GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.981/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 199055)
beschikking van 24 september 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. K.E. van Hoeve te Sneek,
en
[verweerder] (de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C. Niens te Zwolle.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is, voor zover het de zorgregeling betreft, gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
1 De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 december 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 8 april 2026 met bijlage(n);
- een brief, tevens aanvullend verzoek, van de vader van 7 juli 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 22 juli 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 23 juli 2026 met bijlage(n).
Het hof heeft op 10 april 2026 twee afzonderlijke brieven ontvangen van de hierna nader te noemen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , waarin zij hun mening kenbaar hebben gemaakt over de verzoeken.
De mondelinge behandeling heeft op 6 augustus 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Er was een vertegenwoordiger van de raad aanwezig bij de behandeling van het verzoek over de zorgregeling. De advocaat van de moeder heeft mede het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.
3 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2013, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2016.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Bij beschikking van 11 januari 2022 is een zorgregeling vastgesteld, die inhoudt dat de kinderen om de week een weekend van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen ophaalt en terugbrengt bij de moeder, en is een regeling voor de vakanties en feestdagen vastgesteld.
Bij beschikking van 22 augustus 2022 is de behoefte van de kinderen vastgesteld op
€ 586,- per maand in 2022; dat is € 293,- per kind per maand. Daarnaast is, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, bepaald dat de vader met ingang van 1 april 2022 € 199,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna: kinderalimentatie) moet voldoen aan de moeder.
Bij vonnis van 21 mei 2026 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) uitgesproken ten aanzien van de vader, met een termijn van 18 maanden te rekenen vanaf
21 oktober 2025, waardoor deze eindigt op 21 april 2027.
4 Het geschil
Bij de bestreden beschikking is de beschikking van, naar het hof begrijpt, 22 augustus 2022, ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd. De rechtbank heeft de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 28 februari 2025 - en voor zolang de schuldregeling (minnelijk dan wel wettelijk) op de vader van toepassing is - op nihil gesteld. Daarnaast heeft de rechtbank in de bestreden beschikking de beschikking van 11 januari 2022 ten aanzien van de zorgregeling gewijzigd en bepaald dat het halen en brengen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tussen de ouders bij helfte wordt gedeeld.
De moeder komt met drie grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking.
Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vader af te wijzen, althans een zodanige bijdrage met ingang van een zodanige datum vast te stellen die het hof juist acht, met dien verstande dat de gewijzigde bijdrage niet eerder dient in te gaan dan per datum beschikking.
De vader voert verweer en wil dat het hof de verzoeken van de moeder afwijst, dan wel een beslissing neemt die het hof juist acht. De vader komt op zijn beurt met vier grieven in incidenteel hoger beroep. Hij verzoekt het hof:
1) te bepalen dat de beschikking van 22 augustus 2022 wordt gewijzigd en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van
14 november 2024 voor de duur van de schuldregeling (minnelijk dan wel wettelijk) op nihil wordt gesteld, alsmede dat de bijdrage na afloop van de schuldregeling op maximaal
€ 107,- per kind per maand wordt gesteld, dan wel zodanig te beslissen als het hof juist acht;
2) te bepalen dat de beschikking van 11 januari 2022 wat betreft het vervoer van de zorgregeling wordt gewijzigd en dat de moeder [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij aanvang van het omgangsmoment bij de vader zal brengen en aan het eind van het omgangsmoment bij de vader zal ophalen, alsmede alsnog de raad opdracht te geven onderzoek te doen naar welke invulling van de zorgregeling en/of deskundige hulpverlening het meest in het belang van de kinderen is, dan wel zodanig te beslissen als het hof juist acht.
De moeder voert verweer en verzoekt het hof de verzoeken van de vader in incidenteel hoger beroep af te wijzen.
Bij brief van 7 juli 2026 heeft de vader aanvullend verzocht te bepalen dat de moeder aan de vader het verschil tussen de reeds betaalde onderhoudsbijdrage en de door het hof vast te stellen onderhoudsbijdrage over de periode 14 november 2024 tot en met de datum van de beschikking van het hof dient terug te betalen, met vastlegging van de totale vordering die de vader op basis daarvan op de moeder heeft.
De moeder heeft bij akte van 23 juli 2026 bezwaar gemaakt tegen dit aanvullend verzoek van de vader, verwijzend naar de twee-conclusieregel.
Ter zitting bij het hof heeft de vader zijn verzoek om de nihilstelling per 14 november 2024 in te laten gaan ingetrokken, zodat het hof daar niet op zal beslissen.
5 De overwegingen voor de beslissing
De zorgregeling
Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de zorgregeling wijzigen op de grond dat na het nemen van die beslissing de omstandigheden zijn gewijzigd of dat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het halen en brengen bij helfte tussen de ouders moet worden gedeeld. Op beide ouders rust de verantwoordelijkheid zich ervoor in te spannen dat de zorgregeling kan worden uitgevoerd. Het vervoer van de kinderen dat daarvoor nodig is, behoort in beginsel tot hun gezamenlijke verantwoordelijkheid. In dat wat de vader heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om in dit geval hiervan af te wijken. De vader heeft onvoldoende onderbouwd dat hij niet in staat is de kosten van het vervoer voor zijn rekening te nemen of dat hij het vervoer niet op een andere wijze kan organiseren.. Voor zover de vader heeft aangevoerd dat hij de bedrijfsbus van zijn werkgever voor slechts 500 kilometer per maand voor privédoeleinden mag gebruiken, leidt dit niet tot een ander oordeel. Van de vader mag worden verwacht dat hij de beschikbare kilometers benut om uitvoering te geven aan de zorgregeling.
De beslissing over de zorgregeling die aan het hof voorligt betreft alleen de vraag of er aanleiding is om de verdeling van het halen en brengen te wijzigen. Deze vraag leent zich niet voor een raadsonderzoek. Het hof wijst dit verzoek van de vader dan ook af. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de bepaling over het halen en brengen bekrachtigen.
Kinderalimentatie
Uit het rapport Alimentatienormen volgt dat als in een schuldsaneringstraject geen rekening wordt gehouden met een zorg- of onderhoudsverplichting, het aanbevolen wordt een nihilstelling aan te vragen. Dit betekent dat als er wél rekening wordt gehouden met een zorg- of onderhoudsverplichting een nihilstelling niet per se noodzakelijk is. Het uitgangspunt daarbij is dat het in het belang van kinderen is dat er financiële middelen zijn om in hun levensonderhoud te voorzien en dat zij niet de dupe mogen worden van de schulden van hun ouders.
Uit de stukken en wat op de zitting bij het hof is besproken is het volgende gebleken. De vader is bij vonnis van 21 mei 2026 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), met ingang van 21 oktober 2025. De WSNP-bewindvoerder heeft een aanvangsverslag opgesteld en een berekening gemaakt van het vrij te laten bedrag (VTLB-berekening). In die VTLB-berekening is een bedrag opgenomen van € 113,25 met als specificatie ‘omgangsregeling kinderen, 1 kind x 6 weken 3 dagen (€ 7,55 per dag) = € 181,20 en 2 kinderen x 2 weken 3 dagen (€ 7,55 per dag) = € 1177,80.’
De vader heeft verteld dat hij sinds augustus 2025 helemaal geen omgang meer heeft met [de minderjarige1] . Sinds enkele maanden ligt de omgang met [de minderjarige2] ook stil, dit vanwege de rugklachten van de vader. Daarvóór kwam het ook regelmatig voor dat de omgang met [de minderjarige2] niet doorging of dat ze eerder naar huis wilde. De vader heeft nog een dochter uit een andere relatie, [de minderjarige3] , die hij naar eigen zeggen één keer per zes weken een middag ziet.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval nihilstelling voor de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet nodig is. Hoewel in de VTLB-berekening niet specifiek een bedrag is opgenomen voor kinderalimentatie, is wel rekening gehouden met kosten die de vader zou hebben voor omgang met de kinderen. Het hof constateert dat de vader deze kosten echter niet heeft, omdat de omgang niet of in elk geval veel minder vaak of veel korter plaatsvindt. Het hof maakt hieruit op dat er enige financiële ruimte is voor een bijdrage van de vader in de kosten van levensonderhoud van de kinderen. Het hof zal daarom, met wijziging van de beschikking van 22 augustus 2022, bepalen dat de vader aan de moeder voor de duur van de WSNP een bedrag van € 50,- per kind per maand dient te betalen. Het hof zal net als de rechtbank en conform het verzoek van de vader bepalen dat deze wijziging ingaat per datum verzoekschrift in eerste aanleg, 28 februari 2025, omdat de moeder vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een wijziging.
De WSNP is tijdelijk van aard. Voor zover de vader het hof verzoekt de door hem te betalen kinderalimentatie na afloop van het schuldsaneringstraject op maximaal € 107,- per kind per maand vast te stellen, zal het hof dat verzoek afwijzen. Op dit moment bestaan er te veel onzekerheden over de financiële situatie van de vader na afloop van het schuldsaneringstraject om een berekening van de (toekomstige) draagkracht van de vader te maken. Zo is onzeker welk inkomen de vader dan zal hebben. De vader heeft nu werk, maar ondervindt fysieke klachten, zodat onduidelijk is hoe zijn arbeidssituatie zich in de komende periode zal ontwikkelen. Na afloop van de WSNP zal daarom de alimentatieverplichting, zoals opgenomen in de beschikking van 22 augustus 2022, herleven. Indien de omstandigheden op dat moment zodanig zijn gewijzigd dat die bijdrage niet (meer) aan de wettelijke maatstaven voldoet, ligt het op de weg van de vader om met de moeder in overleg te treden over de hoogte van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Terugbetalingsverplichting
9 Gelet op het feit dat het hof geen beslissing meer hoeft te nemen over de periode van 14 november 2024 tot 28 februari 2025 en het hof voor de periode vanaf 28 februari 2025 een hogere bijdrage vaststelt dan de rechtbank heeft vastgesteld, doet zich geen situatie voor waarin de vader aan de moeder een hogere kinderalimentatie heeft betaald dan hij op grond van deze uitspraak zou moeten doen. Er is dus geen grond voor een terugbetalingsverplichting, zodat het hof het verzoek van de vader daarover zal afwijzen.
6 De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 oktober 2025, voor zover het de bepaling over het halen en brengen van [de minderjarige1] , geboren [in] 2013, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2016, betreft;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
8 oktober 2025, voor zover daarbij is bepaald dat de door de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hiervoor genoemde minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 28 februari 2025 op nihil is gesteld voor zolang de schuldregeling van toepassing is, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2022 ten aanzien van de kinderalimentatie en bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 28 februari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hiervoor genoemde minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 50,- per kind per maand zal betalen, voor zolang de wettelijke schuldsaneringsregeling op de vader van toepassing is;
verklaart deze beschikking ten aanzien van 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Coster, M.A.F. Veenstra en M. Kemmers, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 24 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.