haar vader. Ze heeft het goed willen doen als oudste dochter, maar is daarbij over haar eigen grenzen gegaan. [minderjarige 2] heeft aangegeven dat als ze gedwongen zou worden tot contact met haar vader, ze wegloopt van huis. Gelet op de beleving van beide minderjarigen, hun duidelijke en stevige meningen in combinatie met hun leeftijd en de huidige behandeling van [minderjarige 2] , is de rechtbank met de Raad van oordeel dat nakoming van de zorgregeling conform het ouderschapsplan of het subsidiair verzochte door de man averechts werkt. Beide minderjarigen hebben weerstand ten opzichte van hun vader en die weerstand neemt enkel toe als er verplicht contact wordt opgelegd. Het schorsen van de zorgregeling zoals door de vrouw verzocht gaat ook te ver. Ter zitting is besproken op welke wijze de man weer in contact kan komen met de minderjarigen. Daarvoor is nodig dat de man aan beide minderjarigen een brief stuurt waarin zij erkenning krijgen voor hun gevoel en beleving en dat zij ‘ontschuldigt’ worden. De Raad heeft geadviseerd dat vader daarbij hulpverlening zoekt om dit zo goed mogelijk in een brief te verwoorden, zodat de brief niet averechts gaat werken. Met het sturen van een brief krijgen de kinderen hopelijk op termijn ruimte om anders over hun vader te gaan denken. [minderjarige 2] kan, als ze dat wenst en daaraan toe is, de brief lezen en bespreken met de betrokken orthopedagoog. De rechtbank vindt, net als de Raad, dat er eerst ruimte aan de minderjarigen moet worden gegund, zodat er wellicht in de toekomst weer ruimte kan gaan ontstaan voor een (andere)vorm van contact. De rechtbank zal dan ook de huidige zorgregeling wijzigen en een zorgregeling vaststellen inhoudende dat de vader en de minderjarigen gerechtigd zijn tot contact met elkaar enkel op initiatief van de minderjarigen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de dwangsommen afwijzen.

Informatieregeling

4.8

De man wordt volgens hem niet op de hoogte gehouden door de vrouw hoe het met de kinderen gaat. In november 2025 heeft de GGZ crisisdienst met de man contact opgenomen om toestemming te vragen voor een behandeling van [minderjarige 2] . Ondanks zijn verzoeken werd hij door de vrouw niet geïnformeerd over wat er met [minderjarige 2] aan de hand was. De man heeft wel telkens toestemming gegeven voor behandelingen.

4.9

De vrouw betwist dat zij de man niet op de hoogte houdt van ontwikkelingen aangaande de kinderen. Belangrijke gebeurtenissen mailt de vrouw aan de man.

4.10

De man is belast met het ouderlijk gezag zodat hij ook zelf informatie op kan vragen op school en bij instanties. Ter zitting is besproken dat de vrouw de man eenmaal per drie maanden op hoofdlijnen zal informeren over belangrijke zaken aangaande de minderjarigen, waarbij geen foto’s worden meegestuurd. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat als de man vragen heeft zij ervoor open staat daarop te reageren, daarbij dient een respectvolle en constructieve communicatie in acht te worden genomen.

4.11

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

wijzigt het tussen partijen op 31 december 2018 ondertekende ouderschapsplan als volgt:

5.1

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen

1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,

2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012,

in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar enkel op initiatief van de minderjarigen een en ander met inachtneming van hetgeen is vermeld in 4.7.;

5.2

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw de man eenmaal per kwartaal op hoofdlijnen informeert over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot voornoemde minderjarigen, waarbij geen foto wordt meegestuurd van de minderjarigen een en ander met inachtneming van hetgeen is vermeld in 4.10.;

5.3

wijst het meer of anders verzochte door de man af;

5.4

wijst het verzoek van de vrouw ten aanzien van de schorsing van de zorgregeling af;

5.5

verleent, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw- vanwege het ontbreken van de toestemming van de man- vervangende toestemming om met voornoemde minderjarigen naar Spanje (inclusief het eiland Ibiza) of Portugal te reizen in de periode van 1 augustus 2026 tot en met 22 augustus 2026;

5.6

verwijst de overige door de vrouw gedane zelfstandige verzoeken bij het op 3 juli 2026 ontvangen verweerschrift naar cluster familierecht van deze rechtbank en houdt de behandeling van dit verzoek aan (op de rol van cluster familierecht) tot een nader te bepalen pro forma datum;

5.7

houdt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, (kinder)rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »