ECLI:NL:GHARL:2026:6215

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.368.669
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging zorgregeling.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.368.669

zaaknummer rechtbank Gelderland 458067

beschikking van 29 september 2026

in de zaak van

[verzoeker] (de vader)

die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]

advocaat: mr. A.M.C.A. Ippel

en

[verweerster] (de moeder)die woont in [woonplaats2]advocaat: mr. K.C.G.M. Suijker

1 Samenvatting

De rechtbank heeft de opvoedovereenkomst gewijzigd en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [de minderjarige] , die is geboren [in] 2020 in [plaats] .

2.2.

De vader heeft [de minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

2.3.

De ouders hebben geen relatie met elkaar gehad, maar wel gezamenlijk gekozen voor een kindje. Ze hebben voor de geboorte van [de minderjarige] afspraken met elkaar gemaakt over de verzorging en opvoeding van hun kind en eventuele andere kinderen. Deze afspraken zijn neergelegd in een opvoedovereenkomst. De ouders zijn in de opvoedovereenkomst – onder meer – overeengekomen dat het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Ook zijn zij de volgende zorgregeling overeengekomen:

- het kind/ de kinderen zijn zes dagen in de week bij de moeder en één doordeweekse dag overdag bij de vader;

- het uitgangspunt is dat het kind/ de kinderen op termijn één weekend per vier/ drie weken bij de vader is. Hier wordt in overleg tussen de vader en de moeder naartoe gewerkt naarmate het kind ouder wordt;

- vakantie en feestdagen zullen altijd in overleg gaan tussen de vader en de moeder;

- de intentie is om met regelmaat gezamenlijke activiteiten te ondernemen.

Verder hebben zij de volgende intentie afgesproken voor het moment dat [de minderjarige] tussen de vier en twaalf jaar oud is:

‘Intentie van beide ouders is:

4 t/m 12 jaar: intentie is dat het weekend bij vader van vrijdagmiddag tot zondagmiddag is. De overgang naar vader is afhankelijk van praktische invulling van de dagindeling van het kind en kan in overleg verplaatst worden naar zaterdagochtend.

Intentie is dat, mocht het qua reisafstand haalbaar zijn, dat vader op de doordeweekse dag het kind ophaalt bij moeder in de ochtend en zelf naar school brengt. In de middag haalt vader het kind van school en brengt hem/ haar een uur voor bedtijd weer naar moeder.

Intentie is dat het kind/ de kinderen tijdens vakanties in ieder geval 15 vakantiedagen verblijft/ verblijven bij de vader. Feestdagen zullen gelijk verdeeld worden vader en moeder.’

2.4.

De moeder heeft samen met haar huidige partner nog twee andere kinderen gekregen: Jolijn en Lauren.

3 De procedure bij de rechtbank

3.1.

De vader heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat:

Primair:

- de zorgregeling wordt opgebouwd met een regeling die inhoudt dat [de minderjarige] de eerste acht weken vanaf de datum van de beschikking om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school haalt en de moeder [de minderjarige] op zondagavond om 18.30 uur bij de vader ophaalt;

- de zorgregeling tussen de ouders en [de minderjarige] vast te stellen c.q. te wijzigen naar een regeling die inhoudt dat [de minderjarige] :

  • drie van de vier weekenden per vier weken van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school haalt en de moeder [de minderjarige] op zondagavond om 18.30 uur bij de vader ophaalt;

  • indien [de minderjarige] op de vrijdag voorafgaand of de maandag volgend op het weekend geen school heeft, wegens ziekte, studiedagen of om andere redenen thuis is, zij vanaf vrijdagochtend 10.00 uur en/of tot maandagochtend 10.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder haalt en de moeder [de minderjarige] bij de vader haalt.

  • de helft van de vakantiedagen bij de vader verblijft;

- althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank het meest in het belang van [de minderjarige] voorkomt.

Subsidiair:

- De zorgregeling tussen de ouders en [de minderjarige] vast te stellen c.q. te wijzigen naar een regeling die inhoudt dat [de minderjarige] :

  • iedere vrijdagmiddag uit school tot en met zaterdagochtend bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op zaterdagochtend om 11.00 uur bij de vader ophaalt;

  • om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op zondagavond om 18.30 uur bij de vader ophaalt;

  • de helft van de vakantiedagen bij de vader verblijft.

En verder heeft hij verzocht een regeling vast te stellen voor de verdeling van de feest- en vakantiedagen.

3.2.

De rechtbank heeft de opvoedovereenkomst tussen de ouders gewijzigd en als definitieve zorgregeling vastgesteld dat [de minderjarige] bij de vader verblijft een keer in de twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] uit school haalt en de moeder [de minderjarige] op zondag ophaalt bij de vader. De rechtbank heeft ook een voorlopige regeling vastgesteld voor de verdeling van de vakanties en feestdagen, inhoudende dat zij de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft. De definitieve beslissing over de verdeling van de vakanties en feestdagen (alsmede over de kinderalimentatie) heeft de rechtbank aangehouden.

3.3.

Die beslissing (over de zorgregeling) is vastgelegd in een beschikking van 12 februari 2026.

3.4

In de beschikking van 17 juli 2026 van de rechtbank Gelderland is een definitieve regeling vastgesteld voor de verdeling van de vakanties en feestdagen.

4 De procedure bij het hof

4.1.

De vader is het niet eens met de beschikking van de rechtbank van 12 februari 2026. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof die beschikking van de rechtbank, ten aanzien van de zorgregeling, ongedaan maakt en hij verzoekt:

Primair

- Een zorgregeling tussen de ouders en [de minderjarige] vast te stellen c.q. te wijzigen naar een regeling die inhoudt dat [de minderjarige] drie van de vier weekenden per vier weken van vrijdagmiddag uit school tot en met zondag bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de vader ophaalt;

- althans een zodanige regeling vast te stellen die het hof juist acht.

Subsidiair

- Een zorgregeling tussen de ouders en [de minderjarige] vast te stellen c.q. te wijzigen naar een regeling die inhoudt dat [de minderjarige] twee van de drie weekenden per drie weken van vrijdagmiddag uit school tot en met zondag bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de vader ophaalt;

- althans een zodanige regeling vast te stellen die het hof juist acht.

Meer subsidiair

- Een zorgregeling tussen de ouders en [de minderjarige] vast te stellen c.q. te wijzigen naar een regeling die inhoudt dat [de minderjarige] :

 in de weken waarin [de minderjarige] niet het volledige weekend bij de vader verblijft, zij iedere

vrijdagmiddag uit school tot en met zaterdagochtend bij de vader verblijft, waarbij

de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op zaterdagochtend om 10.00 uur bij de vader ophaalt;

 om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de vader ophaalt;

- althans een zodanige regeling vast te stellen die het hof juist acht.

Meest subsidiair:

- Een zorgregeling tussen de ouders en [de minderjarige] vast te stellen c.q. te wijzigen naar een regeling die inhoudt dat [de minderjarige] :

  • om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag uit school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de vader ophaalt.

  • in de week dat [de minderjarige] niet in het weekend bij de vader verblijft, [de minderjarige] van

donderdagmiddag tot vrijdagochtend bij de vader verblijft waarbij de vader [de minderjarige]

op donderdag van school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op vrijdagochtend bij de

vader ophaalt.

- althans een zodanige regeling vast te stellen die het hof juist acht.

4.2.

De moeder is het wel eens met de beschikking van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling in stand laat.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.3.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift, ontvangen op 8 mei 2026

  • het verweerschrift

  • de stukken van de moeder ingediend op 21 augustus 2026

  • de spreekaantekeningen van de advocaat van de vader

  • de spreekaantekeningen van de advocaat van de moeder

4.4.

De zitting bij het hof was op 1 september 2026. Aanwezig waren:

  • de vader met zijn advocaat

  • de moeder met haar advocaat

  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming

5 Het oordeel van het hof

Wat staat er in de wet?

5.1.

Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.2.

De rechter neemt een beslissing die in het belang van het kind wenselijk is. De rechter dient bij die beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

Wat vinden partijen?

5.3.

De vader vindt een zorgregeling waarbij [de minderjarige] een keer in de twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij hem verblijft, niet in het belang van [de minderjarige] . Volgens de vader brengt deze regeling, waarbij [de minderjarige] de vader tien dagen niet ziet, niet meer rust. [de minderjarige] mist haar vader en zijn gezin en zij heeft last van de lange periode tussen de contactmomenten. Volgens de vader hebben de ouders bewust gekozen voor een constructie waarin [de minderjarige] met beide ouders een volwaardige en duurzame band zou opbouwen. De vader is om deze reden van [provincie] naar [woonplaats1] verhuisd. Vervolgens is de moeder met [de minderjarige] naar [woonplaats2] verhuisd. De verhuizing naar [woonplaats2] bemoeilijkt volgens de vader de uitvoering van een ruimere zorgregeling. Vooral het doordeweekse contactmoment met de vader was belastend voor [de minderjarige] . De vader vindt het belangrijk dat de gevolgen van de gewijzigde afstand tussen de vader en [de minderjarige] niet uitsluitend worden opgevangen door een vermindering van het contact. Volgens de vader blijkt namelijk nergens uit dat een ruimere zorgregeling, met meer contact in de weekenden, niet in het belang van [de minderjarige] zou zijn. Deze regeling biedt volgens de vader voldoende rust en voorspelbaarheid en doet recht aan het belang van [de minderjarige] bij frequent en structureel contact met de vader.

5.4.

Volgens de moeder is het contact tussen de vader en [de minderjarige] juist uitgebreid. Eerder zag de vader [de minderjarige] elke week van dinsdag uit school tot woensdagochtend naar school en eenmaal per drie à vier weken een weekend. Daarnaast verbleef [de minderjarige] vijftien vakantiedagen per jaar bij de vader. Nu verblijft [de minderjarige] een keer in de twee weken van vrijdag uit school tot zondagavond bij de vader en worden alle vakanties en feestdagen bij helfte verdeeld. De nieuwe zorgregeling biedt volgens de moeder rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid, waarborgt goed contact met beide ouders en is uitvoerbaar zonder voortdurende wisselingen en overleg. Dit is volgens de moeder in het belang van [de minderjarige] . Een zorgregeling waarbij [de minderjarige] meer weekenden bij de vader doorbrengt vindt de moeder niet in haar belang. Er blijft dan volgens de moeder minder ruimte over voor [de minderjarige] gezin bij de moeder, haar sociale activiteiten, sport, vriendinnen en bijzondere gebeurtenissen.

5.5.

De raad heeft het hof tijdens de zitting geadviseerd de zorgregeling die door de rechtbank is vastgesteld te bevestigen. Volgens de raad heeft [de minderjarige] behoefte aan duidelijkheid. Er ontstaat veel ruis door doordeweekse wisselingen en wijzigingen in de weekenden. Volgens de raad is een weekendregeling waarbij [de minderjarige] om de week bij de vader verblijft het meest in het belang van [de minderjarige] . De invulling van haar weekenden zal naarmate zij ouder wordt volgens de raad steeds meer worden ingevuld door sociale activiteiten en sporten en hobby’s. Een duidelijke weekendregeling is dan belangrijk. De ouders wonen nu eenmaal ver uit elkaar, in dat geval is volgens de raad een weekendregeling het meest passend. Uitbreiding naar meerdere weekenden bij de vader brengt volgens de raad teveel onrust met zich mee.

Hoe oordeelt het hof?

5.6.

Het hof vindt dat de zorgregeling die de rechtbank heeft vastgesteld, waarbij [de minderjarige] een keer in de twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft, het meest in het belang van [de minderjarige] is. Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gegeven motivering. Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over. Het hof voegt hieraan het volgende toe.

5.7.

Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat de ouders samen overleg hebben gevoerd over de manier waarop [de minderjarige] moest worden geïnformeerd over de nieuwe zorgregeling. Dit is in goed overleg gegaan. Inmiddels loopt deze zorgregeling al sinds februari 2026. De ouders hebben verteld dat [de minderjarige] een gevoelig meisje is dat dingen graag goed wil begrijpen. Zij heeft moeite met veranderingen en het duurde even voordat ze gewend was aan de nieuwe zorgregeling. Inmiddels verloopt deze zorgregeling volgens de ouders goed en zien zij ook de voordelen hiervan.

5.8.

Het hof begrijpt de wens van de vader om meer tijd met [de minderjarige] door te brengen, maar vindt de regelingen die de vader voorstelt niet in haar belang. [de minderjarige] heeft, door haar gevoelige karakter, moeite met de wisselingen en behoefte aan een duidelijke regeling. Een regeling waarbij [de minderjarige] meerdere weekenden per maand bij de vader verblijft, geeft naar het oordeel van het hof teveel onrust. Om de week een weekend bij vader zijn is het meest overzichtelijk. Van belang is verder dat [de minderjarige] bij de moeder woont en zij hier haar sociale leven heeft opgebouwd. Ze gaat hier naar school en heeft bij de moeder de meeste sociale contacten. Het hof vindt het belangrijk dat [de minderjarige] regelmatig ook een weekend bij de moeder kan doorbrengen, waarbij zij- anders dan op doordeweekse dagen- meer kan toekomen aan het ondernemen van sociale activiteiten met de moeder en haar gezin. Het hof neemt hierin ook mee dat tijdens de zitting is gebleken dat de ouders bij het opstellen van de opvoedovereenkomst al gesproken hebben over een mogelijke verhuizing van de moeder naar [woonplaats2] . Ouders wisten daarom destijds al, of hadden moeten weten, dat de afstand een belemmering zou kunnen gaan vormen voor een uitgebreidere zorgregeling dan nu door de rechtbank is vastgesteld.

6 De beslissing

Het hof:

6.1.

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 12 februari 2026;

6.2.

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op

29 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »