Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-1193
Zaaknummer: C/09/661582
Datum beschikking: 27 juli 2026
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en informatieregeling
Beschikking op het op 13 februari 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland,
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
blijkens een uittreksel uit de Basisregistratie Personen verblijvende in [land],
advocaat: mr. R. Shahbazi te ’s-Gravenhage.
Procedure
Bij beschikking van 29 april 2025 van deze rechtbank is:
-
vervangende toestemming aan de vader verleend om [minderjarige] te erkennen;
-
bepaald dat [minderjarige] voorlopig contact met de vader zal hebben elke zaterdag om 12.00 uur (Nederlandse tijd) door middel van videobellen;
-
bepaald dat de moeder de vader voorlopig éénmaal per maand schriftelijk informatie per e-mail zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige];
-
iedere verdere beslissing ter zake van het gezag, de definitieve omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de definitieve informatieregeling en de proceskosten aangehouden tot 1 augustus 2025 pro forma in afwachting van de resultaten van de cross-border mediation.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
-
het F9-formulier van de vader van 2 september 2025, met bijlage;
-
het F9-formulier van de vader van 15 augustus 2025;
-
het F9-formulier van de moeder van 29 augustus 2025;
-
het F9-formulier van de moeder van 11 november 2025, met bijlagen;
-
het F9-formulier van de moeder van 15 april 2026, met bijlagen;
-
het F9-formulier van de moeder van 10 juni 2026, met bijlage;
-
het F9-formulier van de vader van 25 juni 2026, met bijlage.
Op 29 juni 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de moeder met een tolk via een digitale verbinding;
-
de advocaat van de moeder;
-
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Aanvullende feiten
- De vader heeft [minderjarige] erkend.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt, na wijziging:
-
een omgangsregeling in de vorm van videobellen vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader van elke maandag, woensdag, en vrijdag om 18.30 uur en elke zaterdag om 12.00 uur (Nederlandse tijd);
-
een vakantieregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen van twee keer per jaar een week in [land] met overnachtingen, althans zonder overnachtingen alsmede een vakantieregeling van een week met overnachtingen, althans zonder overnachtingen gedurende elk verblijf van [minderjarige] in Nederland;
-
te bepalen dat de vader en de moeder gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] worden belast;
-
te bepalen dat de moeder de vader vier keer per jaar informeert over het welzijn van [minderjarige];
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder verzoekt zelfstandig primair de verzoeken omtrent het gezag en de omgang af te wijzen en subsidiair om te bepalen dat bij toewijzing van de verzoeken er een onderzoek door de Raad wordt gelast, waarbij de Raad zal beoordelen welke omgangsregeling en welke gezagsregeling in het belang van [minderjarige] is.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van art. 1:253c BW eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Dit verzoek wordt alleen afgewezen als er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt te bepalen dat de ouders gezamenlijk met het gezag worden belast. Hij wil betrokken worden bij beslissingen over belangrijke zaken in het leven van [minderjarige]. De vader erkent dat hij vervelende dingen tegen de moeder heeft gezegd, maar benadrukt dat deze incidenten voortkwamen uit frustratie over het uitblijven van contact met [minderjarige]. Hij betwist dat eerder sprake is geweest van (verbale) agressie vanuit hem richting de moeder. De recente incidenten mogen geen belemmering vormen voor het toekennen van gezamenlijk gezag. Gezamenlijk gezag is immers ook het wettelijk uitgangspunt.
De moeder voert verweer. De door haar overlegde geluidsfragmenten betreffen niet slechts incidenten, maar moeten in het licht worden gezien van de incidenten die in het verleden tussen de ouders hebben gespeeld. Volgens de moeder is tijdens de relatie van de ouders sprake geweest van verbaal en fysiek geweld vanuit de vader richting haar. De moeder heeft hierdoor een periode een AWARE-knop gedragen. Verder is aan de vader een gedragsaanwijzing, inhoudende een contact- en locatieverbod, opgelegd. Deze omstandigheden maken dat de ouders niet in staat zijn om gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Daarnaast brengt de afstand tussen de ouders ook praktische belemmeringen met zich mee.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Zij hebben allebei een andere kijk op het verleden en de ontstane situatie en maken elkaar over en weer verwijten. Daarnaast is sprake van een grote afstand tussen de vader en de moeder en [minderjarige]. De vader heeft weinig zicht op het leven van [minderjarige] in [land]. Hierdoor is hij onvoldoende in staat om samen met de moeder beslissingen te nemen die in het belang van [minderjarige] zijn. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de moeder belast blijft met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom afwijzen.
Omdat de rechtbank het verzoek tot gezamenlijk gezag zal afwijzen, zal zij in het vervolg spreken van een omgangsregeling.
Omgang
Wettelijk kader
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 1:377a lid 1 BW volgt dat een kind recht op omgang met zijn ouders heeft en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind heeft. De rechter kan op verzoek van (één van) de ouder(s) een omgangsregeling vaststellen of het recht op omgang (tijdelijk) ontzeggen.
Vakantieregeling
De vader verzoekt een vakantieregeling waarbij hij [minderjarige] twee keer per jaar gedurende een week in [land] bij zich kan houden, het liefst met overnachtingen. Daarnaast wil hij [minderjarige] kunnen zien als hij en de moeder in Nederland zijn, het liefst met overnachtingen. De moeder is wel akkoord met de vakantieregelingen, maar niet met overnachtingen van [minderjarige] bij de vader. Bovendien wil zij aanwezig zijn tijdens de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige], in ieder geval aan het begin van de week.
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat deze vakantieregeling op dit moment nog niet goed doordacht is. Gelet op het feit dat de vader en [minderjarige] elkaar al langere tijd niet fysiek hebben gezien, overweegt de rechtbank dat het niet in het belang van [minderjarige] is om direct een gehele week bij de vader te zijn zonder de aanwezigheid van zijn moeder. Tegelijkertijd is het gelet op de slechte verstandhouding tussen de ouders ook niet wenselijk dat de moeder gedurende de hele week aanwezig is bij de omgang. Daarom is het van belang dat de ouders in onderling overleg nadere afspraken maken over de uitvoering van deze regeling. Aangezien [minderjarige] in [land] woont, is er daarin geen rol meer weggelegd voor de rechtbank in Nederland.
De rechtbank zal daarom een definitieve beslissing over de vakantieregeling nemen en bepalen dat de vader twee keer per jaar een week in [land] zal zijn en [minderjarige] daar gedurende die week mag zien, waarbij de ouders in onderling overleg afspraken maken over de uitvoering daarvan. Ook zal de rechtbank bepalen dat de vader [minderjarige] mag zien wanneer de moeder met [minderjarige] in Nederland is, waarbij de ouders in onderling overleg afspraken maken over de uitvoering daarvan.
Videobelregeling
De vader verzoekt de huidige videobelregeling uit te breiden. Hij zou graag vaker contact met [minderjarige] willen om de band tussen hen te versterken. De vader merkt bovendien dat [minderjarige] de Nederlandse taal steeds minder machtig is, waardoor de afstand tussen de vader en [minderjarige] groter wordt. Frequenter belcontact zal er volgens de vader aan bijdragen dat [minderjarige] zijn kennis van de Nederlandse taal beter op peil houdt.
De moeder voert verweer. Volgens de moeder nodigt de manier waarop de videobelmomenten op dit moment verlopen niet uit tot een uitbreiding daarvan. De vader kan zijn frustraties niet altijd voor zich houden en reageert dan op een nare manier tegen [minderjarige]. Daarnaast komt de vader de videobel-afspraken niet consequent na. Ook is het voor de moeder praktisch niet haalbaar om meerdere keren per week het videobellen te faciliteren.
Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] acht de rechtbank het in zijn belang om vaker een kortdurend contactmoment met de vader te hebben. Op deze wijze is het eenvoudiger om de band tussen hem en zijn vader te bevorderen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vader en [minderjarige] iedere woensdagavond en zaterdagmiddag met elkaar zullen videobellen.
Raadsonderzoek
De rechtbank ziet geen aanleiding om een verzoek door de Raad te gelasten, zodat zij dit verzoek zal afwijzen.
Informatieregeling
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van de ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wil door de moeder op de hoogte worden gehouden van belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige] en verzoekt daarom een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder hem vier keer per jaar per e-mail informeert over het welzijn van [minderjarige]. Volgens de moeder is deze informatieregeling niet nodig, omdat zij tijdens het videobelmoment belangrijke informatie met de vader kan delen.
De rechtbank overweegt dat het, zeker gelet op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders, niet in het belang van [minderjarige] is dat de ouders tijdens de videobelcontacten informatie over hem uitwisselen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de moeder de vader vier keer per jaar per e-mail moet informeren over het welzijn van [minderjarige].
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 29 april 2025 – :
*
bepaalt dat ten aanzien van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] de volgende omgangsregeling zal gelden:
-
de vader ziet [minderjarige] twee keer per jaar gedurende een week in [land], waarbij de ouders in onderling overleg nadere afspraken maken over de uitvoering daarvan;
-
wanneer de moeder met [minderjarige] in Nederland is, stelt zij de vader in de gelegenheid om [minderjarige] te zien, waarbij de ouders in onderling overleg nadere afspraken maken over de uitvoering daarvan;
-
de vader en [minderjarige] zullen iedere woensdagavond om 18.30 uur (Nederlandse tijd) en iedere zaterdagmiddag om 12.00 uur (Nederlandse tijd) met elkaar videobellen;
*
bepaalt dat de moeder met ingang van heden de vader viermaal per jaar schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] en daarbij zal voegen een goed gelijkende recente kleurenfoto van [minderjarige];
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 juli 2026. |