beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/790130 / FA RK 26-5141
Beschikking van 28 september 2026 betreffende voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats 1], Verenigde Staten,
hierna mede te noemen de man,
advocaat mr. C.C.B. Boshouwers te Amsterdam,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats 2],
hierna mede te noemen de moeder,
advocaat mr. M.N. Weltak te Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende althans verblijvende te [woonplaats 3],
hierna te noemen [belanghebbende],
advocaat mr. E.C.C. Klarus-Blomjous.
1 De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder
-
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 24 juni 2026;
-
de bijlage van de man, ingekomen op 26 juni 2026;
-
de brief met bijlagen van de man, ingekomen op 20 augustus 2026;
-
het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 2 september 2026;
-
het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 7 september 2026;
-
de bijlage van de man ingekomen op 10 september 2026;
-
de bijlage van de man ingekomen op 11 september 2026;
-
het verweerschrift met bijlagen van [belanghebbende] (digitaal te vinden in het dossier van de bodemprocedure).
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 14 september 2026.
Gehoord zijn:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal;
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Engels;
-
[belanghebbende], bijgestaan door zijn advocaat.
2 De feiten
De moeder en [belanghebbende] hebben gedurende tien jaar een (open) relatie.
Uit de moeder is geboren:
[minderjarige] ,geboren te [plaats] op [geboortedag] 2025.
Blijkens een prenataal DNA-onderzoek is de kans 99,9% dat de man de verwekker van [minderjarige] is. De man heeft een partner en woont samen met haar in de Verenigde Staten.
[belanghebbende] heeft de minderjarige erkend op 20 maart 2026.
De moeder heeft de Trinidadaanse, Nederlandse en Amerikaanse nationaliteit. De man heeft de Amerikaanse nationaliteit. [belanghebbende] heeft de Duitse nationaliteit. [minderjarige] heeft (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.
3 Het verzoek
De man verzoekt de rechtbank bij wege van provisionele voorziening:
-
een voorlopige videobelregeling te bepalen, waarbij drie belmomenten zijn per week van 5 tot 15 minuten per keer, in beginsel op zondagavond, dinsdagavond en vrijdagavond, waarbij indien het incidenteel niet uitkomt de moeder een ander redelijk moment binnen 48 uur van het geplande moment voorstelt aan de man en waarbij partijen in onderling overleg het precieze tijdstip afspreken;
-
een voorlopige zorg- dan wel omgangsregeling te bepalen waarbij hij contact zal hebben met [minderjarige] gedurende twee keer per 6 weken één week, waarbij de precieze weken en de precieze tijden met het oog op [minderjarige] in overleg tussen de moeder en de man worden bepaald, en waarbij de man:
o in week 1 t/m 2: de man gedurende 3 keer één uur [minderjarige] ziet in het bijzijn van de moeder, indien mogelijk in de woning van de moeder, dan wel op een andere neutrale plek;
o in week 3 t/m 4: de man gedurende 3 keer twee uur [minderjarige] ziet in het bijzijn van de moeder, indien mogelijk in de woning van de moeder dan wel op een andere neutrale plek;
o in week 5 t/m 6: [minderjarige] bij de man is gedurende 3 keer 4 uur (in park, speeltuin, hotel/B&B van de man);
o in week 6 t/m 8: [minderjarige] bij de man is gedurende 1 dag en een dagdeel (in park, speeltuin, hotel/B&B van de man);
o in week 9 t/m 10: [minderjarige] bij de man is gedurende 1 dag en een dagdeel met overnachting tot de volgende ochtend naar kinderdagverblijf of naar huis (in park, speeltuin, hotel/B&B van de man);
- een voorlopige informatie- en consultatieregeling te bepalen, waarbij de moeder eenmaal per week de man op de hoogte zal dienen te stellen over zaken met betrekking tot [minderjarige]’s ontwikkeling en belangrijk zaken (gezondheid, slaapritme, vaccinaties, dagopvang, voeding, medische kwesties, en later hobby's, sport, schoolkeuze, vriendjes, etc.), met twee foto’s en een filmpje.
De moeder voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de man, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.
[belanghebbende] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de man, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.
4 De beoordeling
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid van dit artikel moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht. In de bodemprocedure verzoekt de man vernietiging van de erkenning door [belanghebbende], vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag, een ouderschapsplan, een omgangsregeling en een informatieregeling. De rechtbank acht de verzoeken van de man tot omgang en informatie voldoende samenhangend met de verzoeken in de bodemprocedure zodat hij in zoverre in zijn verzoeken kan worden ontvangen.
Voorlopige omgangsregeling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met het kind. Op grond van het tweede lid stelt de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De rechtbank moet eerst beoordelen of de man, die niet de juridische ouder van [minderjarige] is, in een nauwe persoonlijke betrekking tot haar staat. Voor de invulling van deze persoonlijke betrekking wordt aangesloten bij het in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bedoelde family life. Indien nog geen sprake kan zijn van een nauwe persoonlijke betrekking, maar de verwekker wel altijd contact heeft gewild met het kind en het niet aan hem te wijten is dat dit niet tot stand is gekomen, kan sprake zijn van family life op grond van de intentie daartoe: intended family life.
De man stelt dat hij recht heeft op omgang met [minderjarige] op grond van “intended family life”. De man heeft voor en na de geboorte van [minderjarige] meermalen verzocht om (toekomstig) contact met haar. Daarbij heeft hij blijk gegeven van grote betrokkenheid. Aanvankelijk wilde de moeder aan de man ook de gelegenheid geven om zijn verantwoordelijkheden als vader te vervullen. De moeder is na de geboorte van standpunt veranderd en wilde [minderjarige] klaarblijkelijk verder met haar huidige partner [belanghebbende] opvoeden. Zijn aanhoudende wens om contact te krijgen met [minderjarige] geeft des te sterker aan dat hij betrokken wil zijn bij [minderjarige]. De man beseft zich dat het niet de schoonheidsprijs verdient dat hij na juli 2025 tot 6 maart 2026 niets van zich heeft laten horen richting de moeder. Dit was echter vanwege relatieproblemen die waren ontstaan tussen hem en zijn partner, waarin ook de moeder een aandeel heeft gehad. Op 6 maart 2026 heeft de man de moeder opnieuw benaderd met zijn duidelijke wens om een vader voor [minderjarige] te zijn. De moeder houdt de boot echter af en laat twee weken laten [belanghebbende] [minderjarige] erkennen. Inmiddels heeft de man [minderjarige] deze week kort kunnen zien waar hij erg blij mee is. Het afhouden van verder contact door de moeder staat er niet aan in de weg dat sprake is van intended family life. Subsidiair beroept de man zich op een inbreuk op zijn private life op grond van artikel 8 EVRM vanwege het ontbreken van contact met [minderjarige].
De moeder stelt zich op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Op grond van artikel 1:377a BW kan een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling slechts worden gedaan door een ouder of door degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Nu de man geen juridisch ouder van [minderjarige] is, dient allereerst te worden beoordeeld of sprake is van een dergelijke nauwe persoonlijke betrekking. Het enkele feit dat de man de verwekker van [minderjarige] is, is daarvoor onvoldoende. Op grond van vaste rechtspraak is voor de ontvankelijkheid van een verzoek van een biologische vader vereist dat hij, naast het biologisch vaderschap, bijkomende
feiten en omstandigheden stelt waaruit een nauwe persoonlijke betrekking blijkt.
De moeder betwist dat sprake is van intended family life. De man is slechts, op verzoek van de moeder, een paar keer meegegaan naar echo’s, een opvang en wat winkels. De man heeft vervolgens gedurende de zwangerschap wisselende standpunten ingenomen over zijn betrokkenheid. Op verschillende momenten heeft hij aangegeven dat een situatie waarin [minderjarige] zonder zijn betrokkenheid zou opgroeien voor hem een reële optie was. Vervolgens heeft hij het contact met de moeder abrupt verbroken, haar geblokkeerd en zich gedurende maanden volledig afzijdig gehouden van de zwangerschap. Ook in de aanloop naar de geboorte heeft hij geen belangstelling getoond voor [minderjarige] en nooit financieel bijgedragen aan haar kosten voor of na haar geboorte. Bovendien is de man niet aanwezig geweest bij de geboorte, heeft hij de eerste maanden daarna niets van zich laten horen, en heeft hij [minderjarige] pas recent voor het eerst ontmoet. Dat er geen contact is geweest is te wijten aan de man.
[belanghebbende] voert aan dat het onduidelijk is in hoeverre de man daadwerkelijk voornemens is om een grote rol te gaan spelen in het leven van [minderjarige]. [belanghebbende] heeft er weinig vertrouwen in. Dat komt door het wispelturige karakter van de berichten van de man. In het begin van de zwangerschap drong hij aan op betrokkenheid, dan blijft het maanden stil, dan komt de man met het bericht dat hij naar Nederland overgeplaatst wil worden maar intussen gebeurt er feitelijk helemaal niets. Het staat niet zonder meer vast dat de contacten die de man had tijdens de zwangerschap voldoende zijn om aan te nemen dat sprake is van intended family life. De man heeft alleen in het begin contact gehad. Sinds de zomer van 2025 was er in het geheel geen contact en ook niet rondom de uitgerekende datum.
De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. De rechtbank komt tot het voorlopige oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt de intentie tot family life met [minderjarige] te hebben gehad en nog steeds te hebben. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat hoewel het contact tussen de man en de moeder niet steeds soepel verliep en de man zelfs ruim zeven maanden niets van zich heeft laten horen, de man zowel aan het begin van de zwangerschap als vanaf 6 maart 2026 voldoende duidelijk heeft gemaakt een vaderrol voor [minderjarige] te willen vervullen. De rechtbank begrijpt dat het bij de moeder en [belanghebbende] tot veel onzekerheid en onduidelijkheid heeft geleid dat de man vanaf juli 2025 tot maart 2026 niets van zich heeft laten horen. Dit maakt echter niet dat hierdoor geen sprake meer kan zijn van intended family life. Voor alle betrokkenen geldt dat zij zijn geconfronteerd met een bijzondere situatie, waarmee zij moeten leren omgaan. De moeder en de man hebben beide een partner, waardoor niet alleen hun eigen emoties een rol spelen maar ook die van hun partners. De omstandigheid dat de man niet in de buurt van de moeder en [minderjarige] woont, maar helemaal in de Verenigde Staten, maakt de situatie nog complexer.
Gelet op het voorgaande is het voorlopig oordeel van de rechtbank dat sprake is van de intentie van de man om te komen tot een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige], waardoor de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot een voorlopige omgangsregeling.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt een voorlopige omgangsregeling vast te stellen waarbij hij contact zal hebben met [minderjarige] gedurende twee keer per zes weken één week, waarbij de precieze weken en de precieze tijden met het oog op [minderjarige] in overleg tussen de moeder en de man worden bepaald.
De moeder voert aan dat – voor zover de rechtbank oordeelt dat de man wel ontvankelijk is – geldt dat geen persoonlijke band, hechtingsrelatie of omgang tussen de man en [minderjarige] bestaat. Het verzoek van de man is prematuur. De door de man voorgestelde regeling gaat uit van een snelle en vergaande opbouw van contact. Dit is niet in het belang van [minderjarige]. Er wordt voorbijgegaan aan haar jonge leeftijd, het ontbreken van enige band met de man, het feit dat de man geen rol vervult in haar dagelijks leven en dat de moeder nog borstvoeding geeft. Op dit moment bestaat onvoldoende duidelijkheid over de rol die de man in het leven van [minderjarige] wil innemen. De moeder vreest dat de man opnieuw van gedachte zal veranderen. Niet vaststaat of hij naar Nederland zal verhuizen, wanneer een eventuele verhuizing zal plaatsvinden en in hoeverre hij vervolgens daadwerkelijk invulling kan en zal geven aan een duurzame rol in het leven van [minderjarige]. Een zorgregeling dient aan te sluiten bij de feitelijke situatie van het kind. Op dit moment woont de man in de Verenigde Staten, heeft hij [minderjarige] pas één keer ontmoet en maakt hij geen deel uit van haar dagelijks leven. De door hem verzochte regeling is gebaseerd op toekomstige en onzekere omstandigheden. Daarnaast vormt het verzoek een ingrijpende wijziging van het bestaande gezinsleven van [minderjarige].
[belanghebbende] voert aan dat de regeling die de man nu voorstelt evident niet in het belang van [minderjarige] is en überhaupt niet uitvoerbaar is in de huidige omstandigheden.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] om nu al een omgangsregeling met de man vast te stellen.. [minderjarige] is nog erg jong. De man is nog een vreemde voor haar. De man woont in de Verenigde Staten en, hoewel hij stelt verhuisplannen te hebben, is nog onduidelijk waar hij in de toekomst zal gaan wonen. Ook is het niet duidelijk wanneer de man precies naar Nederland kan komen voor omgang, waardoor geen concrete regeling kan worden vastgesteld. Dit maakt het voor de moeder en [belanghebbende] lastig om rekening te houden met omgang tussen de man en [minderjarige]. Van hen kan op dit moment niet worden gevergd hun leven af te stemmen op welke week de man naar Nederland kan komen. Verder weegt mee dat de man zich voor een langere periode uit het contact heeft teruggetrokken, wat maakt dat het vertrouwen in hem geschaad is bij de moeder en [belanghebbende]. Tussen partijen spelen veel emoties vanwege gebeurtenissen uit het verleden en de complexheid van de situatie. Hierdoor wordt een omgangsregeling begrijpelijkerwijs als belastend ervaren door de moeder en [belanghebbende]. De moeder en [belanghebbende] zijn sinds de geboorte van [minderjarige] haar primaire verzorgers en het is belangrijk dat zij (emotioneel) overeind blijven staan. Naar het oordeel van de rechtbank is het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] als partijen beginnen met mediation, bijvoorbeeld bij de Blauwe Beer, zoals voorgesteld door de moeder en [belanghebbende]. Zij zullen eerst moeten gaan werken aan het onderlinge vertrouwen en kunnen vervolgens ook afspraken gaan proberen te maken voor de toekomst. De rechtbank zal het verzoek van de man om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, gelet op het voorgaande, dus afwijzen.
De moeder en [belanghebbende] hebben meegedeeld dat zij niet negatief staan tegenover toekomstig contact tussen de man en [minderjarige]. Dat zij dit menen blijkt ook wel uit het feit dat zij een eerste contact tussen de man en [minderjarige], begeleid door [belanghebbende], hebben toegestaan. Ook hebben zij op de mondelinge behandeling meegedeeld open te staan voor een tweede contactmoment tussen de man en [minderjarige] tijdens zijn huidige verblijf in Nederland. De rechtbank vertrouwt erop dat de moeder en [belanghebbende] contact tussen de man en [minderjarige] zullen blijven faciliteren op de momenten dat de man in Nederland zal zijn. Voor een vaste omgangsregeling is het echter nog te vroeg. In de bodemprocedure zal hier verder over worden beslist. De rechtbank zal de Raad voor de Kinderbescherming uitnodigen voor de bodemprocedure om de rechtbank en partijen te adviseren over wat naar de toekomst toe in het belang van [minderjarige] is.
Videobellen
De man stelt dat hij zich ervan bewust is dat [minderjarige] nog erg klein is. De man wil daarom zeer kortstondig videobellen. Het doel van de videogesprekken is om [minderjarige] vertrouwd te maken met zijn gezicht, stem, uitdrukkingen en aanwezigheid. Wat de man betreft kan de moeder of een andere vertrouwde verzorger aanwezig zijn of in de buurt zijn om [minderjarige] te ondersteunen en het contact ook technisch te faciliteren. De man vindt dit de moeite waard om te doen voor de momenten dat hij niet fysiek in Nederland is.
De moeder verzet zich tegen het verzoek van de man tot vaststelling van een videobelregeling. De man verzoekt om driemaal per week gedurende 5 tot 15 minuten via beeldbellen contact te hebben met [minderjarige]. Volgens de man zou dit ertoe bijdragen dat [minderjarige] vertrouwd raakt met hem. [minderjarige] is thans elf maanden oud, heeft de man eenmaal ontmoet en kent hem niet. Van een bestaande band waarop kan worden voortgebouwd is geen sprake. [minderjarige] bevindt zich bovendien in een levensfase waarin zij primair is gericht op haar vaste verzorgers en hechtingsfiguren. Daar komt bij dat de moeder thans nog borstvoeding geeft en dat [minderjarige] een voor haar leeftijd passend dagritme heeft. Het driemaal per week inplannen van contactmomenten met een voor haar onbekende persoon vormt een belasting voor de dagelijkse routine van [minderjarige], terwijl niet is aangetoond dat dit enig concreet voordeel voor haar oplevert. Videobelcontact kan hooguit ondersteunend zijn aan reeds bestaande contacten, maar vormt geen geschikt alternatief voor een daadwerkelijke kennismaking. [minderjarige] is nog te jong om te begrijpen wie zich aan de andere kant van een beeldscherm bevindt. Zij kan niet spreken, geen gesprek voeren en is niet in staat zelfstandig contact te onderhouden via videobellen. Voor ieder contactmoment zou zij volledig afhankelijk zijn van de moeder, die haar voor een scherm moet zetten, haar aandacht moet vasthouden en het contact feitelijk moet begeleiden. Daarbij komt dat de moeder en [belanghebbende] bewust terughoudend zijn met schermgebruik bij [minderjarige].
