RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722197 / KG ZA 26-659
Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
wonend in [woonplaats 1] ,2. [eiser 2],
wonend in [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. C. van der Kolk-Heinsbroek,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats 3] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. L.P.J. Krijgsman.
Partijen worden hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde] genoemd.
1 De zaak in het kort
Partijen waren maten in een maatschap. Partijen twisten over de vraag of de samenwerking met [gedaagde] – formeel – is beëindigd en, in het verlengde daarvan, of [gedaagde] zich moet uitschrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel als maat van de maatschap. [gedaagde] voert aan dat geen sprake is geweest van uittreding op een wijze zoals is overeengekomen in de maatschapsovereenkomst. Daarnaast heeft [gedaagde] reconventionele vorderingen ingesteld die zien op een geschillenregeling en een concurrentiebeding. De voorzieningenrechter wijst de conventionele vordering toe en de reconventionele vorderingen af.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2026, met bijlagen E1 tot en met E8;- de conclusie van antwoord van 20 augustus 2026, tevens inhoudende eis in reconventie, met bijlagen G1 tot en met G5;
- de akte overleggen producties van 21 augustus 2026, met bijlagen G6 en G7;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 24 augustus 2026, met bijlagen E9 en E10;
- de mondelinge behandeling van 24 augustus 2026;- de diverse aanhoudingen op verzoek van partijen ten behoeve van het voeren van overleg over het tot stand brengen van een minnelijke regeling;
- het verzoek van 22 september 2026 van [eiser 1] c.s. om vonnis te wijzen.
3 Enkele relevante feiten
Partijen hebben een maatschap gevormd op 1 juli 2018. De contractuele relatie tussen partijen is op dezelfde datum vastgelegd in de maatschapsovereenkomst ‘ [naam maatschapsovereenkomst] ’.
De samenwerking tussen partijen verliep aanvankelijk goed. Na verloop van tijd is daar verandering in gekomen.
Na meerdere overleggen tussen partijen, heeft [gedaagde] op 29 september 2025 aan [eiser 1] c.s. laten weten dat het beter was om de samenwerking te beëindigen.
[eiser 1] c.s. hebben ingestemd met de door [gedaagde] voorgestelde beëindiging van de samenwerking.
Onder meer de volgende bepaling in de maatschapsovereenkomst is relevant:
“Artikel 15
De maatschap eindigt in de navolgende gevallen op de daarbij vermelde tijdstippen;
(…)
f. door opzegging door één der partijen aan de andere partijen gedaan bij aangetekende brief met inachtneming van een opzegtermijn van 4 maanden en uitsluitend tegen het einde van het boekjaar;
(…).”
Sinds 1 januari 2026 voert [gedaagde] geen werkzaamheden meer uit voor (de klanten van) de maatschap.
[eiser 1] c.s. hebben (de werkzaamheden van) de maatschap voortgezet.
4 Het geschil in conventie en reconventie
In conventie
[eiser 1] c.s. vorderen – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het ondertekenen van het formulier tot uitschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel van hem als maat van de maatschap [naam maatschap] .
[eiser 1] c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 18 Handelsregisterwet zijn maten verplicht om wijzigingen door te geven, zoals het uittreden van een maat, zodat de juiste en volledige gegevens vermeld zijn in het handelsregister. [gedaagde] heeft zelf aangegeven de samenwerking te willen beëindigen en [eiser 1] c.s. hebben met deze beëindiging ingestemd. Doordat [gedaagde] niet meewerkt aan zijn uitschrijving als maat, kunnen [eiser 1] c.s. geen uitvoering geven aan het bepaalde van artikel 18 Handelsregisterwet. [eiser 1] c.s. kunnen die uitschrijving niet namens [gedaagde] doen. Dat compliceert de voortzetting van de maatschap door [eiser 1] c.s. onder meer omdat er geen leningen kunnen worden verstrekt door de financierende bank.
