beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/416066 / FA RK 23-5391
datum uitspraak: 21 juli 2026
nadere beschikking betreffende een omgangs- en informatieregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in België, thans verblijvende in de PI te [plaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
voorheen: advocaat mr. C.A.E. van der Poel te Hoogerheide, onttrokken.
Over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1 Het verdere procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 27 augustus 2024 met alle daarin genoemde stukken;
- het op 9 maart 2025 door mr. Van der Poel ingediende F9-formulier met bijlage;
- het bericht van de Raad van 12 maart 2025;
- het op 28 april 2025 door mr. Wouters ingediende F4-formulier;
- het op 11 november 2025 door mr. Wouters ingediende F9-formulier;
- het bericht van de Raad van 11 november 2025 met bijlage, binnengekomen bij de griffie op 13 november 2025;
- het op 9 december 2025 door mr. Wouters ingediende F9-formulier;
- het op 9 december 2025 door mr. Van der Poel ingediende F4-formulier;
- het op 19 januari 2026 door mr. Wouters ingediende F9-formulier;
- het op 19 januari 2026 door mr. Van der Poel ingediende F4-formulier;
- het op 4 februari 2026 door mr. Van der Poel ingediende F4-formulier;
- het op 16 februari 2026 door mr. Wouters ingediende F9-formulier;
- de door mr. Wouters tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota.
Het verzoek is verder mondeling behandeld op 3 juni 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. Hoewel de vrouw correct is opgeroepen, is ze niet verschenen.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hier heeft hij geen gebruik van gemaakt.
2 De verdere beoordeling
Bij beschikking van 27 augustus 2024 is aan de vrouw verzocht zich te wenden tot het zorgloket van haar gemeente, teneinde een gesprek te arrangeren tussen [minderjarige] en een professionele hulpverlener om zodoende inzicht te verkrijgen ten aanzien van de in die beschikking onder r.o. 4.2.5 genoemde vraagstukken alsmede om uiterlijk 1 december 2024 de verslaglegging daarvan te doen toekomen aan de Raad zodat deze informatie betrokken kan worden in de hierna te noemen advisering dan wel het raadsonderzoek. De Raad is namelijk verzocht te adviseren dan wel een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in de beschikking vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. De behandeling van de zaak is aangehouden.
Op 9 maart 2025 heeft mr. Van der Poel namens de vrouw laten weten dat [minderjarige] geen hulpverlening wenst en dat de vrouw zijn vertrouwen niet wil beschamen door toch hulp in te schakelen. [minderjarige] is nu stabiel en inzet van hulp zal voor meer onrust zorgen.
De Raad heeft een onderzoek gestart en uit het raadsrapport van 11 november 2025 blijkt onder meer dat de Raad het essentieel vindt dat [minderjarige] zich op een zo positief mogelijke wijze kan blijven ontwikkelen, zonder dat er verstoring optreedt van zijn stabiliteit. Het is een gegeven dat [minderjarige] geconfronteerd zal blijven worden met het strafrechtelijk verleden van de man, maar de Raad hoopt dat dit [minderjarige] zo min mogelijk belemmert en dat [minderjarige] zich kan blijven richten op de positieve aspecten van zijn leven. Gezien de ingrijpende levensgebeurtenissen die [minderjarige] heeft doorgemaakt en de negatieve impact hiervan, schat de Raad in dat [minderjarige] een verminderde draagkracht heeft. De Raad denkt dat het gevoel van stabiliteit van [minderjarige] zal verminderen en dat stress en onrust zullen toenemen als [minderjarige] , in welke vorm dan ook, geforceerd zal worden tot contact met de man. De Raad verwacht dat er dan een situatie ontstaat waarin [minderjarige] overbelast raakt door het ervaren van negatieve en beladen emoties en zich te weinig zal kunnen richten op zijn ontwikkelingstaken, die zeker in de puberteit zeer belangrijk zijn. Het is in het belang van [minderjarige] dat er aangesloten wordt bij zijn wens tot geen contact met de man. Mogelijk kan dit zijn vertrouwen in anderen om hem heen vergroten. Ook heeft de Raad hierin meegenomen dat de man weinig inlevingsvermogen, reflectie en empathie laat zien naar anderen die schade oplopen door zijn gedrag en keuzes. Met betrekking tot een informatieregeling stelt de Raad dat dit niet in het belang van [minderjarige] is. De Raad kan zich voorstellen dat de man hieraan behoefte heeft, maar [minderjarige] staat hiervoor niet open en de Raad vindt dat het belang van [minderjarige] hierin voorop moet staan. Ook is de Raad van mening dat niet van de vrouw gevraagd kan worden om met de man over [minderjarige] te communiceren, gelet op haar ervaringen met de man en de impact hiervan. De Raad wil aan de vrouw en [minderjarige] meegeven het belangrijk te vinden dat beiden, onafhankelijk van elkaar, nu of in de toekomst (laagdrempelige) hulpverlening inzetten (zoals bij de praktijkondersteuner van de huisarts). De Raad denkt dat de vrouw baat kan hebben bij ondersteuning van verdere verwerking van haar trauma's. Dit kan ten goede komen aan haar eigen mentale welzijn en zij kan hierdoor meer ondersteuning bieden aan [minderjarige] . De Raad denkt dat [minderjarige] ondersteuning kan gebruiken bij eventuele vragen die hij over de man heeft en berichten die in de media te vinden zijn. De Raad gunt het [minderjarige] dat hij, naast de mentor, een plek heeft waar hij vrijuit kan praten over zijn vragen, gevoelens en gedachten met betrekking tot de man. De Raad adviseert de verzoeken van de man af te wijzen.
Standpunt man
Door en namens de man is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat is gebleken dat [minderjarige] een verkeerd beeld heeft van zijn vader. Als hij informatie wil over de man gaat hij zoeken op het internet, maar hier leest hij negatieve verhalen. Daarnaast heeft [minderjarige] het idee dat de man nooit naar hem heeft omgekeken en nooit contact wilde. Dit klopt niet. De man heeft meerdere procedures gevoerd om contact met [minderjarige] te krijgen. Op basis van dit verkeerde beeld geeft [minderjarige] aan dat de man geen informatie over hem mag ontvangen. Dit verkeerde vaderbeeld kan met juiste hulpverlening worden weggenomen. Hiernaast is het onderzoek van de Raad zeer beperkt, maar er worden wel vergaande conclusies getrokken. De zorgen over de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] zijn voor de man mede de reden voor de verzoeken geweest. Deze zorgen ziet ook de Raad nog steeds. Daarbij zijn er nieuwe zorgen ontstaan, namelijk dat de stiefvader van [minderjarige] ook in detentie is geraakt en dat de vrouw bewust geen uitvoering heeft gegeven aan de beschikking van 27 augustus 2024. Hulpverlening wordt niet binnengelaten door de vrouw en zonder haar krijgt niemand [minderjarige] te spreken. Toch wordt er door de Raad niet uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. De vrouw stelt dat er huiselijk geweld is geweest, maar de man betwist dat. De Raad volgt zonder kennis van enige feiten hierin de vrouw en diskwalificeert vervolgens de man. Verder is het advies gebaseerd op een inschatting dat [minderjarige] een verminderde draagkracht heeft en dat daarom moet worden aangesloten bij de wens van [minderjarige] . De Raad gaat er aan voorbij dat deze wens van [minderjarige] helemaal niet feitelijk is vastgesteld en niet goed is onderzocht. De man vindt dan ook dat een beschermingsonderzoek aan de orde dient te komen. Primair wordt de rechtbank verzocht deze opdracht bij de Raad neer te leggen dan wel ambtshalve tot een voorlopige ondertoezichtstelling over te gaan. De grondslag hiervan is dat er aanwijzingen zijn dat [minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, bestaande uit het feit dat hij geen contact heeft met de man en een verkeerd vaderbeeld heeft, waardoor er trauma’s zijn ontstaan. Hiernaast wijst de vrouw alle hulpverlening af en zit ook stiefvader in detentie. Op het moment dat de rechtbank beslist dat er geen nader onderzoek wordt verricht, verzoekt de man zijn verzoeken toe te wijzen. De inschatting is dat de vrouw geen uitvoering zal geven aan de
omgangsregeling en ook niet aan de informatieregeling. Het idee dat bij [minderjarige] bestaat, inhoudende dat de man helemaal niet naar hem omkijkt, is dan wel weerlegd.
Advies Raad
Door de Raad is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij aan [minderjarige] hebben verteld dat het raadsonderzoek is ingesteld mede omdat zijn vader omgang met hem wil, omdat hij [minderjarige] mist. [minderjarige] is dus op de hoogte dat de man contact met hem wil. [minderjarige] heeft veel heftige gebeurtenissen meegemaakt, waardoor er traumasensitief met hem moet worden omgegaan. Zijn vertrouwen in anderen is ernstig beschadigd en hij kan dan ook niet geforceerd worden tot iets dat hij niet wil, zeker niet als het gaat om zijn vader. Hetzelfde geldt voor de vrouw; ook zij zit midden in het trauma rondom de man. Een beschermingsonderzoek of voorlopige ondertoezichtstelling gaat veel schade toebrengen aan [minderjarige] en is dan ook niet in zijn belang. De draagkracht van [minderjarige] moet niet verder belast worden. De verzoeken van de man dienen te worden afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt, waarbij allereerst zal worden ingegaan op de stelling van de man dat het onderzoek van de Raad niet deugdelijk is uitgevoerd. De rechtbank ziet geen grond voor de conclusie dat het onderzoek van de Raad niet deugdelijk is uitgevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad uitgelegd hoe het onderzoek is uitgevoerd en waarom er bepaalde keuzes zijn gemaakt. Uit de opzet van het onderzoek blijkt dat de Raad als zorg heeft gedefinieerd dat er al jarenlang sprake is van contactverlies tussen [minderjarige] en de man, terwijl het voor de ontwikkeling van [minderjarige] van belang is dat hij zich zelfstandig een beeld kan vormen van zijn vader. In het onderzoek heeft de Raad met de vrouw en [minderjarige] zelf gesproken en op verzoek van de man, naast telefonische gesprekken, ook in de PI een gesprek met de man gevoerd, ondanks dat de Raad dit niet nodig vond voor zijn advies aan de rechtbank. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het onderzoeksrapport als niet deugdelijk ter zijde te schuiven.
Beschermingsonderzoek/voorlopige ondertoezichtstelling
De rechtbank is met de Raad van mening dat een beschermingsonderzoek [minderjarige] alleen maar meer zal belasten en dus meer onrust, stress en schade toe zal brengen. Gebleken is dat [minderjarige] een verminderde draagkracht heeft door alles wat hij heeft meegemaakt in zijn leven. Zijn vertrouwen in anderen is ernstig beschadigd en hij heeft behoefte aan rust en stabiliteit. Hierbij heeft de Raad vanuit zijn professionaliteit gesteld dat [minderjarige] een traumasensitief kind is. Hierdoor moet er meer dan bij een ander kind rekening worden gehouden met wat hij wel en niet aankan. De rechtbank zal dan ook geen beschermingsonderzoek gelasten. Wel is de rechtbank het met de Raad eens dat zowel de vrouw als [minderjarige] baat kan hebben bij het inzetten van hulpverlening om onder meer hun trauma’s verder te verwerken. Echter is de druk die een beschermingsonderzoek met zich meebrengt niet in het belang van [minderjarige] . Deze hulpverlening zal op vrijwillige basis moeten worden ingezet op het moment dat [minderjarige] en de vrouw hieraan toe zijn.
Hiernaast overweegt de rechtbank dat het wettelijk kader niet voorziet in het ambtshalve uitspreken van een voorlopige ondertoezichtstelling.
Deze verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.
Omgangsregeling
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
- omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
- de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
- het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
- er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat er wordt gewerkt aan contactherstel en een omgangsregeling met de man. Uit het raadsonderzoek blijkt dat, zoals hierboven vermeld, [minderjarige] een verminderde draagkracht heeft door alles wat hij heeft meegemaakt in zijn leven. Zijn vertrouwen in anderen is ernstig beschadigd en hij heeft behoefte aan rust en stabiliteit. Op het moment dat er, tegen zijn wil in, een omgangsregeling met de man wordt vastgesteld, zal zijn draagkracht nog meer belast worden en zal er opnieuw veel onrust in zijn leven komen. De kans is groot dat [minderjarige] overbelast wordt, waardoor hij zich minder kan richten op zijn ontwikkelingstaken. Hiernaast heeft de Raad tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [minderjarige] weet dat de man omgang met hem wil, omdat hij [minderjarige] mist. Hij weet dus dat de man wel naar hem omkijkt en contact wil. Echter heeft [minderjarige] op dit moment tijd en ruimte nodig om de stabiliteit die hij nu ervaart te handhaven. Het is momenteel dan ook niet in het belang van [minderjarige] om een omgangsregeling vast te stellen en de rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Informatieregeling
In artikel 1:377b, eerste lid, BW is bepaald dat een ouder de rechtbank kan verzoeken een informatieregeling vast te stellen. In het tweede lid, van dit artikel staat dat de rechtbank kan beslissen dat de ouder met gezag over het kind geen informatie hoeft te geven aan de ouder zonder gezag over het kind en hem of haar niet hoeft te raadplegen. Dat kan de rechtbank doen op verzoek van de ouder die het gezag over het kind heeft, maar ook zonder dat er door iemand om is verzocht.
De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] dat de man informatie over hem ontvangt. [minderjarige] heeft uitdrukkelijk aangegeven dat hij dit niet wil, ondanks dat hij weet dat de man dit wel wenst. De rechtbank is het ook hier met de Raad eens dat [minderjarige] overbelast is en behoefte heeft een stabiliteit en rust. Op het moment dat er geen gehoor aan zijn wens wordt gegeven, zal zijn draagkracht nog meer belast worden. De rechtbank zal het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen dan ook afwijzen.
De rechtbank geeft de man ten overvloede mee dat ze niet begrijpt dat de man, achter de rug van de vrouw en [minderjarige] om, om informatie en foto’s van [minderjarige] vraagt aan derden. Ook dit is niet in het belang van [minderjarige] , omdat dit tegen zijn wens in gaat en dit bij [minderjarige] en de vrouw onrust veroorzaakt. De rechtbank vindt dit geen verstandige keuze van de man en hoopt dat hij inziet dat dit alleen maar meer onrust bij [minderjarige] veroorzaakt.
Bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.
3 De beslissing
De rechtbank
wijst de verzoeken van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.