beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/396114 / FA RK 22-1413
datum uitspraak: 21 juli 2026
Nadere beschikking over gezag en een omgangsregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.A. Stoffijn uit Waalwijk,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. W.H.A. de Koning uit Schijndel,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het nadere procesverloop
Het nadere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 13 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de Raad van 6 maart 2026;
- de rapportage van de Raad van 13 april 2026, bij de rechtbank ontvangen op 16 april 2026;
- de F9-formulieren (met bijlagen) van mr. Stoffijn van 28 april 2026 en 10 juni 2026
- het F9-formulieren (met bijlage) van mr. De Koning van 4 mei 2026 en 19 juni 2026.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de man met zijn advocaat;
- de vrouw met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
[minderjarige] is, gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek gehad met de kinderrechter. De kinderrechter heeft hiervan tijdens de zitting een (gedeeltelijke) terugkoppeling gegeven en de betrokkenen hebben hierop kunnen reageren.
De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de man in de zaak met zaaknummer C/02/447942 JE RK 26-796. In deze zaak is heden een afzonderlijke beschikking gegeven.
2 De verzoeken
Aan de orde zijn nog de volgende verzoeken.
De man verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat hij en de vrouw voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013;
II. te bepalen dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:
- [minderjarige] bij de man zal verblijven eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdag, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt op een met de vrouw in onderling overleg te bepalen tijdstip aan de hand van het tweemaandelijkse dienstrooster van de man, tot maandagochtend aanvang school;
- voorts [minderjarige] bij de man zal verblijven door de week gedurende gemiddeld twee dagen per week, op dagen en tijdstippen met de vrouw in onderling overleg af te stemmen aan de hand van het tweemaandelijkse dienstrooster van de man;
- gedurende Kerstmis, Pasen en Pinksteren verblijft [minderjarige] bij de ouder die conform de reguliere omgangsregeling zorgdraagt voor [minderjarige] , tenzij de ouders in onderling overleg anders bepalen;
- tijdens Oud en Nieuw verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man. In onderling overleg kan de andere ouder, bij verhindering, deze dagen de zorg voor [minderjarige] voor zijn/haar rekening nemen;
- tijdens de Islamitische feestdagen verblijft [minderjarige] bij de man, tenzij partijen in onderling overleg besluiten dat [minderjarige] op deze feestdagen bij de vrouw verblijft. De ouder waar [minderjarige] zal verblijven zorgt ervoor dat de school tijdig wordt ingelicht omtrent haar afwezigheid;
- op Moederdag is [minderjarige] bij de vrouw en op Vaderdag is [minderjarige] bij de man, ongeacht in wiens weekend deze dag valt. In onderling overleg kan de andere ouder op deze dag zorgdragen voor [minderjarige] ;
- [minderjarige] verblijft bij de ouder indien de betreffende ouder jarig is. In onderling overleg kan [minderjarige] bij de andere ouder verblijven;
- [minderjarige] is bij de ouder indien de familie van die ouder jarig is. Onder familie wordt verstaan: de grootouders. Voor verjaardagen van andere familieleden geldt de reguliere omgangsregeling. Ouders kunnen hierover in overleg andere afspraken maken;
- [minderjarige] verblijft de helft van de zomervakantie bij ieder van de ouders gedurende een aaneengesloten periode van drie weken. Uiterlijk 1 maart van ieder jaar zullen de ouders de verdeling van de zomervakantie in dat jaar schriftelijk hebben vastgelegd. Mochten partijen in onderling overleg niet tot overeenstemming komen over de verdeling, dan geldt in de even jaren de voorkeur van de vrouw en in de oneven jaren de voorkeur van de man;
- in de overige schoolvakanties verblijft [minderjarige] gedurende de helft bij ieder van de ouders, door partijen in onderling overleg te bepalen;
- indien een van de ouders opvang/oppas voor [minderjarige] nodig heeft zal deze ouder in eerste instantie de andere ouder daarvoor benaderen,
althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorgverdeling.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
3 De standpunten
Bij voormelde beschikking van 13 juni 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot ontzegging of opschorting van het recht op omgang tussen de man en [minderjarige] afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank de Raad, samengevat, verzocht onderzoek te doen naar de vraag of een wijziging van het gezag in het belang is van [minderjarige] en welke omgangsregeling in haar belang is. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden voor de duur van negen maanden pro forma, in afwachting van het rapport van de Raad.
De Raad
De Raad heeft na zijn onderzoek op 13 april 2026 een rapportage uitgebracht. Hierin heeft hij de rechtbank geadviseerd het verzoek van de man om de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag af te wijzen. De Raad meent dat er een te groot risico bestaat dat [minderjarige] klem zou komen te zitten tussen de ouders wanneer zij gezamenlijk het gezag zouden uitoefenen. De ouders hebben geen enkel contact met elkaar. De man heeft lange tijd geen contact met [minderjarige] gehad en wordt door de vrouw niet geïnformeerd over haar ontwikkeling. Hierdoor heeft hij onvoldoende zicht op haar behoeften en kan hij geen weloverwogen beslissingen in haar belang nemen. Gezamenlijk gezag zonder goede samenwerking tussen de ouders zou de spanningen tussen hen waarschijnlijk vergroten en indirect ook de spanning bij [minderjarige] verhogen. [minderjarige] ervaart nu al een sterk loyaliteitsconflict en heeft behoefte aan rust en stabiliteit. Zij volgt een aangepast schoolrooster om stress te verminderen. Een dwingend contact met de man of gezamenlijke beslissingen over haar welzijn zouden haar alleen maar meer stress bezorgen, wat een schadelijk effect kan hebben op haar ontwikkeling. Ondanks het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag, ziet de Raad in het geval van [minderjarige] liever de focus liggen op een mogelijk contactherstel in de toekomst.
[minderjarige] is heel stellig in haar mening dat zij geen contact wil met de man, haar vader. Gezien haar leeftijd en de fase van de puberteit is het op dit moment niet haalbaar om contact met de man af te dwingen. Dit zou eerder schadelijke gevolgen kunnen hebben voor haar ontwikkeling. Op dit moment ervaart [minderjarige] veel stress bij het idee van contact met de man en kiest zij bewust voor rust door hem (tijdelijk) te blokkeren. De Raad vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. Er bestaat het risico dat de man op termijn volledig uit beeld verdwijnt voor [minderjarige] , wat op langere termijn nadelige effecten kan hebben op hun onderlinge band en op de (emotionele) ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft langere tijd tussen twee verschillende werelden moeten schakelen, waarin zij zelfs een andere naam had. De puberteit brengt meerdere nieuwe ontwikkelingstaken voor een kind mee. Het lukt haar niet meer om te schakelen, en zodoende heeft zij een kant gekozen. Het is aan de ouders om hierin een brug te slaan. Een belangrijke contra-indicatie voor contact is dat [minderjarige] aangeeft veel last te hebben gehad van de spanningen tussen de ouders, maar ook tussen de man en de vrouw van zijn tweede huwelijk, van wie hij inmiddels is gescheiden. De man erkent deze zorgen niet. Alles afwegende is de Raad van mening dat er de komende tijd gewerkt moet worden aan het opnieuw creëren van een opening voor contactherstel. De Raad beveelt intensievere hulpverlening aan. De vrouw heeft opvoedondersteuning nodig om te voorkomen dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] groter wordt en het contact tussen de vrouw en [minderjarige] verslechtert. Daarnaast heeft de vrouw hulpverlening nodig om de negatieve ervaringen met de man een plek te geven, dit met als doel dat zij weer in staat is om de man op de hoogte te stellen van belangrijke zaken over [minderjarige] en ook naar [minderjarige] kan uitstralen dat de man daar recht op heeft. Het is belangrijk dat de vrouw [minderjarige] emotionele ruimte kan geven om op termijn een vorm van contact met de man aan te gaan. Voor [minderjarige] zelf lijkt een diagnostisch onderzoek op zijn plek en aansluitend een intensievere of meer specialistische vorm van hulpverlening dan [hulpverlening 1] kan bieden. De laagdrempelige ondersteuning van [hulpverlening 1] lijkt niet meer toereikend. Daarnaast kan wel laagdrempelig contactherstel tussen [minderjarige] en de man op termijn plaatsvinden, waarbij zij stapsgewijs en onder begeleiding leert om te gaan met het contact. Voor de man is het nodig dat hij meer informatie krijgt over hoe een puberbrein werkt en hoe hij, ondanks dat hij aangeeft dat [minderjarige] ’s gevoelens zich niet op waarheid berusten, haar erkenning kan geven voor zaken die zij moeilijk of lastig heeft gevonden. De Raad adviseert de rechtbank om de behandeling ten aanzien van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man, aan te houden voor een periode van negen maanden om de ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode hulpverlening in te roepen.
De Raad heeft zijn voormeld onderzoek uitgebreid met een beschermingsonderzoek. Hij is van mening dat er, zeker gezien de ontwikkelingen van de laatste tijd, waarin [minderjarige] op school steeds verder vastloopt en de spanningen tussen de vrouw en [minderjarige] verder oplopen, sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling. Er zijn veel zorgen over de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] . Toch vindt de Raad een ondertoezichtstelling op dit moment niet passend. De vrouw erkent namelijk ondersteuning nodig te hebben en is bereid op vrijwillige basis hulpverlening te accepteren.
De man
De man kan zich niet vinden in de rapportage van de Raad. Hij heeft als reactie op het rapport een verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend, bij de rechtbank ingeschreven onder nummer C/02/447942 JE RK 26-796. Wanneer de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, kan de man instemmen met het advies van de Raad om de beslissing over de omgangsregeling voor de duur van negen maanden aan te houden in afwachting van de in te schakelen hulpverlening. De man kan zich niet vinden in het advies om het gezamenlijk gezag af te wijzen. De vrouw zet hem op allerlei manieren buiten spel. Zij geeft zowel de school als de hulpverleners geen toestemming om informatie over [minderjarige] met de man te delen en weigert zelf informatie aan hem te geven. Op deze wijze houdt zij eenzijdig in stand dat de man geen actieve betrokkenheid heeft in het leven van [minderjarige] . Hoe langer deze situatie voortduurt, hoe moeilijker het contactherstel tussen de man en [minderjarige] wordt. Om ervoor te zorgen dat de man inhoudelijk betrokken wordt bij de hulpverlening van [minderjarige] is het noodzakelijk dat hij ook met het ouderlijk gezag wordt belast. Een jeugdbeschermer zou voorlopig als tussenpersoon in het contact tussen de ouders kunnen fungeren. Indien de rechtbank het toewijzen van het gezamenlijk gezag desondanks op dit moment niet haalbaar acht, dan verzoekt de man de rechtbank de beslissing over dit verzoek eveneens aan te houden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening.
Tijdens de zitting is door en namens de man aangegeven dat het voor hem het belangrijkste is dat er passende hulpverlening wordt ingezet voor [minderjarige] . De man vindt het vreselijk om lijdzaam te moeten toezien hoe het steeds slechter met [minderjarige] gaat. Hij blijft al ruim anderhalf jaar verstoken van elke informatie over haar en wordt niet betrokken bij de hulpverlening. De man meent dat hij daardoor steeds verder verwijderd raakt van [minderjarige] , waardoor contactherstel onmogelijk wordt. De man ziet niet hoe gezamenlijk gezag ertoe zal leiden dat [minderjarige] meer klem komt te zitten. Uit alles blijkt immers dat zij al lange tijd klem zit. Gezamenlijke gezagsbeslissingen horen buiten een kind om genomen te worden. Wanneer de vrouw [minderjarige] niet belast met het feit dat beslissingen samen genomen moeten worden, zal dat voor [minderjarige] geen extra belasting geven. De man meent dat hij en de vrouw alles achter zich zouden moeten laten en zich focussen op [minderjarige] . De man heeft nog twee dochters uit een andere relatie. Zij wonen volledig bij de man en gaan drie weekenden per maand naar hun moeder. Dit verloopt goed. De man handhaaft zijn verzoeken. Primair verzoekt hij de verzoeken toe te wijzen, subsidiair verzoekt hij om aanhouding van de verzoeken in afwachting van het verloop van de hulpverlening.
