ECLI:NL:GHARL:2026:5699

Datum uitspraak
03-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.364.996/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Familierecht. Zorgregeling. Bekrachtiging. Geen vaststelling zorgregeling is een ontzegging van de omgang. Kinderen hebben geen contact met de moeder. Belaste geschiedenis. Zelfinzicht ontbreekt

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.364.996/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 340282)

beschikking van 3 september 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling,

Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI),

gevestigd te Zwolle.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] (de vader),

wonende te [woonplaats2] ,

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad)

regio Overijssel, locatie Zwolle.

1 Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft de bestaande verdeling van zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en bepaald dat er geen vaste zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geldt. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1

Het geregistreerd partnerschap van de vader en de moeder is op 22 mei 2013 ontbonden.

2.2

Zij zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2011. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vader. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

2.3

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 19 oktober 2020 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien jaarlijks verlengd. De ondertoezichtstelling liep tot 19 januari 2026 en is toen beëindigd.

2.4

Bij beschikking van 1 september 2021 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, een zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de GI de regie voert in het kaderen en afspreken van de contactmomenten tussen de moeder en de minderjarigen.

3 De procedure bij de kinderrechter3.1 De GI heeft de rechtbank verzocht de door de rechtbank op 1 september 2021 vastgestelde zorgregeling te wijziging, in de zin dat er geen vaste zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zal gelden.

3.2

De rechtbank heeft het verzoek van de GI toegewezen en – uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat er geen vaste zorgregeling meer tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geldt.

3.3

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 25 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking).

4 De procedure bij het hof

4.1

De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek van de GI alsnog afwijst. Daarbij heeft de moeder het hof gevraagd ambtshalve een zorgregeling vast te stellen als de bestreden beschikking wordt vernietigd.

4.2

De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter en wil dat het hof de beslissing in stand laat.

4.3

De vader wil ook dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.4

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 februari 2026;

- het verweerschrift van de GI;

- een brief van de raad van 20 mei 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;

- een journaalbericht namens de moeder van 8 juli 2026 met bijlage(n).

4.5

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben allebei een brief aan het hof geschreven op 7 juni 2026 waarin zij hun mening kenbaar hebben gemaakt.

4.6

De mondelinge behandeling heeft op 9 juli 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader en een vertegenwoordiger van de GI. De vertegenwoordiger van de GI was aanwezig via een beeldbelverbinding.

5 Het oordeel van het hof

Overweging vooraf 5.1 Het hof is van oordeel dat de rechtbank het verzoek van de GI terecht heeft toegewezen. Het hof onderschrijft de motivering van de rechtbank en neemt deze - na eigen onderzoek - over. Echter, nu de beslissing van de rechtbank inhoudt dat er geen vaste omgangsregeling meer tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de moeder geldt, is er feitelijk sprake van ontzegging van de omgang tussen de moeder en de kinderen. Het hof zal het verzoek dan ook als zodanig interpreteren en hierbij het juridische kader van artikel 1:377a lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) hanteren. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.

Wat staat in de wet?

5.2

De bestreden beschikking is gegeven op verzoek van de GI op grond van artikel 1:265g BW. De ondertoezichtstelling is op 19 januari 2026 tot een einde gekomen. In artikel 1:265g lid 3 BW is bepaald dat zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a lid 2 BW geldt. Ingevolge artikel 1:253a lid 4 (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan onder andere omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.

5.3

Artikel 1:377a lid 3 BW bepaalt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, ofb. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. De beperking van het recht op contact/omgang is altijd tijdelijk.

5.4

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Hoe oordeelt het hof? 5.5 Het hof is van oordeel dat de moeder het recht op omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet worden ontzegd omdat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van de kinderen en in strijd is met hun zwaarwegende belangen (artikel 1:377a en d lid 3 BW). Het hof zal hierna uitleggen waarom hij tot dit oordeel komt.

5.6

Het hof heeft begrip voor de wens van de moeder om deel te blijven uitmaken van het leven van de kinderen. Maar gelet op de complexe geschiedenis van de moeder met de kinderen is het naar het oordeel van het hof belangrijk dat de kinderen niet worden blootgesteld aan de onrust en stress die zij ervaren rondom contact met hun moeder en weegt dit belang zwaarder dan het belang van de moeder.

De moeder heeft aangevoerd dat zij niet snapt waarom de kinderen haar niet willen zien en meent dat deze keuze van de kinderen het gevolg is van negatieve beïnvloeding door de vader en een gebrek aan inspanning door de vader om het contact te stimuleren. Hierin volgt het hof de moeder niet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt het hof af dat er veel gebeurd is tussen de moeder en de kinderen. Zo zijn de kinderen uithuisgeplaatst van de moeder naar de vader, heeft de moeder volgens de kinderen in aanwezigheid van de kinderen diefstal gepleegd en vertelde zij onwaarheden over gebeurtenissen tijdens de omgang waardoor de kinderen in de situatie werden gebracht dat zij moesten liegen over wat zij met de moeder hadden gedaan. De kinderen ervaren structureel druk, spanning en emotionele belasting door het gedrag van moeder. De (begeleide) omgangsmomenten hebben geleid tot stress, angst en onzekerheid bij de kinderen, onder andere door emotionele manipulatie en onvoorspelbaar gedrag van moeder. Hierdoor ervaren [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geen ruimte voor contact of om een veilige en stabiele band met hun moeder te ontwikkelen. Er is uitgebreid en langdurig hulpverlening ingezet op contactherstel maar dit heeft er niet toe kunnen leiden dat de situatie structureel is verbeterd. Moeder laat geen leerbaarheid zien en weigert gesprekken en contactmomenten met hulpverlening en de GI na te komen. Dit heeft geleid tot een blijvend patroon van conflicten en verwijten, waardoor de professionele begeleiding van de kinderen ernstig werd bemoeilijkt en de kinderen nu al geruime tijd aangeven geen contact met de moeder te willen.

Naar het oordeel van het hof is een belangrijke verklaring hiervoor dat de moeder geen inzicht lijkt te hebben in het effect van haar eigen gedrag op de wens van de kinderen om haar te zien. Er bestaat naar het oordeel van het hof – gelet op de uitgebreide inzet van hulp en de houding van de moeder - ook geen zicht op verbetering. Daarvoor is namelijk nodig dat de moeder begrijpt wat haar gedrag met de (gevoelens van emotionele veiligheid van de) kinderen doet. Het hof weegt verder mee dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren komt dat het de kinderen goed doet dat zij nu geen contact met hun moeder hebben en dat zij meer rust ervaren.

5.7

Gelet op de leeftijd van de kinderen en in aanmerking nemend dat zij uitgebreid zijn betrokken in de hulpverleningstrajecten voor contactherstel vindt het hof het bovendien belangrijk rekening te houden met hun consistente wens om geen contact met de moeder te hebben en zal het hof deze wens deze volgen.

5.8

Het vorenstaande betekent dat het hof net als de rechtbank van oordeel is dat er geen vaste zorgregeling tussen de moeder en de kinderen moet gelden en dat wil zeggen dat de moeder het recht op omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet worden ontzegd en dat haar verzoek tot ambtshalve vaststelling van een zorgregeling moet worden afgewezen. Het hof wil richting de moeder benadrukken dat het belangrijk is dat zij de wens van de kinderen respecteert en het initiatief tot contact bij hen zal laten.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 25 november 2025 en;

ontzegt de moeder het recht op omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.H.P. Selcraig, F. Van der Meulen en A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 3 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »