RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/356639 FA RK 19/1508
Datum uitspraak: 15 januari 2025
Nadere beschikking betreffende een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. H. van der Sluis-Westerlaan te Oosterhout,
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1 Het nadere procesverloop
Het nadere verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 1 november 2023 en de daarin genoemde stukken;
- de rapportage verloop ondertoezichtstelling en actuele stand van zaken van de GI van 18 juli 2024 met bijlagen;
- het op 13 augustus 2024 van de advocaat van de man ontvangen F9-formulier;
- de op 21 augustus 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier met bijlage;
- het op 10 december 2024 van de ambulant begeleider ontvangen e-mailbericht, met als bijlage een brief voor de kinderrechter van [minderjarige 2] ;
- het op 3 december 2024 van de advocaat van de man ontvangen F9-formulier met bijlagen;
- het op 10 december 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier met bijlagen;
- de op 11 december 2024 van [minderjarige 1] ontvangen brief;
- het op 12 december 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier met bijlagen;
- het op 16 december 2024 van de advocaat van de man ontvangen F9-formulier.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op
18 december 2024. Bij die gelegenheid zijn de partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. Beide minderjarigen hebben een brief gestuurd aan de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft gevraagd om de inhoud van haar brief niet te delen. Dat heeft de kinderrechter gerespecteerd. De kinderrechter heeft, met toestemming van [minderjarige 1] , samengevat wat zij heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De verzoeken
Aan de rechtbank ligt het volgende nog ter beoordeling voor.
Het verzoek van de man om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
1. er éénmaal per week op een woensdagmiddag om 17.00 uur belcontact in de vorm van videobellen/beeldbellen, tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] plaatsvindt, alsmede dat er videobel/beeldbelcontact is tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op hun verjaardagen, de verjaardag van de man en de verjaardagen van [naam 1] en [naam 2] , alsmede;
2. er een omgangsregeling wordt vastgesteld, van éénmaal in de twee weken in de dezelfde weekenden als dat [naam 1] en [naam 2] bij de man verblijven, van zaterdagmiddag 9.00 uur tot maandagochtend tot school, waarbij de vrouw de kinderen op zaterdag naar de man brengt en de man de kinderen op maandag naar school brengt, alsmede dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vaderdag bij de man verblijven en op moederdag bij de vrouw verblijven, alsmede dat de vakanties en feestdagen tussen partijen bij helfte worden verdeeld en de verjaardagen van [minderjarige 1] ( [geboortedag 1] 2014) en [minderjarige 2] ( [geboortedag 2] 2017) om het jaar bij de man worden gevierd, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw, dan wel dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld in goede justitie te bepalen, alsmede;
3. de vrouw te gebieden informatie aan de man te verschaffen inzake het afzwemmen van [minderjarige 2] , gebeurtenissen op school en andere belangrijke zaken in het leven van [minderjarige 2] waarvan de man niet automatisch op de hoogte wordt gesteld, alsmede te bepalen dat de man aanwezig mag zijn tijdens het afzwemmen van [minderjarige 2] , gebeurtenissen op school en andere belangrijke zaken in het leven van [minderjarige 2] , alsmede de vrouw te gebieden informatie aan de man te verschaffen over het afzwemmen van [minderjarige 1] , gebeurtenissen op school en andere belangrijke zaken in het leven van [minderjarige 1] op grond van art. 8 EVRM, alsmede te bepalen dat de man aanwezig mag zijn tijdens het afzwemmen van [minderjarige 1] , gebeurtenissen op school en andere belangrijke zaken in het leven van [minderjarige 1] , alsmede;
4. de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag en voor iedere dag en voor iedere keer dat de vrouw de omgangsregeling en informatieregeling en hetgeen onder randnummer 2,3 en 4 bepaalde niet nakomt, met een maximale verbeuring van € 60.000,--, alsmede;
5. om aan de man de machtiging te verlenen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien de vrouw handelt in strijd met dit vonnis.
En ook de zelfstandige verzoeken van de vrouw, die luiden als volgt:
primair: de verzoeken van de man af te wijzen.subsidiair: hangende het onderzoek/advies van de Raad, een voorlopige contactregeling/omgangsregeling vast te stellen van een weekend in de oneven weken van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man haalt en brengt.
3 De feiten
Bij beschikking van 1 november 2023 heeft de rechtbank de behandeling van de resterende verzoeken aangehouden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er nog hulpverlening van [praktijk] bij partijen betrokken is en dat een traject met een kindbehartiger van [jeugdzorg] voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanstaande lijkt. Met de inzet van een kindbehartiger van [jeugdzorg] zou er meer oog moeten komen voor de wensen en behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is het belangrijk geacht dat partijen via [praktijk] zouden gaan werken aan het opstellen van een ouderschapsplan om alle ruis over de contactregeling weg te nemen. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat voorlopig de regeling wordt nagekomen, zoals deze is bepaald in het vonnis in kort geding van 4 april 2023, waarbij de man en de minderjarigen eens per twee weken in de oneven weken van zaterdag 09.00 uur tot zondag 17.00 uur contact hebben en de man de minderjarigen ophaalt en weer terugbrengt bij de vrouw. Aan de GI is opgedragen om de contactregeling te monitoren en om te bezien of de overgangsmomenten op een rustige wijze plaats kunnen vinden.
4 De standpunten
De GI heeft in de brief van 18 juli 2024 als volgt bericht. Ondanks de vele inspanningen van Psychologenpraktijk [praktijk] en de jeugdbeschermer blijven partijen vasthouden aan hun eigen verschillende visies. Daarbij wordt er vastgehouden aan bepaalde onderwerpen,
zoals het contact, de regiefunctie van de GI, het advies van de Raad bij start van de ondertoezichtstelling, het geen inzicht hebben in de informatie van [minderjarige 1] enzovoort. De GI beaamt dat partijen terecht aangeven dat er verschillende jeugdbeschermers betrokken zijn geweest. Door de vele wisselingen in jeugdbeschermers en de gemaakte fouten door de GI is het vertrouwen van partijen in de GI beschadigd. Dit gegeven bemoeilijkt de samenwerking tussen de GI en partijen. Deze blijft heel kwetsbaar waardoor de GI heel alert moet zijn. Daarnaast blijven partijen snel aangeven een klacht tegen de GI in te willen dienen of om een bemiddelingsgesprek te vragen als zij het ergens niet mee eens zijn. Ook de ingezette hulpverlening bij [praktijk] en [jeugdzorg] hangt aan een zijden draadje. Om die reden hebben de GI, [praktijk] en [jeugdzorg] een nauwe samenwerking, waar partijen van op de hoogte zijn. De regiefunctie en de rol van de GI is meermaals uitgelegd, net als hoe te werken aan de gestelde voorwaarden/doelen. De GI had de hoop dat partijen zouden gaan inzien dat zij degenen zijn die stappen moeten gaan zetten en dat zij in de toekomst het samen moeten gaan doen met de afspraken die er zouden komen. Voor de minderjarigen is het noodzakelijk dat zij een onafhankelijk vertrouwenspersoon hebben waar zij hun verhaal kwijt kunnen. De GI, [praktijk] en [jeugdzorg] hebben grote zorgen over de interactie tussen partijen en wat het effect daarvan op de minderjarigen is. Partijen nemen niet hun verantwoordelijkheid als gezaghebbende en juridische ouder. Afgevraagd wordt of partijen in staat zullen zijn om zelfstandig informatie te gaan uitwisselen en om afspraken te gaan maken over de toekomst. Partijen lijken rondom [minderjarige 2] het soms best eens te kunnen worden en afspraken te maken. Het blijft echter erg kwetsbaar en ingewikkeld, zolang er onenigheid rondom [minderjarige 1] blijft bestaan. Partijen zijn er in geslaagd om in overleg met [praktijk] en de GI tot een schema te komen voor de zomervakantie, al gaat dit gepaard met verwijten over en weer en klachten over de GI. De kindbehartiger heeft de vrouw geadviseerd om het contact tussen [minderjarige 2] en de man te blijven stimuleren en emotionele toestemming te geven aan [minderjarige 2] om het leuk te hebben bij de man. De kindbehartiger heeft geen zorgelijke signalen waargenomen bij [minderjarige 2] . De kindbehartiger adviseert partijen om samen met de GI op zoek te gaan naar passende hulp voor [minderjarige 2] , om om te leren gaan met teleurstellingen, kritiek en emotieregulatie. Door het wederom stagneren van de hulpverlening bij [praktijk] gaat deze hulpverlening stoppen. Dit zal grote gevolgen hebben voor de positie van de GI. Dit maakt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling geen nut heeft, omdat het hoogst haalbare is bereikt. Ondanks dat het ouderschapsplan niet is afgerond en de contactregeling niet in een ouderschapsplan vast
ligt, is de GI van mening dat partijen dit met hun advocaten op kunnen pakken en zodoende tot afspraken kunnen komen. Op 8 juli 2024 is de brief 'Beslissing om geen verlenging
van de ondertoezichtstelling te verzoeken' aan partijen en aan de Raad verzonden. Met betrekking tot de contactregeling is er tot op heden geen motivatie om het contact uit te breiden of om in te korten.
