Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/720606 / FA RK 26-4356
Beschikking van 8 september 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. K. Beumer te Middelharnis,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. J.C. Herweijer te Rijswijk.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 29 mei 2026;
-
het verweerschrift, ingekomen op 6 augustus 2026;
-
drie berichten, elk met bijlage, van de vrouw, ingekomen op 6 augustus 2026;
-
een (audio)bericht van de man, ingekomen op 6 augustus 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnota overgelegd.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De oudste minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt. De jongste minderjarige heeft haar mening schriftelijk gegeven.
2 De vaststaande feiten
Het geregistreerd partnerschap van partijen is op 23 augustus 2017 omgezet in een huwelijk. De echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2022. Deze beschikking is ingeschreven op 17 maart 2022 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] .
Partijen oefenen van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen uit.
Partijen hebben in het kader van de ontbinding van het huwelijk op 12 januari 2022 een ouderschapsplan (hierna: het ouderschapsplan) met elkaar gesloten. Daarin is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
Artikel 2 — Inschrijving bevolkingsregister/kinderbijslag /verhuizing/identiteitsbewijs
Inschrijving bevolkingsregister
Zoon [minderjarige 1] zal in het bevolkingsregister worden ingeschreven op het adres van de vader,
dochter [minderjarige 2] zal in het bevolkingsregister worden ingeschreven op het adres van de moeder.
(..)
Artikel 3 — Verzorging en opvoeding
Dagelijkse zorg/contactregeling
De ouders zijn de volgende zorg/contactregeling overeengekomen:
° de kinderen verblijven bij de moeder van woensdagmiddag na school tot zondagochtend 11:00 uur, waarbij zij door de moeder bij school, of bij dagen dat zij niet naar school gaan bij vader om 13.00 uur worden opgehaald;
° de kinderen verblijven bij de vader van zondagochtend 11.00 uur tot woensdag naar school, waarbij vader de kinderen bij moeder ophaalt.
Indien de omstandigheden dit vragen, kan de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
worden aangepast.
Indien een ouder verhinderd is de zorg voor de kinderen op zich te nemen, dan zal steeds
eerst de andere ouder gevraagd worden die zorg op zich te nemen. Is de andere ouder ook
verhinderd dan is de ouder bij wie de kinderen ingevolge de zorg-/contactregeling zouden
zijn, de ouder die verantwoordelijk is om voor opvang te zorgen. Deze regeling geldt ook voor
de vakanties, feestdagen en overige bijzondere dagen.
Vakanties
Gedurende de vakanties loopt in beginsel de standaardregeling door, tenzij één van de ouders met de kinderen op vakantie wenst te gaan.
De ouders zullen de schoolvakanties in onderling overleg verdelen. Als uitgangspunt geldt dat
de ouders ieder de helft van de zorg voor de kinderen tijdens de schoolvakanties op zich neemt, conform de reguliere zorgregeling. Indien één van de ouders op vakantie wil, wordt dit in overleg afgestemd, waarbij in acht wordt genomen dat de kinderen zolang [minderjarige 2] nog geen 7 jaar oud is, gedurende een vakantie maximaal 8 dagen aaneengesloten verblijven bij één van de ouders, tenzij anders is overeengekomen. Nadat [minderjarige 2] 7 jaar is geworden zal deze termijn 14 dagen bedragen. De andere ouder zal met een dergelijk voornemen instemmen, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. Partijen streven er naar dat beide ouders in gelijke mate in staat zullen zijn met de kinderen op vakantie te gaan.
Het ouderschapsplan is opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van
22 februari 2022.
3 De beoordeling
Zorgregeling
De man verzoekt zowel de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) als de regeling voor de verdeling van de vakanties en feestdagen te wijzigen op de door hem voorgestelde wijze.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De minderjarigen waren ten tijde van het ouderschapsplan drie en vijf jaar en inmiddels zijn zij acht en tien jaar oud. De rechtbank ziet in dat tijdsverloop en het daarmee samenhangende feit dat de minderjarigen zich inmiddels in een andere ontwikkelingsfase bevinden waarin zij druk zijn met school en hobby’s, een relevante wijziging van omstandigheden.
De reguliere zorgregeling
De huidige reguliere zorgregeling komt er kort gezegd op neer dat de minderjarigen afwisselend vier dagen bij de vrouw en drie dagen bij de man verblijven. De man verzoekt nu een regeling vast te stellen waarbij de minderjarigen eerst twee dagen afwisselend bij partijen verblijven en vervolgens vijf dagen bij ieder van hen, een zogenoemde 2-2-5-5-regeling.
Het verzoek van de man is met name ingegeven door zijn wens om de minderjarigen regelmatig een volledig weekend bij zich te hebben.
De vrouw acht het niet in het belang van de minderjarigen de huidige regeling te wijzigen. Zij voert daartoe aan dat die regeling al jarenlang wordt uitgevoerd en de minderjarigen daaraan gewend zijn en er rust en baat bij ervaren. De regeling verschaft een duidelijk ritme en iedere week verloopt op dezelfde wijze.
De rechtbank neemt in het kader van de belangenafweging de volgende omstandigheden in aanmerking.
De verstandhouding van partijen is ernstig verstoord. Ten tijde van de relatiebreuk en de echtscheiding liepen de emoties tussen hen zeer hoog op. Partijen hebben professionele hulpverlening ingeschakeld om samen te werken aan een verbetering van hun ouderrelatie. Ze hebben meerdere trajecten gevolgd en voeren (per september a.s. weer) gesprekken bij een Parenting Coördinator. Het is partijen echter tot op heden niet gelukt een manier te vinden om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Zij wijten dit ieder aan de ander. De vrouw beschuldigt de man van dwingende controle jegens haar. Volgens de man is het juist de vrouw die zich controlerend opstelt en steeds van hem verwacht dat hij zich voegt aan haar wensen en inzichten.
Dat sprake is van een zeer onevenwichtige ouderrelatie waarin de een de ander volledig domineert en daarom de toon en de aard van de gesprekken beheerst, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan. Dat de man zich in het verleden laakbaar heeft gedragen jegens de vrouw met kenmerken van dwingende controle staat vast, maar de door haar in dat verband genoemde handelingen hebben met name betrekking op de periode volgend op de relatiebreuk in 2021. De rechtbank kan nu alleen vaststellen dat de verstandhouding van partijen slecht is, waarbij de vrouw het gedrag van de man als dwingend en onvoorspelbaar ervaart en de man meent dat de vrouw controlerend en dwangmatig jegens hem is. De rechtbank is niet duidelijk wat de daaraan ten grondslag liggende dynamiek is en laat dit verder buiten beschouwing.
De rechtbank acht de wens van de man om de minderjarigen ook regelmatig in de weekenden bij zich te hebben op zich legitiem en redelijk. Dit belang moet worden afgewogen tegen het belang van de vrouw bij het in stand houden van de huidige regeling en ook het belang van de minderjarigen moet worden meegenomen. Laatstbedoeld belang staat voorop.
De rechtbank overweegt dat als onweersproken vast staat dat de Parenting Coördinator op 18 februari 2026 met beide minderjarigen heeft gesproken en dat zij hebben aangegeven geen verandering van de regeling te willen. De kindbrief van de jongste minderjarige bevestigt dat. Volgens de man is het een feit dat kinderen over het algemeen bang zijn voor verandering en dus meestal zullen opteren voor een status quo. Dat kan zo zijn, maar de mening van de minderjarigen over de zorgregeling kan niet los worden gezien van de hevige relatieproblematiek van partijen. Ze worden daar al meerdere jaren mee belast, onderstreept ook de raad. Dat zij behoefte hebben aan een voortzetting van de huidige regeling, komt de rechtbank reëel en begrijpelijk voor.
De rechtbank acht het op grond van het vorenstaande, net als de raad, aangewezen de huidige reguliere regeling in de basis in stand te houden. Wel zal daarop een aanpassing worden gedaan, zodat de man regelmatig een volledig weekend met de minderjarigen heeft. De minderjarigen hebben te kennen gegeven dat zij met name niet lang aangesloten bij de man willen verblijven. Op dit moment verblijven zij drie nachten aaneengesloten bij de man. In het voorstel van de man verblijven de minderjarigen langere tijd aaneen bij de man wanneer de minderjarigen in het weekend bij de man verblijven. De rechtbank zal het voorstel van de man volgen met een kleine aanpassing zodat ook aan het belang en de wens van de minderjarigen en de vrouw wordt tegemoet gekomen.
De rechtbank zal bepalen dat de minderjarigen met ingang van 28 september 2026 in de even weken op maandag en dinsdag bij de man verblijven, op woensdag en donderdag bij de vrouw en op vrijdag tot en met zondag bij de man. In de oneven weken verblijven de minderjarigen op maandag bij de man en op dinsdag tot en met zondag bij de vrouw.
Verdeling van vakanties en feestdagen
Partijen hebben in 2022 in het ouderschapsplan vastgelegd dat zij de reguliere regeling tijdens de schoolvakanties doorloopt tenzij een van partijen met hen op vakantie wil.
De man verzoekt de vakanties en feestdagen voortaan concreet te verdelen om discussies in de toekomst te voorkomen.
De vrouw acht een concrete verdeling niet nodig en ongewenst. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het alleen in het geval van een vakantiereis nodig is dat de minderjarigen een week of langer bij een van de ouders verblijven.
De rechtbank acht het gelet op de moeizame verstandhouding van partijen, met de raad, in het belang van de minderjarigen de vakanties en feestdagen concreet te verdelen. Een concrete verdeling geeft duidelijkheid aan alle betrokkenen en laat aanzienlijk veel minder ruimte voor discussie dan nu het geval is. Dit weegt zwaarder dan de wens die de minderjarigen volgens de vrouw hebben om niet te lang van de andere ouder weg te zijn.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de minderjarigen hieraan kunnen en zullen wennen.
De vrouw heeft zich niet inhoudelijk uitgelaten over de door de man voorgestelde regeling. Die zal daarom als onweersproken worden vastgesteld.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2022 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 12 januari 2022 in die zin dat de reguliere regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van 28september 2026 wordt vastgesteld als volgt:
-
in de even weken verblijven de minderjarigen op maandag en dinsdag bij de man, op woensdag en donderdag bij de vrouw en op vrijdag tot en met zondag bij de man;
-
in de oneven weken verblijven de minderjarigen op maandag bij de man en op dinsdag tot en met zondag bij de vrouw.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2022 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 12 januari 2022 in die zin dat de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:
|
Vakantie |
Man |
Vrouw |
|
Voorjaarsvakantie |
Oneven jaren |
Even jaren |
|
Meivakantie |
Oneven jaren: week 1 Even weken: week 2 |
Oneven jaren: week 2 Even weken: week 1 |
|
Zomervakantie |
Oneven jaren: week 1, 2 en 5 Even weken: week 3, 4 en 6 |
Oneven jaren: week 3, 4 en 6 Even weken: week 1, 2 en 5 |
|
Herfstvakantie |
Even jaren |
Oneven jaren |
|
Kerstvakantie |
Oneven jaren: week 1 Even jaren: week 2 |
Oneven jaren: week 2 Even jaren: week 1 |
|
Feestdag |
Man |
Vrouw |
|
kerstavond |
Even en oneven jaren |
|
|
1e kerstdag |
Even en oneven jaren |
|
|
Vaderdag |
Even en oneven jaren vanaf de dag ervoor 16:00 uur |
|
|
Moederdag |
Even en oneven jaren vanaf de dag ervoor 16:00 uur |
|
|
Verjaardag man |
Even en oneven jaren vanaf de dag ervoor 16:00 uur |
|
|
Verjaardag vrouw |
Even en oneven jaren vanaf de dag ervoor 16:00 uur |
|
|
Koningsdag |
Oneven jaren |
Even jaren |
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. Ligthart, griffier, op 8 september 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.