beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/443652 / FA RK 26/37
datum uitspraak: 21 juli 2026
beschikking over gezag en omgangsregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink uit Roosendaal,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
Belanghebbende in deze procedure is:
Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI) gevestigd in Etten-Leur.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 23 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het rapport van de Raad van 27 maart 2026 met bijlagen, ingekomen bij de rechtbank op 31 maart 2026;
- het op 2 juni 2026 ontvangen verweerschrift;
- het door mr. Teusink op 3 juni 2026 ingediende F9-formulier met bijlagen.
Het verzoek is mondeling behandeld op 8 juni 2026 tegelijkertijd met het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen (C/02/446624 / JE RK 26-552). Op dit verzoek is bij separate beschikking beslist. Bij de mondelinge behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad en waren er twee vertegenwoordigsters aanwezig namens de GI die via Teams zijn aangesloten.
2 De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De vrouw heeft van rechtswege alleen het
gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij vonnis van 28 november 2025 heeft de voorzieningenrechter partijen veroordeeld tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken, zoals vermeld onder rechtsoverweging 4.9. van dat vonnis Hiernaast is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder 4.6. in die beschikking vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren.
3 Het verzoek
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man vanaf de datum van de beschikking althans vanaf de datum die de rechtbank zal vermenen te behoren, gezamenlijk met de vrouw belast is met het gezag over de minderjarige kinderen van partijen, [minderjarige 1] , te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019 en [minderjarige 2] , te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022;
II. de verdeling van de zorg en opvoedingstaken ten aanzien van de voormelde kinderen vast te stellen als volgt:
- de kinderen verblijven om en om de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw en het wisselmoment zal zijn op maandag via school. De ouder waar de kinderen dan zijn, dient de kinderen om 08.15 uur naar school te brengen, [minderjarige 2] wordt dan gelijk aan de andere ouder overgedragen en de andere ouder haalt [minderjarige 1] van school op maandagmiddag;
III. ter zake de vakanties en de feestdagen wordt verzocht om de volgende regeling:
- kerstdagen, kerstvakantie en jaarwisseling: de kinderen zijn bij de vrouw in de oneven jaren tot tweede kerstdag om 10.00 uur. De kinderen zijn bij de man vanaf tweede kerstdag 10.00 uur tot nieuwjaarsdag 11.00 uur. In de even jaren zijn de kinderen bij de man tot tweede kerstdag om 10.00 uur en zijn de kinderen bij de vrouw vanaf tweede kerstdag 10.00 uur tot 1 januari om 11.00 uur;
- de kinderen zijn in de eerste week van de meivakantie (aanvang zondag) bij de man en de tweede week bij de vrouw. Het wisselmoment is bij het begin van de tweede week op zondag 10.00 uur;
- de kinderen zijn eerste paasdag bij de man en tweede paasdag bij de vrouw;
- de kinderen zijn eerste pinksterdag bij de vrouw en tweede pinksterdag bij de man;
- in de zomerschoolvakantie 2026 zijn de kinderen de eerste week bij de man, dan twee weken bij de vrouw, dan twee weken bij de man en dan een week bij de vrouw.
Vanaf 2027 zijn de kinderen de eerste drie weken van de zomerschoolvakantie
bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw;
IV. althans die verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de omgangsregeling van de man met de kinderen vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek primair af te wijzen en subsidiair aan te houden in het kader van een door de rechtbank nog uit te spreken ondertoezichtstelling over de kinderen.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4 De beoordeling
Wettelijk kader gezag
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn/haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
Wettelijk kader omgangsregeling
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
-
omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
-
de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
-
het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
-
er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Inhoudelijke beoordeling
Door en namens de man is naar voren gebracht dat hij altijd in hoofdzaak voor de kinderen gezorgd heeft, omdat de vrouw een opleiding volgde. In 2025 had de vrouw een nieuwe vriend en heeft ze de relatie met de man verbroken. Partijen zijn eerder doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod. Het doel was om te komen tot co-ouderschap. Echter heeft de vrouw rond 17 september 2025 de omgang tussen de kinderen en de man stopgezet en werkt ze niet meer mee aan het traject via het Uniform Hulpaanbod. Tijdens het kort geding dat hierop volgde, zijn ouders veroordeeld tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken, waaronder de afspraak dat de vrouw zich binnen een week na de mondelinge behandeling tot het CJG zou wenden om omgangsbegeleiding te regelen. Dit heeft de vrouw niet gedaan. Het Uniform Hulpaanbod heeft opnieuw contact opgenomen en had een zorgaanbieder voor begeleide omgang gevonden. De vrouw werkte hier niet goed aan mee, maar inmiddels is sinds ongeveer acht weken de omgang opgestart. De man heeft schorsende voorwaarden, maar stelt dat alles erg zwaar aangezet is en het is nog maar de vraag of de beschuldigingen bewezen kunnen worden. Feit is wel dat de kinderen klem zijn komen te zitten tussen de ouders. De man merkt tijdens de omgangsmomenten dat er een negatief beeld bij hen over de man bestaat. Het frustreert de man hiernaast dat de vrouw de verslagen van de begeleide omgang niet met hem deelt. De omgang verloopt goed. Een vervolgstap zou zijn dat de omgang tussen de man en de kinderen, op hun tempo, wordt uitgebreid. Ook zou er uiteindelijk naar de thuissituatie van de man worden uitgebreid. Dit roept weerstand bij de vrouw op, terwijl de man aan zichzelf werkt en hulpverlening voor zichzelf ingeschakeld heeft. Ook tijdens de schorsende voorwaarden kan de uitbreiding van de omgang plaatsvinden, omdat de reclassering de voorwaarden dan wat kan aanpassen. De man is het eens met een aanhouding van zijn verzoeken voor negen maanden, mede omdat de ondertoezichtstelling is uitgesproken en het verloop hiervan moet worden afgewacht.
Door en namens de vrouw is gesteld dat er een start is gemaakt met de begeleide omgang en dat dit over het algemeen goed verloopt, maar dat er nog steeds zorgen zijn rondom de man. De man is vlak na aanvang van het traject in verzekering gesteld. Hij is inmiddels vrij, maar hij is nog steeds verdachte en hij heeft schorsende voorwaarden. Eén van de voorwaarden is dat de man geen contact mag hebben met de vrouw. Het uitoefenen van gezamenlijk gezag is alleen al daarom op dit moment niet mogelijk. Uit de rapportages van [zorginstelling] blijkt dat het goed is dat de omgang er is, maar dat er nog steeds problematiek speelt bij de man als het gaat om de dwingende controle die hij wenst uit te oefenen op de vrouw en daar ook de kinderen mee belast. Ook de Raad benoemt dat de man hier hulpverlening voor moet inschakelen. Er hebben zich in de afgelopen maanden weer verschillende incidenten tussen de ouders afgespeeld, omdat de man het moeilijk vindt om grenzen te respecteren. Momenteel is er nog onvoldoende vertrouwen en basis om de man mede met het gezag te belasten of een omgangsregeling vast te stellen. Primair wordt dan ook verzocht het verzoek af te wijzen. Subsidiair kan het verzoek worden aangehouden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling.
De Raad heeft gesteld dat hoewel ze de zich de wens van de man kunnen voorstellen, ze risico’s voor de kinderen zien wanneer op dit moment de beslissing genomen wordt om het gezag te wijzigen naar gezamenlijk gezag. Uit het raadsonderzoek is namelijk gebleken dat het ouders (nu) niet lukt om vorm te geven aan gezamenlijk ouderschap na de scheiding. De communicatie en dynamiek tussen ouders is ernstig verstoord en de Raad ziet niet voor zich dat het ouders op dit moment samen gaat lukken om belangrijke beslissingen over de kinderen te nemen. De Raad wil de ouders de mogelijkheid geven om binnen de ondertoezichtstelling toe te werken naar constructief overleg zodat gezamenlijk gezag over de kinderen in het verschiet ligt. De resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling en de ontwikkelingen van de komende maanden zullen van invloed zijn op het kunnen komen tot een passend advies ten aanzien van het gezag. De Raad adviseert de rechtbank dan ook om het besluit over het gezag aan te houden voor de duur van negen maanden, in afwachting van de uitkomsten van de ingezette hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling. Voor wat betreft de omgangsregeling stelt de Raad dat de begeleide omgang tussen man en de kinderen nog maar pril is gestart. De Raad ziet het als prioriteit dat hierop verder ingezet wordt en dat er zicht komt op de omgang, maar ook op hoe de kinderen voor- en achteraf op de omgang reageren. Op deze manier komt er objectief zicht op de interactie tussen de man en de kinderen en op welke regeling duurzaam passend is. Zoals eerder benoemd geldt ook voor de omgang dat de resultaten van de hulpverlening en de ontwikkelingen van de komende maanden van invloed zijn op het kunnen komen tot een passend advies ten aanzien van de zorgregeling c.q. omgangsregeling. De Raad adviseert dan ook om het besluit over de zorgregeling c.q. omgangsregeling aan te houden voor de duur van negen maanden.
De GI kan zich vinden in het advies van de Raad. Het is belangrijk om zicht te krijgen op de kinderen zowel voor, tijdens al na de omgangsmomenten met de man.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is, voor zover in dit kader relevant, gebleken dat de verstandhouding en dynamiek tussen de ouders verstoord is en dat het de ouders niet lukt om op ouderniveau met elkaar te communiceren. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt hierdoor bedreigd en zij zijn klem zijn komen te zitten tussen hun ouders. Er is tijdens de mondelinge behandeling dan ook een ondertoezichtstelling uitgesproken. De visies van de ouders op wat er tussen hen gebeurd is, lopen uiteen. De vader zegt dat de moeder hem bedrogen heeft en hem kleineerde, de moeder zegt dat de vader drugs gebruikt en agressief is geweest naar haar en dat zij zich langdurig onveilig heeft gevoeld tijdens de relatie van de ouders. Uit het Raadsrapport volgt dat Veilig Thuis op 19 januari 2026 de MASIC heeft afgenomen om meer inzicht proberen krijgen in de aard en vorm van onveiligheid die zich gedurende relatie tussen ouders heeft voorgedaan, om een inschatting te kunnen maken van de (on)veiligheid in het hier en nu. De aandachtsfunctionaris intiem terreur van Veilig Thuis heeft op basis hiervan geconcludeerd dat het door de moeder ervaren gevoel van onveiligheid niet bevestigd noch weerlegd kan worden. Beide ouders omschrijven meerdere situaties van kleineren, verbale en fysieke agressie. De verhalen van ouders verschillen van elkaar, maar beide ouders geven wel aan dat er dat er sprake is geweest van agressie. Vast staat ook, zo blijkt uit het Raadsrapport, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hier last van hebben en dat zij de dupe zijn geworden van de zeer verstoorde verstandhouding tussen de ouders.Ook hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ondanks het feit dat de ouders in het UHA-traject bijna tot een co-ouderschapsregeling waren gekomen, inmiddels een half jaar geen fysiek contact gehad met de vader. Inmiddels is met behulp van hulpverlening begeleide omgang van een keer per week twee uur opgestart, naast het videobelmoment dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met hun vader hebben op zondagavond om 18:30 uur. Vanuit hier moet bezien worden welke regeling verder passend is. Het lukt de ouders niet om hier samen uit te komen. Beide ouders beamen dit ook en willen dat de GI hier in het kader van de ondertoezichtstelling regie op gaat voeren.
De rechtbank vindt het, net als de Raad, van belang dat het verloop van de ondertoezichtstelling wordt afgewacht voordat ze een beslissing neemt op de verzoeken van de man. Momenteel lukt het de ouders, gezien de verstoorde verstandhouding, niet om samen beslissingen te nemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het is nog onduidelijk of hen dat in de toekomst wel voldoende zal lukken. Binnen de ondertoezichtstelling kan er gewerkt worden aan het verbeteren van hun verstandhouding en het leren communiceren op ouderniveau. Hiernaast kan er binnen de ondertoezichtstelling ook meer zicht komen op de omgang tussen de kinderen en de man. Deze omgang is nog maar net opgestart en de rechtbank vindt het belangrijk dat er niet alleen zicht komt op de omgang zelf, maar ook op hoe [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vooraf en achteraf op de omgang met de man reageren, zodat er een compleet beeld wordt geschetst. Hiervoor is het ook noodzakelijk dat de vrouw de omgangsverslagen deelt met de GI. Zodra de GI een compleet beeld geschetst heeft, vindt de rechtbank het belangrijk dat zij de regie in handen hebben over een eventuele uitbreiding van de omgangsregeling. Tot die tijd dient de omgang zoals nu loopt gehandhaafd te blijven. De rechtbank zal gezien het bovenstaande de verzoeken van de man aanhouden voor de duur van negen maanden.
De rechtbank verwacht van de Raad uiterlijk op de hierna te noemen pro formadatum een aanvullend rapport en advies en ze verwacht van de GI een verslag over de ontwikkelingen in het kader van de ondertoezichtstelling. Hierop kunnen partijen reageren en het gewenste procesverloop aangeven.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing met betrekking tot de voorlopige omgang uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat die beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarigen voorlopig gerechtigd zijn tot contact en omgang zoals het reeds is ingezet, te weten op zondagavond om 18:30 uur via een videobelmoment en eens per week begeleide omgang van twee uur waarbij de GI de regie heeft over de uitbreiding van de omgang;
verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken aan tot 2 maart 2027 PRO FORMA, waarbij de Raad wordt verzocht de rechtbank nader te adviseren over het gezag en de omgangsregeling, de GI wordt verzocht een update in verslagvorm te geven over het verloop van de ondertoezichtstelling en (de advocaten van) partijen wordt verzocht zich uit te laten over het gewenste verdere procesverloop.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van drs. Swint, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.