RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/414081 / FA RK 23-4411
Datum uitspraak: 18 juni 2026
nadere beschikking van de rechtbank over het ouderlijk gezag, het hoofdverblijf en een contactregeling
in de zaak van
[de man] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. Elias,
en
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof.
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de in deze zaak op 10 oktober 2024 gegeven beschikking en alle daarin genoemde stukken;
-
het UHA-rapport van 3 november 2025, ontvangen op 10 november 2025;
-
de brief van de Raad van 21 januari 2026, ontvangen op 22 januari 2026;
-
het F9-formulier van mr. Elias, ontvangen op 29 januari 2026;
-
het F9-formulier van mr. Van Kerkhof, ontvangen op 5 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- namens de man, zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
De man was niet aanwezig bij de zitting.
2 De feiten
Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank op deze plaats naar de hiervoor genoemde beschikking van 10 oktober 2024. In aanvulling daarop geldt het volgende.
In genoemde beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] , voorlopig, bij de man zal zijn een weekend per veertien dagen van zaterdag 09.00 uur tot zondag 16.00 uur. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] op de volgende feestdagen en bijzondere dagen bij de man zal zijn:
-
in de even jaren op Eerste Kerstdag en in de oneven jaren op Tweede Kerstdag;
-
op de verjaardag van de man;
-
op de verjaardag van de moeder van de man;
-
op Vaderdag.
Verder heeft de rechtbank partijen en [minderjarige] doorverwezen naar een hulptraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). De (definitieve) beslissingen op de verzoeken over het ouderlijk gezag, het hoofdverblijf, de reguliere contactregeling en de vakanties heeft de rechtbank aangehouden in afwachting van het eindrapport van het UHA-traject.
De rechtbank heeft op 10 november 2025 de eindrapportage van het UHA-traject ontvangen. De gestelde doelen zijn niet behaald. De GezinsManager adviseert om de beide ouders eerst een eigen hulpverleningstraject te laten doorlopen, voordat zij verder kunnen werken aan hun onderlinge relatie als ouders van [minderjarige] . De man heeft hulp nodig bij het structureren van zijn leven zodat het hem beter lukt om afspraken te plannen en na te komen. De GezinsManager vindt het voor de vrouw belangrijk om zich te richten op haar eigen rol in de opvoeding van [minderjarige] . Uit de eindrapportage blijkt verder dat het met [minderjarige] goed gaat. Hij is loyaal aan beide ouders, hij kan onderscheid maken tussen papa en mama en vertelt met hen beiden leuke dingen te doen. Voor [minderjarige] is het zoals het nu gaat tussen de ouders ‘oke’, hij lijkt weinig last te hebben van de strijd die de ouders op de achtergrond hebben.
Bij brief van 21 januari 2026 heeft de Raad de rechtbank geadviseerd om een zitting te plannen. De Raad verwacht niet dat een interventie van zijn kant (een nader onderzoek) tot een ander inzicht leidt dan blijkt uit de eindrapportage van het UHA-traject.
3 Het verzoek
Aan de orde zijn nog de volgende verzoeken van de man:
-
bepaling dat aan partijen voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] toekomt;
-
bepaling dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is;
-
vaststelling van een zorgregeling, waarbij [minderjarige] bij hem is:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdagmorgen 8:00 uur (waarbij de moeder van de man hem ophaalt) tot zondag 18:30 uur (waarbij de vrouw hem ophaalt bij de moeder van de man);
- zodra [minderjarige] naar school gaat kan dit worden aangepast naar eenmaal in de twee weken van vrijdag uit school tot zondag 18:30 uur;
- tijdens de vakantie conform de reguliere regeling, met uitzondering van de zomervakantie;
- tijdens de zomervakantie drie aaneengesloten weken bij een van de partijen, waarbij de vrouw in de even jaren eerste keuze heeft. Deze keuze moet vóór 1 januari worden doorgegeven. Het wisselmoment ligt op vrijdag om 17:00 uur.
4 De standpunten en het advies van de Raad
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de man, samengevat, het volgende aangevoerd. De huidige, voorlopige omgangsregeling en de communicatie tussen partijen verlopen goed. De vrouw schetst echter een ander beeld. De man ervaart dat hij het stempel krijgt van een ouder die zich niet aan afspraken houdt en alleen doet wat hij wil. Hij krijgt op die manier geen kans om een volwaardig vader te zijn. De man is de afspraken binnen het UHA-traject nagekomen. Het heeft hem dan ook hard geraakt dat de Raad onvoldoende grond ziet om het gezamenlijke gezag toe te wijzen. De man onderschrijft het advies van de Raad dat de contactregeling kan worden uitgebreid. Er zijn geen aanwijzingen dat de situatie bij de man onveilig is. De man verzoekt om een eindbeslissing te nemen over het gezag, de zomervakantie en de contactregeling. Het is voor hem van belang dat er duidelijkheid komt.
De vrouw heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vrouw was blij met de doorverwijzing naar het UHA-traject en hoopte dat de situatie zou verbeteren. Helaas is dat niet gelukt. Uit het UHA-rapport blijkt duidelijk dat het ouders niet lukt om constructief samen te werken en afdoende te communiceren. De man komt zijn verplichtingen niet na en verschijnt niet op afspraken. De man gaat zijn eigen gang en is regelmatig te laat bij de wisselmomenten. De vrouw geeft aan dat zij de man niet spreekt, ook niet tijdens de wisselmomenten. Dat doet haar huidige partner Ondanks anderhalf jaar hulpverlening is er geen verbetering zichtbaar. Gezamenlijk gezag is volgens de vrouw niet haalbaar, aangezien de communicatie zeer moeizaam verloopt. De vrouw maakt zich daarnaast zorgen over de thuissituatie van de man. De man is recent weer vader geworden en de vrouw heeft meegekregen dat de zwangerschap stressvol was. Dat heeft geleid tot frictie tussen de man en zijn huidige partner. Daarvan heeft [minderjarige] veel meegekregen. Zij hoort daarnaast dat de man vaak in bed ligt als [minderjarige] er is en dat [minderjarige] regelmatig door zijn oma wordt opgehaald. De man heeft in de afgelopen periode niet laten zien dat hij zijn leven op orde heeft en is niet voldoende beschikbaar op de momenten dat dat nodig is. Voor de vrouw is er op dit moment geen basis voor uitbreiding van het contact tussen de man en [minderjarige] .
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De Raad ziet onvoldoende grond om te adviseren tot toewijzing van het verzoek van de man voor gezamenlijk gezag, zeker omdat er nauwelijks contact tussen ouders is. Samen gezagsbeslissingen nemen is daardoor op dit moment niet haalbaar. Hulpverlening heeft niet bij kunnen dragen aan een verbetering van de onderlinge communicatie, en de Raad schat de kans klein in dat ouders daarin op korte termijn alsnog stappen zullen zetten. Daardoor bestaat bij de Raad de vrees dat [minderjarige] klem of verloren raakt als partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag zouden worden belast. De Raad acht de vrouw goed in staat verantwoorde gezagsbeslissingen te nemen over [minderjarige] . Wat betreft de contactregeling ziet de Raad mogelijkheden tot uitbreiding. Daarbij is wel de timing van de uitbreiding van belang. De Raad heeft er begrip voor dat het gezin van de man, met de komst van een baby, even moet landen. [minderjarige] zal zich daaraan ook moeten aanpassen. De Raad vindt het daarom beter dat een eventuele uitbreiding van de weekendregeling pas over enkele maanden plaatsvindt.
5 De beoordeling
Gezag
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat daarin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. De rechtbank wijst het verzoek ook af als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en uit de bespreking tijdens de zitting blijkt dat de samenwerking en communicatie tussen de ouders – ook na inzet van hulpverlening – nog niet van de grond is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat het bij die stand van zaken op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om het verzoek van de man om ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag, toe te wijzen. Partijen zijn nu niet in staat om het gezag gezamenlijk te dragen en de rechtbank verwacht, gelet op de reeds ingezette hulpverlening, niet dat de huidige situatie binnen afzienbare termijn zal verbeteren. Daarvoor zullen partijen ieder eerst stappen moeten zetten die hen in staat stellen om te werken aan hun onderlinge relatie als ouders van [minderjarige] . De man heeft bij de hulpverlening erkend dat hij hulp nodig heeft bij het structureren van zijn leven. De rechtbank moedigt de man aan om die hulp te aanvaarden. Als het hem lukt meer overzicht te creëren, beter te plannen en zijn afspraken na te komen, zal hem dat kunnen helpen om ook op een waardevolle manier betrokken te zijn bij zaken die spelen in het leven van [minderjarige] .
De rechtbank zal het verzoek van de man om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten, daarom afwijzen.
Hoofdverblijf
Omdat het verzoek van de man over het gezamenlijk gezag zal worden afgewezen en de vrouw dus met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast blijft, is er geen aanleiding om het hoofdverblijf van [minderjarige] te bepalen. Dit verzoek zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Vaststelling omgangsregeling
Over het verzoek van de man tot vaststelling van een contactregeling oordeelt de rechtbank als volgt. In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind.
De man verzoekt een omgangsregeling die neerkomt op een verblijf van [minderjarige] bij hem één weekend in de veertien dagen. In de beschikking van 10 oktober 2024 heeft de rechtbank overwogen dat omgang tussen [minderjarige] en de man in het belang van [minderjarige] is, zodat hij zijn vader beter kan leren kennen. De rechtbank heeft toen een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waaraan partijen tot op dit moment uitvoering geven. Zowel de hulpverlening als de Raad zien geen bezwaren tegen een verdere uitbreiding van die voorlopige omgangsregeling. Ook de rechtbank is van oordeel dat uitbreiding van de omgangsregeling in het belang is van [minderjarige] , omdat hij op die manier een hechte(re) band met zijn vader kan opbouwen. De vrouw heeft tijdens de zitting haar zorgen geuit over uitbreiding, met name omdat zij bang is dat de man zijn afspraken niet nakomt en [minderjarige] bijvoorbeeld op vrijdagmiddag niet van school wordt gehaald. De rechtbank benadrukt dat een uitbreiding van het contact voortkomt uit het belang van [minderjarige] om een vast en duurzaam contact met (het gezin van) zijn vader op te kunnen bouwen. Het is aan de man om te laten zien dat hij in staat is om in dat belang van [minderjarige] te handelen en zijn verantwoordelijkheden te nemen. Op die manier kan het vertrouwen van de vrouw in de man groeien. Dat betekent ook dat als de man zijn verplichtingen niet voldoende nakomt, dat gevolgen zal kunnen hebben voor de omgang tussen hem en [minderjarige] in de toekomst.
De rechtbank zal een omgangsregeling vaststellen die in hoofdlijnen overeenkomt met de regeling zoals de man die heeft verzocht. In afwijking daarvan zal de rechtbank de eindtijd op zondag bepalen op 17:00 uur, zodat [minderjarige] bij de vrouw kan eten en, ter voorbereiding op de schoolweek, in alle rust het weekend kan afsluiten. Dat betekent dat de omgangsregeling er als volgt uitziet:
-
[minderjarige] verblijft eenmaal in de twee weken (om de week) van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur bij de man;
-
de man haalt [minderjarige] op van school en brengt hem zondag op tijd terug naar de vrouw;
-
als [minderjarige] op vrijdag geen school heeft, haalt de man [minderjarige] om 15:00 uur op bij de vrouw.
Om partijen en [minderjarige] de gelegenheid te geven in alle rust aan uitbreiding van de omgang te wennen, zal de rechtbank bepalen dat die regeling ingaat per 31 juli 2026. Dat is in de zomervakantie van [minderjarige] . Op vrijdag 31 juli 2026 zal de man [minderjarige] daarom om 15:00 uur ophalen bij de vrouw.
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om het verzoek van de man met betrekking tot de (zomer)vakantie toe te wijzen. Voor het verblijf van [minderjarige] bij de man voor een periode van drie aaneengesloten weken bestaat nog onvoldoende basis. De man en [minderjarige] zullen door de uitvoering van de hiervoor bepaalde omgangsregeling eerst hun band moeten verdiepen. Als die regeling goed verloopt, kunnen partijen in onderling overleg bekijken hoe zij de verdeling van de (zomer)vakanties in de toekomst vormgeven.
Op het verzoek omtrent de feestdagen hoeft de rechtbank niet meer te beslissen. De rechtbank heeft in de beschikking van 10 oktober 2024 de tussen partijen overeengekomen regeling voor de feestdagen vastgelegd.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing over de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur, met in achtneming van het onder rechtsoverweging 5.7. bepaalde;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.