ECLI:NL:GHAMS:2026:2859

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.371.176/01 en 200.371.176/02
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 1:377e BW. Wijziging omgang; vaststelling tijdelijke omgangsregeling onder begeleiding van professionele instantie.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.371.176/01 (omgang) en 200.371.176/02 (schorsingsverzoek)

zaaknummer rechtbank: C/15/373218 / FA RK 25-6663

beschikking van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verzoekster in het incident,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. D. Klein te IJmuiden,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verweerder in het incident,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en

- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna: de raad.

1 De zaak in het kort

De zaak gaat over de tijdelijke omgangsregeling voor de vader met [minderjarige 1] (7 jaar) en [minderjarige 2] (6 jaar) (hierna: de kinderen) en de tenuitvoerlegging daarvan. De rechtbank heeft een tijdelijke omgangsregeling vastgesteld, waarbij de kinderen twee uur per week omgang hebben met de vader, onder begeleiding van vaders zus of moeder. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat de tijdelijke omgangsregeling wordt geschorst en dat geen omgang tussen de vader en de kinderen plaatsvindt, totdat een professionele instantie de omgang kan begeleiden. De vader is het eens met de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

De moeder is op 1 juli 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank). Het beroepschrift bevat ook een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking (200.371.176/02).

2.2

De vader heeft op 27 juli 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd op het incidenteel hoger beroep.

2.4

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de moeder van 18 augustus 2026 met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de moeder van 19 augustus 2026 met bijlagen.

2.5

De zitting heeft op 31 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en

- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.

De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2019 te [plaats C] , en

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2020 te [plaats C] .

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent het gezag uit over de kinderen.

3.2

Bij beschikking van 28 augustus 2020 heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de GI) tot 28 februari 2021.

3.3

Bij beschikking van 5 december 2022 heeft de rechtbank de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld van de GI, voor de duur van één jaar. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot 5 september 2024 en is per die datum geëindigd.

3.4

Bij beschikking van 6 februari 2024, bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 3 september 2024, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij de vader wekelijks ten minste twee uur omgang met de kinderen heeft. De invulling en uitbreiding van de omgang zal plaatsvinden onder regie van de GI. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten afgewezen.

3.5

In een procedure voorlopige voorzieningen ex. artikel 223 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bij de rechtbank heeft op 25 februari 2026 een zitting plaatsgevonden. De vader heeft toen zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken nadat de ouders tot de volgende afspraken zijn gekomen:

“De omgang tussen de vader en de kinderen zal zo snel mogelijk worden hervat. Partijen beginnen met twee (2) uur per week begeleide omgang op een vaste dag. Zij zullen nog afspreken of dit maandag of woensdag zal zijn. De halfbroer van de kinderen zal één keer per maand meekomen naar het omgangsmoment. Het doel van partijen is dat de omgang in stapjes wordt uitgebreid in omvang en op termijn ook onbegeleid zal plaatsvinden. De SIG zal de regie voeren over de omgang en zal de voortgang regelmatig evalueren. Dit betekent onder andere dat de SIG bepaalt hoe en waar de omgang zal plaatsvinden, wanneer en op welke manier de omgang wordt uitgebreid en of dit begeleid of onbegeleid zal zijn.

De moeder zal zo snel mogelijk contact opnemen met de SIG en – via de advocaten – de vader hierover informeren. Voorafgaand aan de hervatting van de omgang, zullen partijen onder begeleiding van de SIG een herstelgesprek houden. De vader zal de SIG de reclasseringsinformatie sturen die de SIG nodig acht in het kader van de omvang. Verder spreken de partijen af dat zij elkaar niet zien bij het overdrachtsmoment of de omgang.”

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad en met wijziging van de beschikking van 6 februari 2024, een tijdelijke omgangsregeling vastgesteld waarbij de kinderen wekelijks twee uur omgang met de vader hebben, onder begeleiding van de vaders zus of moeder. Het hoger beroep van de moeder richt zich tegen dit onderdeel van de beschikking.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de definitieve beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden tot 16 december 2026, dit in afwachting van het verloop van de voorlopige omgangsregeling en het via het Uniform Hulpaanbod (UHA) op te starten traject. Tegen dit deel van de beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

De hoofdzaak (200.371.176/01)

4.2

De moeder verzoekt in principaal hoger beroep, naar het hof begrijpt en met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat geen tijdelijke omgangsregeling tussen de vader en de kinderen geldt totdat een professionele instantie de omgang kan begeleiden.

4.3

De vader verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader te bepalen dat de moeder gehouden is haar volledige medewerking te verlenen aan de tijdelijke omgangsregeling, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer, dan wel voor iedere dag of het gedeelte daarvan dat zij nalaat daaraan medewerking te verlenen, met een maximum van € 10.000,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen dwangsom.

4.4

De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen.

Het verzoek tot schorsing (200.371.176/02)

4.5

De moeder verzoekt de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de tijdelijke omgangsregeling te schorsen gedurende de procedure in hoger beroep.

4.6

De vader verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In principaal en incidenteel hoger beroep (zaaknummer 200.371.176/01)

5.1

Gelet op de inhoud en de onderlinge samenhang van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep zal het hof deze grieven gezamenlijk bespreken en beoordelen.

Het wettelijk kader

5.2

Uit artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De standpunten

5.3

De moeder is het niet eens met de tijdelijke omgangsregeling die de rechtbank heeft vastgesteld, voor zover daarbij is bepaald dat de moeder of zus van de vader de omgang begeleiden. Door vaders houding en gedrag zijn er op dit moment geen andere mogelijkheden beschikbaar dan omgang van de vader met de kinderen onder begeleiding van een professionele instantie. Zonder professionele begeleiding kan de veiligheid van de kinderen onvoldoende worden gewaarborgd. Vaders zus en moeder zijn niet tegen hem opgewassen. De vader is in het verleden agressief geweest tegen zijn zus en moeder. Ook richting moeders netwerk heeft de vader zich agressief gedragen, waardoor bij hen nu geen draagkracht bestaat voor het begeleiden van de omgang. Daarnaast is in het verleden sprake geweest van huiselijk geweld gepleegd door de vader tegen de moeder, waarvan de kinderen getuige zijn geweest. De vader heeft op een bepaald moment ook in detentie gezeten wegens huiselijk geweld tegen zijn ex-partner. De moeder en de kinderen hebben traumabehandeling nodig gehad om te verwerken wat de vader hen heeft aangedaan. De kinderen hebben nu rust en voorspelbaarheid nodig en de vader kan dat nu niet bieden. Hij heeft niet laten zien dat hij zijn gedrag heeft verbeterd. Zo heeft de vader zich agressief geuit tegen medewerkers van de SIG, welke instantie de omgang zou gaan begeleiden en regie zou gaan voeren op de uitvoering van de ter zitting van 25 februari 2026 afgesproken regeling. Daarnaast heeft de moeder het afgelopen jaar zorgelijke foto’s en video’s van vaders ex-partner ontvangen, waaruit agressief gedrag van de vader blijkt. Op dit moment is geen professionele instantie beschikbaar om de omgang te begeleiden, nu de SIG niet meer betrokken wil zijn door vaders gedrag en de ouders op de wachtlijst staan voor hulp van het Jeugdteam van de gemeente. Pas als professionele omgangsbegeleiding beschikbaar is kan er weer omgang zijn. In dat geval zal de moeder de omgang niet tegenhouden; zij heeft altijd opengestaan voor (veilige) begeleide omgang. Een dwangsom, zoals de vader verzoekt, is dan ook niet passend.

5.4

Volgens de vader heeft de rechtbank de tijdelijke omgangsregeling op juiste gronden vastgesteld. Het is in het belang van de kinderen nodig dat het contact met de vader op korte termijn wordt hervat. De vader en de kinderen hebben elkaar al lange tijd niet gezien, voor het laatst in juli 2025, terwijl er geen contra-indicaties voor contact zijn. Het contact verliep destijds altijd goed. Ook zijn er geen signalen van onveiligheid als de kinderen bij de vader zijn. Moeders beschuldigingen zijn niet waar; de ouders hadden onderling vaak ruzie maar daarbij is nooit sprake geweest van huiselijk geweld. De vader heeft zich ook nooit agressief gedragen tegen zijn zus en moeder. Ook heeft de vader niet gedetineerd gezeten wegens huiselijk geweld tegen zijn ex-partner; zijn detentie had een andere reden. Verder heeft de vader nu een stabiel leven. De door de rechtbank bepaalde tijdelijke regeling is voor nu een goede oplossing. Met deze regeling is rekening gehouden met de door de moeder geuite zorgen, die overigens niet terecht zijn, en de regeling komt ook tegemoet aan het belang van de kinderen bij contact met de vader. Er zijn geen beletselen tegen begeleiding van de omgang door de moeder en zus van de vader. De vader staat ook open voor hulp, maar die is nu niet beschikbaar en er moet wel spoedig contactherstel komen. Dat de SIG niet meer betrokken is, is niet aan de vader te wijten. Dat komt doordat er meningsverschillen waren tussen de vader en begeleiders van het SIG, maar daarbij heeft de vader zich niet agressief gedragen. Het is echter de moeder die de omgang heeft stopgezet en niet de SIG. Verder is het nodig om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de omgang door de moeder, omdat de moeder geen uitvoering geeft aan de omgangsregeling en zij zich blijft verzetten tegen contactherstel.

Het advies van de raad

5.5

De raad adviseert om de tijdelijke omgangsregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld te vernietigen ten aanzien van de begeleiding. De raad ziet op dit moment geen mogelijkheden voor omgang anders dan onder begeleiding van een professionele instantie. In het verleden is sprake geweest van agressie door de vader en heeft hij de kinderen in onveilige situaties gebracht. Vanwege de problemen van de vader met zijn emotiecontrole krijgt hij nu verplichte behandeling bij de Waag. De moeder en de kinderen hebben door het handelen van de vader trauma’s opgelopen, waarvoor zij behandeling hebben gekregen. Het is belangrijk dat de kinderen rust krijgen en niet opnieuw aan spanningsvolle situaties worden blootgesteld. Daarvoor is nodig dat er professionele begeleiding bij de omgang is. Tijdens de ondertoezichtstelling is gebleken dat de vader positief kan reageren op de kinderen en goed bij hen kan aansluiten, maar er zijn op dit moment ook nog steeds zorgelijke signalen. De moeder stelt dat zij zorgelijke berichten krijgt van de ex-partner van de vader, waardoor haar gevoelens van angst en zorgen over de veiligheid van de kinderen worden getriggerd. Daarnaast wil de SIG niet langer betrokken zijn en zijn er signalen dat dat komt doordat de vader zich grensoverschrijdend heeft uitgelaten. Bij begeleiding van de omgang door vaders zus of moeder is het risico te groot dat de kinderen worden geconfronteerd met de boosheid van de vader. Op dit moment is daarom nog professionele omgangsbegeleiding nodig.

De beoordeling door het hof

5.6

Aan het hof ligt voor of de tijdelijke omgangsregeling, die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld, moet worden gewijzigd ten aanzien van de omgangsbegeleiding.

5.7

Uit de stukken in het dossier en wat op de zitting is besproken is het volgende gebleken. De ouders hebben tot augustus 2021 een relatie gehad, met tussendoor een periode waarin de relatie verbroken is geweest. De relatie van de ouders ging gepaard met spanningen en er is sprake geweest van huiselijk geweld gepleegd door de vader naar de moeder. Onder meer daarom hebben de kinderen de afgelopen jaren gedurende twee periodes onder toezicht van de GI gestaan, van augustus 2020 tot februari 2021 en van december 2022 tot september 2024. De moeder en de kinderen hebben traumabehandeling gekregen van het Kinder- en Jeugdtraumacentrum (KJTC). De vader heeft de afgelopen jaren verschillende periodes in detentie gezeten. Hij staat nu onder toezicht van reclassering. Eind december 2025 is hij aangemeld bij de Waag met als doel om aan zijn impulscontrole te werken.

De omgang tussen de vader en de kinderen is de afgelopen jaren als volgt verlopen. In 2023, tijdens de ondertoezichtstelling, is gestart met begeleide omgang op het kantoor van de SIG. Vervolgens vonden ook omgangsmomenten bij oma van vaderszijde plaats, waarna de omgang weer volledig op het kantoor van de SIG plaatsvond. Op dat moment was er wekelijks anderhalf uur omgang op maandagmiddag en eenmaal per vier weken op woensdagmiddag. In februari 2024 heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld met een frequentie van wekelijks ten minste twee uur, waarbij de GI de regie had over de invulling en uitbreiding van de omgang. Vervolgens heeft een periode begeleide omgang plaatsgevonden, waarna de omgang in juli 2025 is gestagneerd. Toen hebben de vader en de kinderen elkaar voor het laatst gezien. Ter zitting van 25 februari 2026 hebben de ouders afgesproken dat de omgang zou worden hervat, onder regie van de SIG. Daarna is echter geen contactherstel tot stand gekomen. De SIG heeft op 29 juni 2026 laten weten niet langer omgangsbegeleiding te zullen bieden. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de ouders nog op de wachtlijst staan bij de gemeente voor het UHA.

5.8

Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de kinderen nodig dat de omgang met de vader nog wordt begeleid door een professionele instantie. Gebleken is dat er al ruim één jaar geen contact is geweest tussen de vader en de kinderen. Door het lange contactverlies en de kwetsbaarheid van de kinderen is het noodzakelijk dat het contact zorgvuldig wordt opgebouwd. Daarvoor is begeleiding van een professionele instantie nodig die ook regie kan voeren op het verloop van de omgangsregeling. De kinderen hebben de afgelopen jaren veel meegemaakt. Het hof ziet met de raad dat het agressieve gedrag dat de vader in het verleden heeft vertoond impact heeft gehad op de moeder en de kinderen. Zij hebben daar traumabehandeling voor nodig gehad. Evenals de raad acht het hof het voor de kinderen van belang dat zij niet opnieuw trauma’s oplopen door weer aan spanningsvolle situaties te worden blootgesteld. Dat risico is te groot bij begeleiding van de omgang door vaders moeder en/of zus. De vader heeft nog onvoldoende laten zien dat hij zijn boosheid onder controle heeft. Weliswaar wordt hij behandeld bij de Waag voor zijn emotiecontrole en heeft hij zijn leven meer op de rit dan eerder, zo blijkt uit de informatie van de reclassering van 21 mei 2026, maar desondanks zijn er nog steeds zorgelijke signalen aanwezig. Zo blijkt uit dit verslag van de reclassering dat de SIG heeft aangegeven dat sprake is geweest van verbale agressie door de vader naar een medewerker. Daarnaast stelt de moeder dat zij het afgelopen jaar berichten van vaders ex-partner heeft gekregen waaruit agressief gedrag van hem naar voren komt; hoewel het hof dat niet kan vaststellen nu daarvan geen stukken zijn overgelegd, zijn moeders verklaringen wel ernstig en zorgelijk van inhoud. Daarbij komt dat voor het hof aannemelijk is geworden dat op dit moment vanwege haar angstgevoelens en zorgen over de veiligheid van de kinderen indien zij bij de vader zouden zijn, onvoldoende draagkracht bij de moeder bestaat voor omgang anders dan onder begeleiding van een professionele instantie. Daardoor zou begeleiding van de omgang door vaders moeder en/of zus ook een negatief effect hebben op de kinderen, die dicht bij de moeder staan.

5.9

Verder werd ook voorafgaand aan het contactverlies professionele omgangsbegeleiding nodig geacht, waarvoor de SIG betrokken raakte bij de ouders. Ter zitting bij het hof heeft de vader aangevoerd dat de GI eerder onbegeleide omgang al mogelijk achtte, waardoor begeleiding door vaders moeder of zus zonder meer moet kunnen. Doordat de GI door het einde van de ondertoezichtstelling niet langer betrokken was, is dat niet tot stand gekomen, aldus de vader. Het hof overweegt dat uit de stukken blijkt dat de GI rond januari 2024 van mening was dat de omgangsmomenten onbegeleid zou kunnen gaan plaatsvinden (en dat de overdracht nog wel begeleid zou plaatsvinden). Niet is gebleken dat daarna onder regie van de GI daadwerkelijk onbegeleide omgang tot stand is gekomen. De GI was op dat moment nog wel betrokken, aangezien de ondertoezichtstelling pas in september 2024 is geëindigd, en had de regie over de omgang. De ouders zijn in februari 2026 overeengekomen dat contactherstel zou plaatsvinden onder regie van de SIG. Ondanks dat de GI op enig moment wilde starten met onbegeleide omgang, is sindsdien niet gebleken dat omgang anders dan onder begeleiding van een professionele instantie mogelijk was. Ook hebben de ouders met de afspraak die in februari 2026 is gemaakt als doel gehad om de omgang weer op te starten via professionele begeleiding. Daarbij zou op basis van de afspraak tussen de ouders de SIG de regie hebben over de omgang en de voortgang regelmatig evalueren. Begeleiding door vaders moeder en/of zus biedt daarbij geen uitkomst; voor regievoering en evaluatie is een professionele instantie nodig.

5.10

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof het noodzakelijk dat het contact wordt opgebouwd onder begeleiding van een professionele instantie, ook al betekent dat feitelijk dat de huidige situatie waarin al geruime tijd geen contact is tussen de vader en de kinderen nog zal voortduren (nu er op dit moment geen instantie beschikbaar is voor begeleiding, regievoering en evaluatie). Het belang van de kinderen bij veilig contact en voorspelbaarheid staat echter voorop. Het voorgaande brengt ook met zich dat het hof geen aanleiding ziet om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de omgang. Het verzoek van de vader tot het opleggen van een dwangsom zal dan ook worden afgewezen.

In het incident (zaaknummer 200.371.176/02)

5.11

Aangezien het hof in deze beschikking tot een eindbeslissing komt met betrekking tot de tijdelijke omgangsregeling, heeft de moeder geen belang meer bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.12

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep (zaaknummer 200.371.176/01)

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 6 februari 2024, de volgende tijdelijke omgangsregeling vast:

de minderjarigen [minderjarigen] :

[minderjarige 1] , geboren [in] 2019 in de gemeente [plaats C] , en

[minderjarige 2] , geboren [in] 2020 in de gemeente [plaats C] ,

hebben omgang met de vader gedurende twee uur per week, onder begeleiding van een professionele instantie;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in het incident (zaaknummer 200.371.176/02)

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. F. Kleefmann en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 6 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »