GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.367.028
zaaknummer rechtbank Gelderland 440537
beschikking van 29 september 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. P. van Bommel
en
[verweerster] (de moeder)
die woont in: [woonplaats2]
advocaat: mr. S. Striekwold
1 Samenvatting
De rechtbank Gelderland heeft de zorgregeling tussen de ouders gewijzigd en vastgesteld dat er geen contact meer is tussen de vader en [de minderjarige] . Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2011.
De vader heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] woont bij de moeder. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit.
In het door de ouders op 16 mei 2021, respectievelijk 18 mei 2021 ondertekende
ouderschapsplan, dat onderdeel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 mei 2021, zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen. Daarin is onder meer
opgenomen dat [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.30 uur tot en met zondag 19.00 uur bij de vader zal verblijven. Ook zijn de ouders een verdeling van
de vakanties, feestdagen en overige bijzondere dagen overeengekomen,
overeenkomstig een aan het ouderschapsplan gehechte bijlage.
3 De procedure bij de rechtbank
De moeder heeft de rechtbank verzocht om de contactregeling, zoals opgenomen in het ouderschapsplan en de bij beschikking van 25 mei 2021 bekrachtigde contactregeling (en later mondeling gewijzigd naar eenmaal per twee weken óf de zaterdag óf de zondag), te wijzigen in die zin dat de vader niet langer recht heeft op omgang met [de minderjarige] . Subsidiair heeft zij verzocht de omgang tussen de vader en [de minderjarige] op te schorten totdat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming heeft plaatsgevonden en wanneer blijkt dat omgang mogelijk is en in het belang van [de minderjarige] zal zijn.
In de tussenbeschikking van 13 september 2024 heeft de rechtbank de beslissing aangehouden in verband met een op te starten hulpverleningstraject, bij voorkeur bij [naam1] .
In de (eind)beschikking van 2 januari 2026 heeft de rechtbank de afspraken van de ouders over de zorgregeling gewijzigd en vastgesteld dat er geen contact meer is tussen de vader en [de minderjarige] .
4 De procedure bij het hof
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en een opbouwende contactregeling tussen [de minderjarige] en hem vaststelt, waarbij wordt toegewerkt naar de contactregeling die de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen. De vader wil ook dat het hof, als de beschikking van de rechtbank in stand blijft, bepaalt dat de moeder hem eenmaal per maand moet informeren over [de minderjarige] .
De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. Zij heeft tijdens de zitting haar verweer tegen de door de vader (voorwaardelijk) verzochte informatieregeling ingetrokken.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift, ontvangen op 30 maart 2026
-
het verweerschrift
-
een bericht van de vader van 7 september 2026
[de minderjarige] heeft op 31 augustus 2026 gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de zorgregeling.
De zitting bij het hof was op 1 september 2026. Aanwezig waren:
-
de vader met zijn advocaat
-
de moeder met mr B. Willemsen, die waarnam voor mr. S. Striekwold
-
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
5 Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De rechter kan op verzoek van (één van) de ouders een beslissing over de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan1. Deze gewijzigde regeling kan onder meer omvatten:- een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben2; - de wijze waarop informatie over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd3.
De rechter ontzegt het recht op omgang alleen als:
a. de omgang een ernstig nadeel is voor de ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of niet in staat is tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is ernstige bezwaren daartegen heeft, of
d. de zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten.
De beperking van het recht op contact/omgang is altijd tijdelijk.
Wat vinden partijen?
De vader vindt het stopzetten van het contact niet in het belang van [de minderjarige] . De vader is bang dat er dan in de toekomst helemaal geen herstel van de omgang meer zal plaatsvinden. De vader heeft zelf in zijn jeugd een soortgelijke situatie meegemaakt en heeft hier nog steeds last van. Hij wil voorkomen dat [de minderjarige] op latere leeftijd ook last krijgt van het gemis van haar vader.
De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Volgens de moeder is [de minderjarige] al drie jaar lang duidelijk in haar wens dat zij geen contact met de vader wil. In de afgelopen drie jaar zijn er veel hulpverleningstrajecten opgestart, maar deze hebben er niet toe geleid dat [de minderjarige] van gedachten is veranderd. De moeder is bang dat [de minderjarige] juist verder klem raakt wanneer haar grenzen onvoldoende worden gerespecteerd en contact met de vader wordt geforceerd.
De raad heeft het hof tijdens de zitting geadviseerd om de beslissing van de rechtbank te bevestigen. Volgens de raad is het belangrijk dat [de minderjarige] het gevoel heeft dat ze gehoord en gezien wordt. [de minderjarige] wil haar eigen tempo volgen en zelf de regie voeren. Nu contact afdwingen zal volgens de raad alleen maar averechts werken. De raad adviseert de vader wel om een brief te schrijven aan [de minderjarige] waarin hij uitlegt hoe zijn leven is verlopen en waarom hij bepaalde keuzes heeft gemaakt. Deze brief kan voor [de minderjarige] klaarliggen op het moment dat zij duidelijk maakt dat ze hieraan toe is. Volgens de raad moet het initiatief hiervoor bij [de minderjarige] gelaten worden.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof zal de beslissing van de rechtbank bevestigen, met dien verstande dat het hof (anders dan de rechtbank) van oordeel is dat wel is voldaan aan de ontzeggingsgronden. Omdat de beslissing van de rechtbank inhoudt dat er geen omgang meer is tussen [de minderjarige] en de vader, is er feitelijk sprake van ontzegging van de omgang. Het hof zal daarom toetsen of is voldaan aan de wettelijke ontzeggingsgronden. Naar het oordeel van het hof is hieraan voldaan.
[de minderjarige] is inmiddels vijftien jaar en zij is al drie jaar heel duidelijk en consistent in haar wens om geen contact met de vader te hebben. In de afgelopen jaren zijn diverse pogingen gedaan om het contact tussen [de minderjarige] en de vader te herstellen. Zo is er systeemtherapie geweest bij [naam2] en is hebben de ouders en [de minderjarige] een traject gevolgd bij [naam1] . De inzet van deze trajecten heeft helaas niet tot contactherstel tussen [de minderjarige] en haar vader geleid. [de minderjarige] is nog altijd duidelijk in haar wens. Dit heeft zij ook naar voren gebracht in het gesprek dat zij had met een rechter in hoger beroep. In ditzelfde gesprek heeft [de minderjarige] ook verteld dat ze niet openstaat voor nog meer hulpverlening die is gericht op contactherstel.
Het hof begrijpt de angst van de vader dat hij langdurig geen contact zal hebben met [de minderjarige] , zeker waar hij dit als herhaling ziet van wat hij zelf heeft meegemaakt. Het niet hebben van contact met een van je ouders is schadelijk voor een kind. Op dit moment is dit probleem echter al aan de orde en is het afdwingen van – voor [de minderjarige] ongewenst – contact met haar vader niet de oplossing. Het hof is het met de raad eens dat het voor [de minderjarige] kan helpen als zij de ruimte krijgt en het gevoel heeft dat zij echt gehoord en gezien wordt door haar beide ouders. In het kader hiervan is tijdens de zitting bij het hof met de vader gesproken over het intrekken van zijn verzoeken. De vader heeft laten weten dat hij dit signaal aan [de minderjarige] wil geven, in die zin dat hij haar haar wil laten zien dat hij haar wens respecteert.De vader heeft het hof op 7 september 2026 laten weten dat hij echter wel een beslissing van het hof wil over de informatieregeling. Voor wat betreft de zorgregeling laat de vader het aan het hof om een beslissing te nemen.
Het hof vindt, op grond van het bovenstaande, contact tussen de vader en [de minderjarige] op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Zij heeft zelf ernstige bezwaren tegen omgang. Het is belangrijk dat de druk en spanning bij [de minderjarige] wordt weggehaald en dat haar wens wordt gerespecteerd. [de minderjarige] moet in alle rust de ruimte krijgen om aan zichzelf te werken en zich te ontwikkelen. Dan zal hopelijk op termijn, waarbij het initiatief bij [de minderjarige] zelf ligt, ruimte kunnen ontstaan voor contactherstel.
Omdat de moeder tijdens de zitting bij het hof heeft ingestemd met het verzoek van de vader tot het opleggen van een informatieregeling zal het hof dit verzoek toewijzen.
De beslissing van de rechtbank zal bevestigd worden (worden bekrachtigd). Het hof zal de beschikking aanvullen met een informatieregeling.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
2 januari 2026;
vult die beschikking aan als volgt:
bepaalt dat de moeder een keer per maand een uitgebreide e-mail of brief moet sturen aan de vader met daarin informatie over hoe het met [de minderjarige] gaat, over belangrijke gebeurtenissen in haar leven, voorzien van een (recente) kleurenfoto van [de minderjarige] en voor zover mogelijk voorzien van rapportages of andere belangrijke schriftelijke bescheiden met betrekking tot [de minderjarige] ;
verklaart deze beschikking ten aanzien van de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op
29 september 2026.