Door en namens de man is aangegeven dat hij het zeer ongewenst vindt dat de ondertoezichtstelling stopt. Hij verzoekt om zijn verzoeken toe te wijzen. De man geeft aan dat hij beseft dat [minderjarige 1] niet zijn biologische dochter is, maar dat hij haar net zo ziet als de rest van zijn kinderen. Volgens de man wordt hem steeds ontzegd dat hij papa mag zijn. Hij wil kunnen zeggen dat hij trots is op [minderjarige 1] . Het verbaast de man dat [minderjarige 1] aangeeft dat ze hem [voornaam] wil noemen. Als ze bij de man is noemt ze hem papa. Wel is [minderjarige 1] bang dat de vrouw dit hoort. De man gunt het [minderjarige 1] om van twee ouders te kunnen houden, maar nu zit ze klem tussen partijen. De man ziet de minderjarigen om de week van zaterdag 9.00 uur tot 17.00 uur. Deze regeling is volgen de man te beperkt om toe te kunnen werken naar een normale gezinsbeleving. De man begrijpt niet waarom de hele procedure zo lang moet duren. Hij wil een regeling waarbij de minderjarigen in de weekendregeling twee nachten bij hem zijn en een deel van de vakanties. Volgens de man worden de problemen groter gemaakt, dan zij feitelijk zijn. De man heeft de indruk dat [minderjarige 1] door de vrouw wordt beïnvloed. De man verwijt de vrouw bovendien dat de hulpverlening is stopgezet, omdat zij niet meer wil meewerken. De vrouw zou aangeven dat [minderjarige 1] niet meer omgang met de man aan kan, maar dit wordt niet onderbouwd. De man kan bovendien zorgen voor hulp aan en begeleiding van [minderjarige 1] . Volgens de man geeft de vrouw de minderjarigen geen emotionele toestemming om vaker bij de man te zijn. De man wil over beide minderjarigen geïnformeerd worden. De man begrijpt niet dat het negatief is, als hij aanwezig is bij belangrijke momenten van de minderjarigen. Volgens de man zijn er geen redenen waarom de minderjarigen niet vaker bij hem kunnen zijn. Het is volgens de man de vraag of er heel veel waarde gehecht moet worden aan de brief van [minderjarige 1] , nu niet uit te sluiten is dat zij door de vrouw of haar juf is beïnvloed. De beslissing over de omvang van de omgangsregeling moet door volwassenen worden genomen, aldus de man. De man geeft nog aan dat hij op vrijdagen moet werken en dat het voor hem makkelijker is om [minderjarige 2] of beide minderjarigen op maandag bij school af te zetten.
Door en namens de vrouw wordt er nadrukkelijk op gewezen dat er een wezenlijk feitelijk verschil is tussen de man als hechtingsfiguur voor [minderjarige 1] en de opstelling van de man alsof hij haar vader is. De man is niet haar vader en heeft geen vaderrol. Hetgeen volgens de vrouw ook expliciet naar voren komt in het evaluatieverslag van [praktijk] . Volgens de vrouw is er in het kader van de ondertoezichtstelling met de man gewerkt aan het accepteren van zijn rol als hechtingsfiguur van [minderjarige 1] , maar is dit doel niet behaald. Uit het verslag van [jeugdzorg] blijkt volgens de vrouw dat de man voor [minderjarige 1] niet als haar echte vader voelt, maar als de vader van haar zusje. [minderjarige 1] zegt tegen de vrouw, dat zij het vervelend vindt dat de man haar en [minderjarige 2] voorstelt als zijn dochters. De vrouw vindt het jammer, dat het niet gelukt is om de man in te laten zien, dat zijn opstelling voor [minderjarige 1] problematisch voelt en tot klemzitten leidt. Uit het evaluatieverslag van [praktijk] blijkt voorts dat de man niet bereid is gebleken, om de informatie omtrent de belastbaarheid en het snel overprikkeld raken van [minderjarige 1] , tot zich te nemen. De vrouw heeft begrepen dat er omtrent de voortgang nog vervolg- dan wel afrondingsgesprekken zullen gaan plaatsvinden tussen [praktijk] , [jeugdzorg] en de GI, alsmede dat de gesprekken met de hulpverlening aan de minderjarigen door [jeugdzorg] wel voortgezet zouden gaan worden, ook als de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd. De vrouw merkt nog op dat ook volgens de GI de overdrachtsmails tussen partijen goed verlopen en duidelijke informatie over de minderjarigen bevatten. [minderjarige 1] heeft evenwel bij [jeugdzorg] aangegeven dat zij liever op zaterdagavond terug naar de vrouw gaat. Volgens de vrouw is de gemeente aan het onderzoeken of er nog zorg voor de minderjarigen ingezet moet worden. Ook is de Raad nog bezig met een onderzoek. Volgens de vrouw zijn er contra-indicaties voor uitbreiding van de omgangsregeling. Deze moeten eerst worden weggenomen, zodat de omgangsregeling onbelast kan verlopen. [minderjarige 1] is volgens de vrouw in haar hoofd erg bezig met haar donorvader. [minderjarige 1] noemt de man bewust [voornaam] , dat vindt ze heel belangrijk. Het is volgens de vrouw juist aan de man om te veranderen en om te accepteren dat hij een hechtingsfiguur is, maar geen vader van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft het gevoel dat de man de plaats van haar donorvader wil innemen en zij voelt dit als een bedreiging. De vrouw kan zich vinden in het advies van de Raad. De vrouw ziet in dat de situatie van [minderjarige 2] anders is, dan die van [minderjarige 1] . Volgens de vrouw is het voor [minderjarige 2] fijn als zij de man ook eens voor zichzelf heeft. De vrouw zou er de voorkeur aan geven als [minderjarige 2] eens in de twee weken van vrijdag tot zondag naar de man gaat.
De Raad heeft kennis genomen van de inhoud van de brief van [minderjarige 1] , welke intern besproken is. Formeel is de man niet de biologische vader van [minderjarige 1] , maar hij is absoluut een hechtingsfiguur voor haar. Als de man uit eigen initiatief onderscheid zou maken tussen de minderjarigen, dan zou dat hem kwalijk worden genomen. Het is nu eenmaal zo gelopen dat de vrouw een kind heeft met een donorvader en een kind met de man. Dat heeft gevolgen voor beide minderjarigen. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige 2] . Met het oog hierop is het belangrijk dat de man goed geïnformeerd wordt over [minderjarige 2] . De man moet evenwel ook goed geïnformeerd worden over [minderjarige 1] . Hij moet weten wat er met haar aan de hand is en of er sprake is van kindeigenproblematiek. De brief van [minderjarige 1] is tot stand gekomen met haar juf. De Raad heeft wel een mening over de inhoud van die brief. De Raad adviseert de man om een stap terug te doen, zodat hij later het maximale uit zijn band met [minderjarige 1] kan halen. Hij zou [minderjarige 1] kunnen laten weten dat hij heeft gehoord wat zij aan de kinderrechter heeft geschreven en dat hij de inhoud erkent. Als [minderjarige 1] aangeeft niet vaker naar de man te willen gaan, dan moet dat gerespecteerd worden. Voor haar is de huidige regeling voldoende. De man zou zich als zorgzame volwassene moeten opstellen en niet als vader van [minderjarige 1] . Ten aanzien van [minderjarige 2] adviseert de Raad om de contactregeling uit te breiden zoals door de man verzocht. Als [minderjarige 1] zelf aangeeft om langer te willen blijven, dan moet dat mogen. Volgens de Raad is er niets op tegen om voor elk van de minderjarigen een eigen regeling te treffen, waarbij er recht wordt gedaan aan de positie van [minderjarige 1] .
5 De beoordeling
De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2]
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van (één van de) ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is naar voren gekomen, dat partijen geen contra-indicaties zien voor uitbreiding van de huidige contactregeling tussen de man en [minderjarige 2] . Volgens de vrouw is het voor [minderjarige 2] zelfs fijn als zij de man vaker alleen voor zichzelf heeft. Partijen geven echter wel ieder een andere voorkeur op van de verdeling van de weekendregeling. Omdat de man op vrijdag werkt en de regeling er juist op is gericht dat hij tijd kan doorbrengen met [minderjarige 2] , zal de rechtbank de regeling zo bepalen dat deze loopt van zaterdag tot maandagochtend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het voorstel van de vrouw er op gericht was om met name [minderjarige 1] op zondagavond weer te laten aarden bij de vrouw. De rechtbank zal de contactregeling en de videobelregeling dan ook grotendeels conform het voorstel van de man vaststellen. Ten aanzien van de aanwezigheid van de man bij het afzwemmen, gebeurtenissen op school en op belangrijke momenten in het leven van [minderjarige 2] is gebleken dat partijen er inmiddels in slagen om hierover samen afspraken te maken. Het verzoek van de man is bovendien onvoldoende geconcretiseerd, zodat het verzoek op dit punt moet worden afgewezen.
De omgangsregeling ten aanzien van [minderjarige 1]
In artikel 1:377a BW staat dat iemand die een nauwe persoonlijke band met een kind heeft, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een omgangsregeling vaststellen.
De man heeft bij inleidend verzoek van 21 maart 2019, welk verzoek het meest recent bij brief van 13 oktober 2023 is gewijzigd, gevraagd om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige 1] vast te stellen, zoals door hem voorgesteld. De man ziet geen reden om voor [minderjarige 1] een afwijkende regeling vast te stellen, omdat hij haar ziet als een van zijn eigen kinderen. De vrouw is het hier niet mee eens, omdat [minderjarige 1] hem niet ziet als haar vader en zij niet vaker bij de man wil zijn, dan zij nu is.
Doorgaans geldt als uitgangspunt dat, bij het vaststellen van een regeling tussen een ouder (of iemand die een nauwe persoonlijke band heeft met een kind) en meerdere kinderen uit hetzelfde gezin, er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de kinderen. Dit om te voorkomen dat een kind gaat denken dat hij of zij anders is dan de andere kinderen uit hetzelfde gezin. Daarbij is het wel gebruikelijk dat de kinderen dezelfde (juridische) status hebben en in ieder geval afstammen van beide ouders.
In de onderhavige zaak is het echter een gegeven dat de status van [minderjarige 1] afwijkt van die van [minderjarige 2] . De vrouw is omstreeks 2010 begonnen met een donortraject, omdat zij graag een broertje of zusje wilde voor haar [dochter]. Hieruit is op [geboortedag 1] 2014 [minderjarige 1] geboren. Sinds 2012/2013 hebben partijen een relatie gekregen. Zij hebben gedurende de relatie nimmer samengewoond. Bij aanvang van deze procedure was [minderjarige 1] bijna vijf jaar oud en zich nog niet zo bewust van haar status. Met het oog hierop is er dan ook vanuitgegaan om voor [minderjarige 1] tot een regeling te komen, die samen zou lopen met de regeling voor [minderjarige 2] . In het verloop van de procedure zijn verschillende vormen van (gedwongen) hulpverlening ingezet, wat echter niet heeft geleid tot enig resultaat. Zo zijn partijen verwezen naar Juzt voor deelname aan het [traject] , zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Brabant en zijn de kindbehartiger en [praktijk] betrokken geweest. Geen van deze trajecten heeft geleid tot een regeling waarin partijen zich samen zouden kunnen vinden. De standpunten lijken alleen maar verder verhard en er worden geen mogelijkheden meer gezien om samen met partijen nog te werken aan het vaststellen van een ouderschapsplan. De GI heeft hierop besloten om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer te verlengen, omdat “het hoogst haalbare is bereikt”.
De rechtbank ziet dat [minderjarige 1] zelf wel een flinke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Door de jaren heen heeft zij van de vrouw steeds voorlichting gehad over haar status en dat zij verwekt is middels een donorvader. [minderjarige 1] is zich er dan ook meer van bewust geraakt, dat zij een andere biologische vader heeft dan [minderjarige 2] . [minderjarige 1] is inmiddels 10 jaar oud, heeft steeds meer een eigen stem gekregen en zij laat die stem ook steeds meer horen. Ze heeft, met steun van haar juf, een brief geschreven aan de kinderrechter. In deze brief geeft [minderjarige 1] aan dat ze nu het meest nadenkt over de vraag wie haar (biologische) vader is. Ze vindt het leuk bij de man, maar wil nadrukkelijk niet dat de man zich voordoet als haar vader en haar zijn dochter noemt. [minderjarige 1] wil de man geen papa meer noemen, omdat zij die naam wil bewaren voor haar echte vader. [minderjarige 1] durft dit echter niet zelf tegen de man te zeggen, omdat zij bang is dat hij dan teleurgesteld is. [minderjarige 1] zou graag willen dat er naar haar geluisterd wordt. Ze wil wel omgang met de man, maar zij wil zelf kunnen kiezen.
Met de man is de rechtbank van oordeel dat het niet aan [minderjarige 1] is, maar aan de volwassenen om [minderjarige 1] heen, om een omgangsregeling vast te stellen. Nu partijen er na vijf jaar procederen zelf niet uit komen en de mogelijkheden voor hulpverlening aan partijen uitgeput zijn, is het aan de rechtbank om een regeling vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek van de man weegt de rechtbank de verschillende belangen tegen elkaar af, waarbij aan het belang van [minderjarige 1] ook veel gewicht wordt toegekend.
Nu er tussen de man en [minderjarige 1] sprake is van family life, gaat de wet uit van een recht op omgang, welk recht pas ontzegd wordt, als daarvoor gegronde redenen zijn. In de situatie van [minderjarige 1] wordt de regeling die voorlopig is vastgesteld in het vonnis van 4 april 2023 tot op heden tussen partijen uitgevoerd. De man zou echter graag een ruimere regeling wensen, zodat hij meer tijd met [minderjarige 1] in zijn gezin kan doorbrengen. Het is niet vanzelfsprekend en te prijzen, dat de man voor [minderjarige 1] een gelijkwaardige rol in zijn leven ziet, als voor zijn biologische kinderen. [minderjarige 1] geeft echter aan die behoefte niet te hebben. Op dit punt lopen de wensen van de man en [minderjarige 1] uiteen. Bij [minderjarige 1] heeft deze wens een hele duidelijke herkomst. [minderjarige 1] heeft een biologische vader, die zij niet kent. [minderjarige 1] wordt steeds nieuwsgieriger naar haar vader. Hoe ouder zij wordt, hoe meer vragen zij gaat krijgen over haar vader. Wie is hij, lijkt ze op hem, gaat ze hem ooit ontmoeten? Dit past bij haar leeftijd en ontwikkelingsfase. In het traject naar het ontdekken van haar biologische vader en haar afkomst, wil [minderjarige 1] letterlijk en figuurlijk ruimte in haar leven laten, om haar biologische vader daarin een plek te kunnen geven. Dit blijkt ook uit haar wens om de naam “papa” te bewaren voor haar biologische vader. De rechtbank volgt dan ook het advies van de Raad om [minderjarige 1] die ruimte te bieden. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [minderjarige 1] speciaal onderwijs volgt en nu al vaak aangeeft dat “haar hoofd vol zit”. Als er op dit moment voor haar een ruimere regeling met de man wordt vastgesteld, bestaat het risico dat zij overvraagd wordt en dat zij verder vastloopt in haar ontwikkeling. [minderjarige 1] heeft voor haar verdere ontwikkeling ruimte nodig, om om te leren gaan met het gegeven dat zij een biologische vader heeft, die zij (nog) niet kent. Haar op dit moment dwingen om meer tijd bij de man door te brengen, zal er in de visie van de rechtbank toe gaan leiden dat zij zich steeds meer tegen de man gaat afzetten.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] anders moet luiden dan wat betreft [minderjarige 2] en haar vader. [minderjarige 1] geeft aan dat zij het leuk heeft bij de man, maar dat zij een deel van de omgangsregeling zelf wil bepalen. De rechtbank sluit aan bij de regeling zoals deze nu tussen de man en de vrouw wordt uitgevoerd, waarbij [minderjarige 1] van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man is. De vrouw brengt de minderjarigen op zaterdag naar de man en de man brengt [minderjarige 1] op zondag en [minderjarige 2] op maandag terug. In het geval [minderjarige 1] uit zichzelf aangeeft tot maandagochtend te willen blijven, brengt de man beide minderjarigen op maandagochtend terug. Daarnaast kan [minderjarige 1] er zelf voor kiezen om, in de dagen dat [minderjarige 2] bij de man is en op haar eigen verjaardag, omgang met de man te hebben. Ten aanzien van het aanwezig zijn van de man bij het afzwemmen, gebeurtenissen op school en op belangrijke momenten in het leven van [minderjarige 1] geldt dat dit op dit moment te belastend is voor [minderjarige 1] . Dit verzoek is bovendien onvoldoende geconcretiseerd, zodat dit verzoek op dit punt moet worden afgewezen.
Ten aanzien van het videobelcontact zal de rechtbank vaststellen dat de man [minderjarige 1] op haar verjaardag mag videobellen, als zij op die dag niet toch al bij de man is.
Informatieregeling
De man heeft verzocht om te bepalen dat de vrouw hem moet informeren over de minderjarigen. Tegen toewijzing van dit verzoek zijn geen zwaarwegende argumenten naar voren gekomen, waardoor het verzoek zal worden toegewezen. De rechtbank zal dan ook een regeling vaststellen die doorgaans gebruikelijk is, waarbij de vrouw eens per drie maanden de man zal informeren over zaken de minderjarigen betreffende. In het geval van acute situaties zal de vrouw de man zo spoedig mogelijk daarvan op de hoogte brengen.
Dwangsom
De rechtbank ziet geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de voornoemde regelingen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de vrouw haar medewerking aan de uitvoering zal weigeren.
Sterke arm
De rechtbank ziet om dezelfde reden als onder 5.13 is verwoord, geen reden de man te machtigen om deze beschikking met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen.
Zelfstandige verzoeken van de vrouw
De zelfstandige verzoeken van de vrouw worden afgewezen, nu er op verzoek van de man een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige 2] en een omgangsregeling voor [minderjarige 1] wordt vastgesteld.
Proceskosten
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over een van hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
6 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar éénmaal per twee weken in de oneven weken van zaterdag 9.00 uur tot maandagochtend naar school, waarbij de vrouw [minderjarige 2] naar de man brengt en de man [minderjarige 2] op maandag bij school afzet, alsmede dat [minderjarige 2] op vaderdag bij de man verblijft en op moederdag bij de vrouw verblijft, alsmede dat de vakanties en feestdagen tussen partijen bij helfte worden verdeeld en de verjaardag van [minderjarige 2] om het jaar bij de man wordt gevierd, waarbij de vrouw [minderjarige 2] naar de man brengt en de man [minderjarige 2] terugbrengt bij de vrouw;
bepaalt dat de man en [minderjarige 2] éénmaal per week op woensdagmiddag om 17.00 uur contact hebben via videobellen, alsmede dat er videobelcontact is tussen de man en [minderjarige 2] op haar verjaardag, de verjaardag van de man en de verjaardagen van [naam 1] en [naam 2] ;
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , in het kader van een omgangsregeling recht hebben op omgang met elkaar éénmaal per twee weken van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige 1] naar de man brengt en de man [minderjarige 1] op zondag terugbrengt naar de vrouw;
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] op haar verjaardag omgang hebben via videobellen, als [minderjarige 1] niet bij de man is;
bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per kwartaal (tenzij er sprake is van een acute situatie waarvan de man onmiddellijk op de hoogte moet worden gesteld) schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , waarbij informatie wordt gegeven over hun schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten, waarbij ook kopieën van schoolrapporten worden gegeven;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Joosen, als griffier
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.