De rechtbank oordeelt als volgt. Gelet op haar jonge leeftijd is [minderjarige] nog onvoldoende in staat om op een voor haar zinvolle wijze via een telefoon/ beeldscherm contact te onderhouden met de man. Het enkele horen van een stem of zien van een gezicht op een scherm zal voor [minderjarige] gelet op haar jonge leeftijd nog onvoldoende betekenis hebben om bij te dragen aan het opbouwen van een band met de man. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het opleggen van een videobelregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is en zal het verzoek van de man daartoe afwijzen.
Informatie- en consultatieregeling
Ontvankelijkheid
De rechtbank zal de man op dezelfde grond als ten aanzien van zijn verzoek tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot het vaststellen van een informatie- en consultatieregeling. In de rechtspraak wordt aangenomen dat het recht op informatie ook onderdeel uitmaakt van het recht van een ouder op eerbiediging van het gezinsleven, dan wel het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De rechtbank zal dit verzoek hierna inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
De man wil dat een voorlopige informatie- en consultatieregeling wordt vastgesteld, waarbij de moeder twee foto’s en een filmpje toevoegt. De man geeft er de voorkeur aan hierover gewoon te overleggen (in persoon of per telefoon) of informatie uit te wisselen via een “co-parenting app”. Voor zover de moeder haar medewerking hieraan niet zou willen verlenen verzoekt de man een regeling te bepalen, waarbij de moeder de man tenminste eenmaal per week een e-mail of app stuurt met relevante en belangrijke informatie over [minderjarige].
De moeder verzet zich (deels) tegen het verzoek van de man tot vaststelling van een informatie- en consultatieregeling. Zij stelt voorop dat de juridische positie van de man op dit moment nog niet vaststaat. Juist omdat in deze procedure onder meer de afstamming en erkenning onderwerp van geschil zijn, bestaat geen aanleiding om vooruitlopend daarop reeds een uitgebreide informatie- en consultatieregeling vast te stellen. De moeder is echter bereid om de man te voorzien van informatie. Zij kan zich erin vinden om elke twee maanden een e-mail te sturen met daarin een foto, waarop het gezicht van [minderjarige] niet zichtbaar is, en relevante informatie zoals over haar gezondheid en ontwikkeling.
[belanghebbende] voert aan dat een informatieregeling van een keer per week erg intensief is en dat vormt een inbreuk op het gezinsleven. [belanghebbende] kan er wel inkomen dat de man behoefte heeft aan informatie, eens per twee maanden enkele foto's en een korte update komt hieraan naar oordeel van [belanghebbende] voldoende tegemoet.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de man over informatie over haar beschikt. Op die manier blijft de man op de hoogte van de ontwikkeling van [minderjarige] en kan hij tijdens toekomstige contactmomenten met haar beter bij haar aansluiten. De rechtbank zal daarom bepalen dat de moeder één keer per maand een e-mail aan hem stuurt, waarin zij hem informeert over de gezondheid, de ontwikkeling, het welzijn en eventuele andere belangrijke zaken (ten aanzien) van [minderjarige], met daaraan toegevoegd minimaal één foto. Ten aanzien van de foto’s merkt de rechtbank op dat dit foto’s moeten zijn waarop het gezicht van [minderjarige] zichtbaar is en die niet van grote afstand genomen zijn.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de moeder de man voorlopig één keer per maand informeert over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige], met daarbij minimaal één foto van [minderjarige], waarop haar gezicht zichtbaar is;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.C.M. Oude Hengel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.E. Luijckx, griffier, op 28 september 2026.