De vrouw
De vrouw kan zich vinden in het advies van de Raad om het verzoek betreffende het gezamenlijk gezag af te wijzen. Er is geen minimale basis aanwezig om het gezamenlijk ouderlijk gezag uit te voeren. In het raadsrapport is meermalen opgenomen dat [minderjarige] worstelt met de verschillende identiteiten die zij inneemt. Indien de man met het ouderlijk gezag wordt belast komt [minderjarige] volledig klem te zitten. De vrouw acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Voorts is er geen sprake van gelijkwaardig ouderschap omdat de man erg dwingend is in zijn communicatie.
Ten aanzien van de informatievoorziening merkt de vrouw op dat [minderjarige] kenbaar heeft gemaakt zich niet prettig te voelen als de man weet waar zij op school zit. Dit is voor de vrouw reden geweest om dit niet aan hem kenbaar te maken. De man heeft in het verleden gedreigd om [minderjarige] op te halen. Om deze reden is de vrouw terughoudend in het doen van mededelingen.
Ten slotte meent de vrouw dat het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen dient te worden. Partijen dienen in alle rust de hulpverlening in het vrijwillige kader voort te zetten, zonder steeds de druk van de procedure. Met de betrokken hulpverlening kunnen partijen bekijken wanneer het in het belang van [minderjarige] is om de contactmomenten met de man weer vorm te geven.
Tijdens de zitting is daar door en namens de vrouw het volgende aan toegevoegd. Op korte termijn zal gestart worden met een hulpverleningstraject bij [hulpverlening 2] . Dit is een breder traject waarbij ook aandacht zal zijn voor traumaverwerking en emotieregulatie. De vrouw hoopt dat er eveneens een diagnostisch onderzoek zal gaan plaatsvinden. De hulpverlening van [hulpverlening 1] zal langzaam worden afgebouwd en er zal een warme overdracht plaatsvinden. De vrouw meent dat er geen enkele basis is voor het gezamenlijk uitoefenen van het gezag. De ouders vermijden elkaar en er vindt geen enkele communicatie plaats. De man is niet bij [minderjarige] betrokken en is daarmee niet in staat om beslissingen te nemen die in haar belang zijn. De vrouw wijst erop dat de man ook tijdens de zitting [minderjarige] ‘ [naam] ’ noemt, terwijl hij weet dat zij niet zo wil worden genoemd. Dit getuigt van weinig zelfinzicht. De vrouw is op zichzelf niet tegen omgang, maar op dit moment ontbreekt daarvoor de draagkracht bij [minderjarige] . Zij voelt zich niet gehoord door de man.
De vrouw heeft de man in het verleden wel informatie over [minderjarige] gegeven, maar is hiermee gestopt nadat zij steeds berichten terugkreeg met een dreigende toon. Ook recent nog heeft de man een dreigend bericht gestuurd naar haar vader, de opa van [minderjarige] . De vrouw wil zich veilig kunnen voelen. Zij is bereid de man eens per maand via de e-mail informatie te verstrekken over [minderjarige] met een recente foto. Zij verwacht dan wel van de man dat hij geen dreigende berichten meer stuurt.
De vrouw meent dat het verzoek tot gezamenlijk gezag moet worden afgewezen. Zij gaat akkoord met aanhouding van het verzoek tot omgang.
[minderjarige]
heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven, voor zover hier van belang, dat zij niet wil dat haar vader zeggenschap over haar krijgt. Zij wil op dit moment nog steeds geen contact met hem, zowel telefonisch als fysiek niet. Mogelijk wil zij in de toekomst wel contact met hem. Het idee van gedwongen contact veroorzaakt veel onrust en fysieke klachten bij haar, zij wordt er letterlijk ziek van. Zij wil juist rust, zonder te voelen dat de man zeggenschap over haar heeft of dat zij contact met hem moet hebben. Zij wil [voornaam] worden genoemd, ook door haar vader.
4 De beoordeling
Gezag
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind gezamenlijk uitoefenen. Voor de uitvoering van het gezamenlijk gezag is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij ten minste in staat zijn om vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodat het kind niet klem of verloren raakt of dreigt te geraken tussen de ouders. Daarvoor is een vorm van basiscommunicatie en samenwerking tussen de ouders nodig.
De rechtbank stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken
vast dat er al anderhalf jaar geen enkel contact is tussen de man en [minderjarige] . Hierdoor heeft de man geen zicht op de wensen en behoeften van [minderjarige] en welke beslissingen over haar in haar belang moeten worden genomen. Duidelijk is dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders. Daarnaast is er geen enkele vorm van communicatie tussen de ouders. De man is aldus niet in staat om in overleg met de vrouw gezagsbeslissingen te nemen. De verwachting is niet dat hier op korte termijn verbetering in gaat komen.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het verzoek van de man om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten moet worden afgewezen omdat de vrees bestaat dat [minderjarige] nog verder klem komt te zitten tussen de ouders. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [minderjarige] reeds tweemaal bij de kinderrechter heeft aangegeven dat zij niet wil dat haar vader wordt belast met het gezag. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het belangrijk is dat er op dit punt rust komt voor [minderjarige] . Met een afwijzing van het verzoek van de man is het belang van [minderjarige] het beste gediend.
Vaststelling omgangsregeling
In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind iemand die een nauwe persoonlijke band met een kind heeft, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen.
De rechtbank overweegt dat het in het algemeen goed is wanneer een kind omgang heeft met beide ouders. Echter, op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat er bij [minderjarige] op dit moment geen enkele ruimte is voor omgang met de man. De situatie is voor [minderjarige] al heel lang onrustig. Zij heeft een lange periode in twee verschillende werelden geleefd, waarbij sprake is van verschillende culturen en achtergronden, en zelfs twee verschillende voornamen, waarbij zij door de moeder [minderjarige] en door de vader [minderjarige] wordt genoemd. [minderjarige] is hierin vastgelopen en het lukt haar niet meer om te schakelen tussen haar twee werelden. Zij weet niet waar zij aan toe is en zij heeft daar veel last van. Er is inmiddels zicht op een hulpverleningstraject vanuit [hulpverlening 2] . [hulpverlening 2] biedt een brede, intensieve vorm van gezinsondersteuning. Er zal mogelijk ook een vorm van traumaverwerking voor [minderjarige] worden ingezet. Het is in haar belang dat zij rust krijgt en van daaruit de hulpverlening aan kan gaan die zij nodig heeft. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij op dit moment, ondanks de emotionele toestemming van de vrouw, geen ruimte heeft voor contact met de man. Het idee dat zij gedwongen zou worden tot contact maakt haar letterlijk ziek. De rechtbank is van oordeel dat de mening van [minderjarige] gerespecteerd dient te worden. [minderjarige] kan nu, mede gezien haar leeftijd, niet worden gedwongen tot contact met de man. De rechtbank heeft niet de verwachting dat de situatie op korte termijn zal veranderen. Op grond van het voorgaande acht zij zich voldoende geïnformeerd om nu al een eindbeslissing te geven. Dit betekent dat de rechtbank ten aanzien van dit verzoek niet zal volgen het advies van de Raad om de beslissing voor een bepaalde periode aan te houden, dit ondanks het standpunt van beide partijen dat zij geen bezwaar hebben tegen een aanhouding. Met een eindbeslissing wordt er zoveel mogelijk rust voor [minderjarige] gecreëerd. Hiermee acht de rechtbank ook nu dat het belang van [minderjarige] het beste is gediend.
Informatieregeling
Hoewel er geen verzoek tot het opleggen van een informatieregeling voorligt, is dit onderwerp tijdens de zitting aan de orde gekomen. De man heeft behoefte aan informatie over [minderjarige] , op structurele basis. De vrouw heeft toegezegd eens per maand een e-mail te zullen sturen aan de man over [minderjarige] , met daarbij een recente foto. Hierbij zal informatie worden verstrekt over de ontwikkeling van [minderjarige] , haar gezondheid en andere belangrijke gebeurtenissen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw deze toezegging na zal komen.
De rechtbank verwacht van beide partijen dat zij als ouders van [minderjarige] vanuit een positieve grondhouding naar elkaar kijken en dat zij vanuit die houding elkaar berichten sturen. Dit houdt in dat de berichten positief van toon moeten zijn en geen (verkapte) dreigementen moeten bevatten. De rechtbank spreekt ten slotte de hoop uit dat de spanningen en emoties van deze procedure, met deze beschikking verder worden afgewend. Dit komt het contact van beide partijen met betrekking tot [minderjarige] ook ten goede.
Volledigheidshalve wordt nog het volgende overwogen. In de zaak met nummer C/02/447942 JE RK 26-796 heeft de kinderrechter bij beschikking van heden het verzoek van de vader om [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, te stellen afgewezen.
Proceskosten
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen.
Brief aan [minderjarige]
De kinderrechter heeft met [minderjarige] afgesproken dat zijzelf een brief krijgt waarin de beslissing van de rechtbank staat. Omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat beide ouders weten hoe [minderjarige] geïnformeerd wordt, zal de inhoud van de brief aan [minderjarige] in deze beschikking worden opgenomen. De brief zal worden gestuurd naar het adres van [minderjarige] .
“Beste [minderjarige] ,
Op 2 juli 2026 ben je op de rechtbank geweest om met de kinderrechter, mr. Toekoen te praten. In dit gesprek is besproken hoe het met je gaat en wat je mening is over de dingen die je vader aan de rechtbank heeft verzocht. Je hebt, net als vorig jaar, aangegeven dat je niet wil dat je vader zeggenschap over je krijgt. Je wil ook nog steeds geen contact met je vader. Misschien later wel, maar nu zeker niet. Het geeft je veel onrust en je wordt misselijk als je daaraan denkt. Ook wil je niet dat er een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, omdat je vindt dat er al genoeg hulpverleners bij je zijn betrokken.
Op 2 juli 2026 heeft de kinderrechter ook gesproken met je ouders en hun advocaten. Daarbij heeft hij ook gesproken met een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter heeft goed naar jou, je ouders (en hun advocaten) en de Raad voor de Kinderbescherming geluisterd. De rechtbank heeft beslist over de verzoeken over jou. Wat de rechtbank heeft besloten lees je in deze brief.
De rechtbank vindt het niet nodig dat er een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat er goede hulpverlening voor jou is, maar je moeder kan dit zelf regelen en zij doet dit ook. Je hebt nu hulpverlening van [hulpverlening 1] . Je zult binnenkort gaan starten met hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] en de rechtbank hoopt dat dit jou verder zal helpen.
De rechtbank vindt het heel belangrijk dat er rust voor jou ontstaat en dat je je niet druk hoeft te maken over procedures die bij de rechtbank lopen. Daarom heeft de rechtbank op alle verzoeken van je vader meteen besloten.
De rechtbank en de Raad voor de Kinderbescherming vinden het belangrijk dat je moeder zelf de beslissingen over jou kan blijven nemen. Zij kent jou en zij weet wat goed voor jou is. Omdat je al lang geen contact meer hebt met je vader weet hij niet wat goed voor jou is. Bovendien kunnen je ouders niet goed met elkaar praten, zodat het lastig is om te overleggen. Daarom blijft de situatie zo beslist dat je moeder alleen de beslissingen over jou kan blijven nemen.
De rechtbank vindt ook dat jij niet gedwongen kan worden tot contact met je vader. De rechtbank hoopt natuurlijk dat jij in de toekomst wel mogelijkheden ziet om contact met hem te hebben, maar voor nu vindt de rechtbank het belangrijk dat jij rust krijgt. De rechtbank denkt dat het hulpverleningstraject jou al genoeg energie zal kosten en zij vindt het belangrijk dat je de rust hebt om dit goed te doen.
Dit betekent dat de rechtbank alle verzoeken van je vader afwijst.
Tijdens de zitting is met je ouders gesproken over het geven van informatie over jou. Je vader wil heel graag weten hoe het met je gaat. Daarom heeft je moeder beloofd dat zij vanaf nu elke maand een e-mailbericht naar je vader zal sturen, waarin zij schrijft hoe het met je gaat. Ze zal daar ook een recente foto van jou bij doen. De rechtbank vindt het belangrijk dat je vader op deze manier op de hoogte blijft van jouw leven.
Als je nog vragen hebt over deze brief, dan mag je altijd een e-mail sturen. De contactgegevens van de rechtbank staan linksboven in deze brief.
Met vriendelijke groet namens de kinderrechter,
De griffier.”
5 De beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken van de man af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. Toekoen, kinderrechter, op 21 juli 2026, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.