GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.369.832
zaaknummer rechtbank Gelderland 456959
beschikking van 29 september 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. L. Peeters
en
[verweerster] (de moeder)die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. R.A.H. Vullings
1 Samenvatting
De rechtbank heeft de vader en de moeder allebei niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot wijziging van de zorgregeling en het meer of anders verzochte afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
Partijen zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2018, en
- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2021.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
De ouders zijn met elkaar gehuwd [in] 2023 te [woonplaats1] . De rechtbank Gelderland heeft op 7 oktober 2024 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Het huwelijk is op 3 december 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan ingeschreven op het adres van de moeder.
De ouders hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Deze afspraken zijn neergelegd in een ouderschapsplan, dat door de ouders is ondertekend op 30 augustus 2024.
De ouders zijn in het ouderschapsplan - onder meer - een verdeling van
de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen, die inhoudt dat (ernaar wordt toegewerkt dat) de kinderen één weekend per twee weken bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot maandag naar school, en ook elke week van woensdag uit school tot donderdag naar school. De vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld.
3 De procedure bij de rechtbank
De vader heeft de rechtbank verzocht:
- de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling, die onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 7 oktober 2024, te wijzigen en te bepalen dat als zorgregeling zal gelden dat de kinderen in de even weken van woensdag (uit school) tot maandag (naar school) en ook in de oneven weken van woensdag (uit school) tot vrijdag (naar school) bij de vader zijn, waarbij voor het overige de in het ouderschapsplan opgenomen regelingen ongewijzigd zullen blijven.
- te bepalen dat [de minderjarige2] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vader en op het adres van
de vader zal worden ingeschreven.
De moeder heeft de rechtbank gevraagd de verzoeken van de vader af te wijzen. Daarnaast heeft zij ook een aantal zelfstandige verzoeken gedaan tot wijziging van de zorgregeling, welke verzoeken betrekking hebben op de verdeling van de vakanties, de feestdagen, de verjaardagen van de kinderen en de ophaaltijden.
De rechtbank heeft de vader en de moeder allebei niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot wijziging van de zorgregeling en het meer of anders verzochte afgewezen.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 4 maart 2026.
4 De procedure bij het hof
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en bepaalt dat:
- er sprake is van relevante omstandigheden die een herbeoordeling van de zorgregeling
rechtvaardigen;
- de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling, welke
onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 7 oktober
2024, wordt gewijzigd in die zin dat als zorgregeling tussen de vader en de kinderen zal gelden dat de kinderen:
-
in de even weken van woensdag (uit school) tot maandag (naar school) bij de vader verblijven
-
alsmede in de oneven weken van woensdag (uit school) tot vrijdag (naar school)
bij de vader verblijven;
- [de minderjarige2] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vader en dat hij zal worden ingeschreven op het adres van de vader.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en ook niet met de verzoeken van de vader. Zij wil dat het hof de verzoeken van de vader afwijst, de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en een door het hof in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen vaststelt.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift, ontvangen op 3 juni 2026
-
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep
-
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep
De zitting bij het hof was op 1 september 2026. Aanwezig waren:
-
de vader met zijn advocaat
-
de moeder met haar advocaat
-
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
5 Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Wat vinden partijen?
De vader vindt dat de rechtbank onterecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden (die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigen). Volgens de vader zijn er wel relevante gewijzigde omstandigheden. Zo zijn de ouders overeengekomen dat zij de zorgregeling iedere twee jaar evalueren en zo nodig aanpassen aan de behoefte van de kinderen. Volgens de vader weigert de moeder hieraan mee te werken. Bovendien zijn de kinderen volgens de vader inmiddels volledig bij hem gewend. Zij zeggen expliciet en consistent dat ze meer tijd bij hem willen doorbrengen. De combinatie van het beëindigen van de gewenningsfase, de actuele behoefte van de kinderen en het niet willen evalueren door de moeder, vormt volgens de vader een duidelijke en relevante wijziging van omstandigheden die een herziening van de huidige regeling rechtvaardigt. De werktijden van de vader zijn inmiddels flexibel en momenteel is de vader wegens ernstige eczeemklachten ziek gemeld. Hij is hierdoor meer tijd voor de kinderen beschikbaar. De vader krijgt binnenkort ook een andere woning met vier slaapkamers, die vlakbij de woning van de moeder ligt. Volgens de vader veroorzaakt de huidige zorgregeling veel onrust door de vele wisselmomenten. De vader wil dat de zorg over de kinderen gelijkwaardig tussen de ouders wordt verdeeld waarbij er zo min mogelijk wisselmomenten zijn.
Ook de moeder vindt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zij ziet de wijziging in de gedragsverandering van de kinderen. De moeder maakt zich zorgen om de kinderen. Zij hebben veel last van boosheid en driftbuien rondom de wisselmomenten. Daarnaast doet [de minderjarige1] volgens de moeder zorgelijke uitspraken over de vader en komt [de minderjarige2] geregeld ziek terug. [de minderjarige2] heeft een terugval in zindelijkheid en wil bij spanningen niet plassen en eten. Hij is dan boos en onrustig en gaat moeilijk slapen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben volgens de moeder extreem veel behoefte aan nabijheid. Volgens de moeder komt dit doordat de kinderen bij de vader niet de emotionele veiligheid ervaren die zij nodig hebben. De moeder maakt zich ernstig zorgen en zij wil dat er een professional gaat meekijken die ook advies kan geven over een zorgregeling die het meest in het belang van de kinderen is.
De raad heeft het hof tijdens de zitting geadviseerd om de huidige zorgregeling te wijzigen naar een regeling met minder wisselmomenten. Volgens de raad zijn beide ouders voor de kinderen belangrijk. De raad ziet op dit moment geen signalen bij de kinderen die een gelijkwaardig ouderschap onmogelijk maken. De kinderen laten volgens de raad zien dat zij veel spanning ervaren rondom de overdracht en dat zij hier last van hebben. Dit komt volgens de raad door de situatie waar de kinderen nu in zitten. Dit kunnen de kinderen zelf niet oplossen, dit moeten de ouders doen. De kinderen moeten aanvoelen dat hun ouders het goed vinden dat de andere ouder het anders doet. De raad vindt het belangrijk dat de ouders samen met Buurtteams om de tafel gaan, wat ouders ook allebei willen. Een raadsonderzoek, zoals door de moeder is voorgesteld, vindt de raad op dit moment niet passend. Het traject bij Buurtteams moet eerst doorlopen worden. De raad vindt een zorgregeling waarbij de kinderen vijf dagen bij de vader zijn en vervolgens negen dagen bij de moeder op dit moment het meest in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Gelijk overstappen naar een co-ouderschap, zoals door de vader is verzocht, vindt de raad nu niet in het belang van de kinderen. Daarvoor is de omschakeling, gelet op het gedrag dat de kinderen laten zien, volgens de raad te groot. Wel adviseert de raad ouders samen toe te gaan werken naar een gelijke verdeling van de zorgtaken.
Hoe oordeelt het hof?
Anders dan de rechtbank, vindt het hof dat wel sprake is van relevante wijzigingen van omstandigheden die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigen. Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat zowel de vader als de moeder ook vinden dat er gewijzigde omstandigheden zijn. Na het ondertekenen van het ouderschapsplan, waarin een zorgregeling was opgenomen, heeft de moeder nog een kind gekregen. Bovendien gaat de vader verhuizen.
Het hof zal de door de ouders in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling wijzigen en bepalen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de even weken van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven. Het hof vindt deze regeling het meest in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Doordat de omgang nu meerdere dagen achter elkaar plaatsvindt, in de plaats van vaker kortere periodes, zal het aantal wisselmomenten verminderen. De ouders zijn het er ook over eens dat de kinderen last hebben van de vele wisselmomenten. Met deze regeling hebben de vader en de kinderen bovendien nog (ongeveer) evenveel contact met elkaar als bij de regeling uit het ouderschapsplan, ook al is daar een periode van negen dagen bij waarin vader de kinderen niet ziet. Dat is voor nu het gevolg van de noodzaak tot het beperken van het aantal wisselmomenten. Daarnaast zorgt deze regeling ook voor minder contactmomenten tussen de ouders, wat naar verwachting tot minder spanning zal leiden. Het hof benadrukt hierbij dat het voor de kinderen van belang is dat de ouders, onder begeleiding van Buurtteams, gaan werken aan de verbetering van hun communicatie. Omdat dit traject nog opgestart moet worden en het hof zich verder voldoende voorgelicht acht, vindt het hof een raadsonderzoek niet nodig.
Net als de raad vindt het hof een zorgregeling waarbij de kinderen bij beide ouders evenveel tijd doorbrengen, zoals de vader heeft verzocht, op dit moment niet in het belang van de kinderen. Voor een zogenoemde ‘co-ouderschapsregeling’ is vereist dat de ouders met elkaar kunnen communiceren en samenwerken om te voorkomen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] door een dergelijke regeling onnodig (extra) worden belast. Het hof acht de ouders daar op dit moment (nog) onvoldoende toe in staat. Het hof hoopt dat de hulpverlening vanuit Buurtteams de verstandhouding en de communicatie tussen de ouders gaat verbeteren.
Het hof zal het verzoek van de vader, om te bepalen dat [de minderjarige2] zijn hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben en ook op zijn adres wordt ingeschreven, afwijzen. Nu [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de meeste tijd bij de moeder verblijven, vindt het hof het passend dat zij hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben (en ook op haar adres staan ingeschreven). Door de vader zijn in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die moeten leiden tot een ander oordeel.
De beslissing van de rechtbank zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).
Uitvoerbaar bij voorraad
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van de ouders de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
6 De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van
4 maart 2026, en:
wijzigt de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling, welke
regeling onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Gelderland van 7 oktober 2024, en bepaalt dat als zorgregeling zal gelden dat de kinderen in de even weken van woensdag (uit school) tot maandag (naar school) bij de vader verblijven en de overige dagen bij de moeder;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op
29 september 2026.