RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12102765 VV EXPL 26-98
datum uitspraak: 18 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. K. Hoesenie,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 26 februari 2026, met bijlagen.
Op 18 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] , bijgestaan door M. Suleman als tolk Arabisch, en met mr. Hoesenie. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
2 De beoordeling
Toewijzing eis
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is, want hij eist betaling van loon. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt1.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt2. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 93,- aan griffierecht en € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 814,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat [eiser] met een toevoeging procedeert en daarom geen dagvaardingskosten hoefde te betalen3.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat [eiser] dat eist4. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
-
€ 11.901,60 bruto aan achterstallig loon over de maanden oktober 2025 tot en met februari 2026;
-
de wettelijke verhoging van dat loon zoals bedoeld in artikel 7:625 BW;
-
de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de loonbedragen van
€ 2.380,32 bruto per maand in de genoemde maanden vanaf de data waarop deze loonbedragen verschuldigd zijn geworden tot de dag dat volledig is betaald;
- € 2.380,32 € 2.380,32 bruto aan loon per maand vanaf de maand maart 2026 totdat de loonbetalingsverplichting / arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op
€ 814,-;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465