[gedaagde] voert verweer. Kort gezegd concludeert [gedaagde] tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] c.s., althans om de vordering tot medewerking aan uitschrijving slechts toe te wijzen onder de voorwaarde dat [eiser 1] c.s. gelijktijdig het onbetwiste gedeelte van het aan [gedaagde] toekomende kapitaalsaldo en een voorschot van € 100.000,00 op de goodwill aan [gedaagde] zullen voldoen. In alle gevallen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van deze procedure.
In reconventie
[gedaagde] stelt ook reconventionele vorderingen in. [gedaagde] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
ten aanzien van de geschillenregeling:
Primair:
I. [eiser 1] c.s. veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, hun medewerking te verlenen aan een gezamenlijk verzoek tot benoeming van drie bindend adviseurs dan wel één bindend adviseur middels inschakeling van het NiRV, met de kwalificatie als bedoeld in 4.5 (van de conclusie van antwoord/eis), en die van partijen de opdracht krijgt zoals verwoord in 4.5;
Subsidiair:
II. bepaalt dat, voor het geval [eiser 1] c.s. binnen de hiervoor bedoelde termijn niet aan het onder I gevorderde voldoen, [gedaagde] de bevoegdheid krijgt om middels inschakeling van het NiRV tot benoemding van drie bindend adviseurs dan wel één bindend adviseur te komen, met de kwalificatie als bedoeld in 4.5, en die de opdracht krijgt zoals verwoord in 4.5;
Meer subsidiair:
III. een zodanige voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;
IV. In alle gevallen: [eiser 1] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure.
Ten aanzien van het concurrentiebeding:
I. het in artikel 16 sub b en c van de maatschapsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding schorst, met bepaling dat [eiser 1] c.s. zich dienen te onthouden van iedere aanspraak op nakoming daarvan, waaronder begrepen het aanspraak maken op de daaraan verbonden boetes, totdat in een bodemprocedure, althans in een bindend-adviesprocedure onherroepelijk over de geldigheid en reikwijdte van dit beding is beslist, en totdat op een wijze met inachtneming van dit vonnis is vastgesteld welk goodwill-bedrag [gedaagde] toekomt, en alsdan met een maximumperiode van twee jaar, waarbij er rekening mee gehouden wordt dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2026 tot de datum van het vonnis zich reeds stipt aan de bedingen heeft gehouden;
II. de in artikel 16 sub b en c van de maatschapsovereenkomst bedongen boetes matigt tot de in 5.8 genoemde bedragen, althans tot door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedragen;
III. met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van deze procedure in reconventie.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Het procesreglement: niet tijdig ingediende stukken
Partijen maken over en weer bezwaar tegen in hun visie niet tijdig ingediende stukken.
[eiser 1] c.s. maken bezwaar tegen de eis in reconventie van [gedaagde] omdat deze slechts een paar dagen voor de zitting is ingediend, terwijl de dagvaarding al ruim een maand aan [gedaagde] was betekend. Hierdoor was het voor [eiser 1] c.s. moeilijk om een antwoord te formuleren, aldus [eiser 1] c.s.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de eis in reconventie weliswaar relatief laat, maar nog wel tijdig (meer dan 24 uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling; zie artikel 6.2 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken) is toegestuurd. [eiser 1] c.s. hebben voldoende kunnen reageren op de eis in reconventie. Dat blijkt uit de conclusie van antwoord in reconventie. [eiser 1] c.s. zijn dus ook niet geschaad in hun belangen.
[gedaagde] maakt op haar beurt bezwaar tegen de ingediende bijlagen E9 en E10 die bij de conclusie van antwoord in reconventie zijn overgelegd door [eiser 1] c.s., omdat deze binnen 24 uur voor de zitting zijn ingediend.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken schrijft voor dat processtukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. Stukken moeten zo spoedig mogelijk worden ingediend en dat hebben [eiser 1] c.s. nagelaten. Deze bijlagen worden daarom buiten beschouwing gelaten. Tegen de conclusie van antwoord in reconventie heeft [gedaagde] geen bezwaar gemaakt.
Het toetsingskader in kort geding
Het gaat hier om in kort geding in conventie en reconventie gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of [eiser 1] c.s., respectievelijk [gedaagde] bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
In conventie
[gedaagde] moet meewerken aan zijn uitschrijving
De primaire vordering in conventie onder 1 zal worden toegewezen in die zin dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot het ondertekenen van het formulier tot uitschrijving van hem als maat van de maatschap. Daarbij zal worden bepaald dat bij gebreke daarvan het vonnis in de plaats treedt van de handtekening en de medewerking aan uitschrijving ex artikel 3:300 lid 1 BW, met betrekking tot alle formulieren/bescheiden die nodig zijn om de uitschrijving formeel te bevestigen.
[eiser 1] c.s. stellen dat vanwege een vertrouwensbreuk met [gedaagde] en na diverse contacten daarover [gedaagde] uiteindelijk op 29 september 2025 aan [eiser 1] c.s. heeft aangegeven dat hij de samenwerking wenste te beëindigen. [eiser 1] c.s. waren het daarmee eens. Volgens [eiser 1] c.s. dient [gedaagde] op basis daarvan zich als maat van de maatschap uit te schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
[gedaagde] betwist niet dat partijen over en weer akkoord zijn met de beëindiging. Wel betwist [gedaagde] dat hij zich op basis van het akkoord dient uit te schrijven. Volgens [gedaagde] is de beëindiging namelijk niet conform artikel 15 van de maatschapsovereenkomst gedaan en is de samenwerking dus (nog) niet rechtsgeldig beëindigd. [gedaagde] voert aan dat er “taalkundig gezien” geen sprake is van een van de in artikel 15 van de maatschapsovereenkomst genoemde situaties.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] heeft opgezegd als maat van de maatschap, welke opzegging – ook al was niet volledig aan de formaliteiten voldaan – door de overige maten is geaccepteerd. [gedaagde] heeft op 29 september 2026 aan [eiser 1] c.s. kenbaar gemaakt de samenwerking met hen te willen opzeggen. Daarmee hebben [eiser 1] c.s. ingestemd. Daar komt bij dat [gedaagde] conform zijn wens, en met instemming van [eiser 1] c.s., sinds 1 januari 2026 geen werkzaamheden meer verricht voor de maatschap. Dat brengt mee dat de maatschap in ieder geval ten aanzien van [gedaagde] is geëindigd. [eiser 1] c.s. hebben nu de plicht om het aandeel van [gedaagde] over te nemen onder gehoudenheid tot uitbetaling van zijn saldo op zijn kapitaalrekening en betaling van een bedrag voor goodwill. [eiser 1] c.s. hebben hun samenwerking in maatschapsverband voortgezet. Dat is ook wat partijen steeds voor ogen heeft gestaan.
De maatschapsovereenkomst voorziet in de situatie dat een van de maten uit de maatschap wil, terwijl de anderen de maatschap zonder die maat willen voortzetten. De formaliteiten die ten aanzien van een dergelijke opzegging in artikel 15 sub f zijn opgenomen strekken ertoe een duidelijke situatie te creëren en de overblijvende maten en (het bedrijf van) de maatschap te beschermen: een aangetekende brief, een opzegtermijn van vier maanden, opzegging uitsluitend tegen einde boekjaar. Er kan dan geen onduidelijkheid over bestaan en er wordt een bepaalde minimale termijn in acht genomen opdat organisatorische maatregelen kunnen worden getroffen om een en ander in goede banen te leiden. Dat is uiteraard niet alleen in het belang van partijen, maar bijvoorbeeld ook voor de personeelsleden werkzaam voor de maatschap.
In dit geval hebben de overblijvende maten, [eiser 1] c.s., ermee ingestemd dat door [gedaagde] werd opgezegd op de wijze en op het moment waarop hij dat heeft gedaan tegen het einde van het lopende boekjaar. Anders gezegd: [gedaagde] mocht van de andere maten opzeggen zonder die voorgeschreven formaliteiten allemaal naar de letter in acht te nemen. Partijen hebben vervolgens ook gehandeld alsof er correct was opgezegd. [gedaagde] heeft zijn werkzaamheden gestaakt en [eiser 1] c.s. hebben de werkzaamheden van de maatschap gecontinueerd. Er is in de visie van de voorzieningenrechter daarmee wel degelijk sprake van een rechtsgeldige opzegging op grond van artikel 15 aanhef en onder f. Daardoor is de maatschap ten aanzien van [gedaagde] dan ook geëindigd per het einde van het boekjaar 2025.
[eiser 1] c.s. hebben een spoedeisend belang
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang van [eiser 1] c.s. bij de door hen ingestelde vordering evident. [eiser 1] c.s. hebben gemotiveerd gesteld dat zij zolang [gedaagde] niet als maat is uitgeschreven benodigde financiering niet kunnen verkrijgen en dat zij daardoor liquiditeitsproblemen ondervinden.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat het door [eiser 1] c.s. gestelde belang niet kan rechtvaardigen dat hij wordt verplicht zijn registratie op te geven voordat de onderliggende financiële afwikkeling – waarover reeds sinds december 2025 wordt onderhandeld – is voltooid. Dat verweer faalt. Uiteraard heeft [gedaagde] recht op een correcte financiële afwikkeling. Hij heeft echter niet het recht zijn noodzakelijke medewerking aan de uitschrijving als maat van de maatschap te misbruiken als drukmiddel. [gedaagde] is geen maat meer en hij behoort er zijn medewerking aan verlenen dat dit correct wordt geregistreerd. Wat [gedaagde] verder heeft aangevoerd over zijn belang om zijn inschrijving als maat te handhaven, is in dit kader irrelevant. Van een rechtsgeldig opschortingsrecht dat zou meebrengen dat [gedaagde] medewerking kan weigeren tot aan zijn wensen zal zijn voldaan, is geen sprake. Er is evenmin aanleiding om de vordering tot medewerking aan uitschrijving slechts toe te wijzen onder de voorwaarde dat het onbetwiste gedeelte van het aan [gedaagde] toekomende kapitaalsaldo en een voorschot van € 100.000,00 op de goodwill aan [gedaagde] zullen worden voldaan. [gedaagde] had immers direct medewerking aan de uitschrijving behoren te verlenen. Het gevolg van het niet verlenen van die medewerking is nu juist dat voor [eiser 1] c.s. problemen met de liquiditeit zijn ontstaan, wat op zichzelf ook in de weg kan staan aan de mogelijkheid om de maatschap ten opzichte van [gedaagde] ook financieel correct af te wikkelen. Het ligt in de gegeven omstandigheden niet in de rede om aan het gebod tot medewerking de voorwaarde te verbinden dat gelijktijdig, althans binnen een korte termijn daaraan voorafgaand, een bedrag (liquiditeiten) aan [gedaagde] wordt voldaan.
De vordering van [eiser 1] c.s. wordt daarom toegewezen zoals geformuleerd in de beslissing.
In reconventie
De vorderingen ten aanzien van de geschillenregeling worden afgewezen
[gedaagde] vordert in reconventie dat [eiser 1] c.s. worden veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis hun medewerking te verlenen aan een gezamenlijk verzoek tot benoeming van drie bindend adviseurs dan wel één bindend adviseur door inschakeling van het NiRV.
[gedaagde] stelt bij deze vordering een spoedeisend belang te hebben omdat hij recht heeft op een grote som geld, maar al lange tijd niets krijgt en er ook geen zicht is op dat hij wat gaat krijgen.
Hiertegen voeren [eiser 1] c.s. verweer. Volgens hen hebben de door [gedaagde] gevorderde voorzieningen (onder meer) geen voorlopig karakter en ontbreekt het spoedeisend belang. Ook is onduidelijk waarom de benoeming van de deskundigen niet kan geschieden op de in de maatschapsovereenkomst overeengekomen wijze.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het staat partijen vrij om gezamenlijk te kiezen voor een andere inrichting van de bindend adviesprocedure dan in de maatschapsovereenkomst is vastgelegd. [gedaagde] kan echter niet eenzijdig kiezen voor een wezenlijk andere inrichting. Vorderingen om [eiser 1] c.s. ertoe te veroordelen om medewerking te verlenen aan een conform de wensen van [gedaagde] heel anders vormgegeven bindend adviesprocedure zijn daarom niet toewijsbaar. Als partijen geen overeenstemming bereiken over een afwijkende inrichting van de bindend adviesprocedure dan kan in beginsel slechts nakoming worden gevorderd van wat is overeengekomen, op zodanige wijze als in praktische zin mogelijk is.
Overeengekomen is dat de bindend adviseurs, van wie de voorzitter de hoedanigheid van meester in de rechten dient te bezitten, op verzoek van de meest gerede partij, worden benoemd door “de voorzitter van de geschillencommissie van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, dan wel, indien deze niet tot benoeming bereid mocht zijn, door de President van de competente Arrondissementsrechtbank”. Wat partijen op dit punt in de maatschapsovereenkomst zijn overeenkomen, is – naar de voorzieningenrechter begrijpt – in de praktijk misschien niet (meer) eenvoudig uitvoerbaar.
De aanwijzing van bindend adviseurs door – bijvoorbeeld – de voorzieningenrechter is niet in de wet geregeld. Afgezien daarvan is er in praktische zin een belangrijke belemmering in die zin dat (ook) de voorzieningenrechter niet ambtshalve beschikt over een lijst met voor dit geval geschikte kandidaten met relevante kennis en ervaring, van welke lijst er eenvoudig drie gekozen zouden kunnen worden.
Als partijen voor bindend advies willen opteren om hun geschillen definitief te beslechten, ligt het meer in de rede dat hun adviseurs zelf informatie inwinnen over mogelijk geschikte kandidaten en dat zij bijvoorbeeld afspreken dat beide partijen een in hun ogen geschikte kandidaat als bindend adviseur zullen voordragen en dat die twee gezamenlijk een jurist als onafhankelijke voorzitter zullen aanwijzen. Partijen zouden daarbij bijvoorbeeld kunnen afspreken dat als aan te wijzen voorzitter in aanmerking zou kunnen komen een jurist met ervaring als arbiter of bindend adviseur.
Over de wijze van behandeling van de geschillen door de bindend adviseurs zouden partijen geen nadere afspraken hoeven te maken. Zij zijn in de maatschapsovereenkomst immers overeengekomen dat de wijze van behandeling van het geschil door de bindend adviseurs zal worden geregeld, terwijl de kosten van de geschillenregeling door partijen zullen worden gedragen, in de verhouding als door de bindend adviseurs te bepalen.
Als het volgen van de overeengekomen weg van het bindend advies in de praktijk niettemin onmogelijk blijkt, staat in de visie van de voorzieningenrechter voor partijen de weg naar de gewone (bodem)rechter open.
Deze reconventionele vordering wordt dus afgewezen.
De vorderingen ten aanzien van het concurrentiebeding worden afgewezen
[gedaagde] vordert in reconventie verder dat het in artikel 16 sub b en c van de maatschapsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding wordt geschorst en dat de daarin bedongen boetes worden gematigd tot de in 5.8 (van de conclusie van antwoord/eis) genoemde bedragen. [gedaagde] stelt dat het concurrentiebeding in artikel 16 sub b en c van de maatschapsovereenkomst tussen partijen nietig is vanwege de, in zijn ogen, buitensporige duur.
[eiser 1] c.s. voeren verweer. Zij stellen (onder meer) dat [gedaagde] miskent dat het concurrentiebeding onlosmakelijk samenhangt met de goodwillregeling die partijen in de maatschapsovereenkomst zijn overeengekomen en waar [gedaagde] nog steeds een beroep op doet.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het door [gedaagde] ingenomen standpunt inderdaad moeilijk te verenigen met zijn vordering tot schorsing van het concurrentiebeding. [gedaagde] stelt immers dat hij zich aan een redelijk concurrentiebeding moet houden als hem een (in zijn ogen) fair goodwillbedrag – waar hij aanspraak op maakt – wordt betaald. Daarbij denkt [gedaagde] – zo begrijpt de voorzieningenrechter – aan een termijn van twee jaar. [gedaagde] houdt zich vanaf zijn uittreden als maat per 1 januari 2026 aan het concurrentiebeding. De door [gedaagde] zelf genoemde termijn van twee jaar is voorlopig nog niet verstreken.
De vordering tot schorsing van het concurrentiebeding wordt op grond van het voorgaande afgewezen.
Niet gebleken is dat partijen (ook) een relatiebeding zijn overeengekomen. Daarover hoeft dus niet te worden beslist.
De vordering tot matiging van de bedongen boetes wijst de voorzieningenrechter af. Gesteld noch gebleken is dat er boetes zijn verbeurd. [gedaagde] is volgens zijn stellingen niet van plan is het concurrentiebeding te overtreden. Evenmin is gesteld of gebleken dat hij het concurrentiebeding heeft overtreden. Van verbeurde boetes lijkt dus geen sprake. Voor toewijzing van een vordering in kort geding tot matiging van bedongen boetes die niet zijn verbeurd, bestaat geen rechtsgrond.
De voorzieningenrechter geeft partijen nog mee dat zij er over en weer bij zijn gebaat om binnen afzienbare termijn tot een definitieve regeling van hun geschillen dan wel definitieve beslechting daarvan te komen. Van het voortbestaan van de status-quo ondervindt niet alleen [gedaagde] nadeel. Ook [eiser 1] c.s. lopen risico. De betaling waarop [gedaagde] ten opzichte van [eiser 1] c.s. aanspraak kan maken – waaronder een reëel bedrag aan goodwill – diende plaats te vinden binnen zes maanden na datum ontbinding, tenzij de in artikel 17 bedoelde bindend adviseurs anders zouden beslissen (artikel 16 aanhef en onder a en b van de maatschapsovereenkomst). Niet tijdige betaling kan leiden tot verschuldigdheid van rente. [gedaagde] ten onrechte houden aan een concurrentiebeding versterkt met een boetebeding zou kunnen leiden tot schadeplichtigheid.
[gedaagde] moet de proceskosten in conventie en reconventie betalen
[gedaagde] is in dit kort geding in conventie en reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie en reconventie (inclusief nakosten) betalen. De reconventionele vorderingen vloeien niet voort uit het verweer in conventie. Daarom wordt het salaris advocaat in zowel conventie als reconventie volledig toegekend. De proceskosten aan de zijde van [eiser 1] c.s. worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.354,00 |
(in conventie en reconventie) |
|
- nakosten |
€ |
296,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
3.144,02 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
veroordeelt [gedaagde] tot het ondertekenen van het formulier tot uitschrijving van hem als maat van de maatschap binnen 24 uur na betekening van dit vonnis,
bepaalt dat bij gebreke daarvan dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening en de medewerking aan uitschrijving ex artikel 3:300 lid 1 BW, met betrekking tot alle formulieren/bescheiden die nodig zijn om de uitschrijving formeel te bevestigen,
In reconventie
wijst de vorderingen af,
In conventie en reconventie
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.144,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
[4041/1729]