Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/712340 / KG ZA 26-978
Vonnis in kort geding van 8 oktober 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. A. Schellekens,
tegen:
[de man] te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. R. van Venetiën
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 september 2026 met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 en 2;
- de door de vrouw overgelegde aanvullende producties 18 tot en met 22;
- de namens de vrouw overgelegde pleitnotities.
Op 24 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben een affectieve relatie onderhouden. Uit die relatie zijn geboren [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (hierna: de kinderen). De kinderen zijn thans nog minderjarig.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning).
In februari 2025 is de relatie tussen partijen geëindigd. De woning wordt thans bewoond door de vrouw. De man huurt een woning elders.
In opdracht van de vrouw is de woning op 2 april 2026 getaxeerd op een marktwaarde van € 555.000,00.
Op 6 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling in een kort geding tussen partijen plaatsgevonden. In dit kort geding vorderde de man in conventie – onder meer – dat de vrouw zou worden veroordeeld om medewerking te verlenen aan verkoop van de woning aan een derde. De vrouw vorderde in reconventie – onder meer – dat de man zou worden veroordeeld om medewerking te verlenen aan de levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw, onder de voorwaarde dat hij daarbij ontslagen zou worden uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gezamenlijke hypothecaire schuld.
Bij vonnis van 22 mei 2026 (hierna: het vonnis) is – kort gezegd – geoordeeld dat de man medewerking moet verlenen aan notariële levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw. Indien de vrouw niet binnen drie maanden na het vonnis heeft kunnen aantonen dat zij in staat is om de woning over te nemen, moet zij meewerken aan verkoop van de woning aan een derde.
In rechtsoverweging 4.5 van het vonnis staat:
“4.5. Dit betekent dat de vrouw de gelegenheid krijgt om de man uit te kopen op basis van
een marktwaarde van de woning van € 555.000. De vrouw dient uiterlijk binnen drie maanden
na dit vonnis aan de man aan de hand van een voor aanvaarding gerede (dus bindende) offerte
aan te tonen dat zij het overnemen van het aandeel van de man kan financieren en zijn ontslag
uit de hoofdelijkheid kan bewerkstelligen. Als de vrouw de financiering rond krijgt, dient de
man op eerste verzoek van de vrouw mee te werken aan levering van zijn aandeel in de woning
aan de vrouw. De man zal hiertoe worden veroordeeld. Voor het geval dat de man niet (tijdig)
meewerkt aan de levering, zal zoals gevorderd worden bepaald dat het vonnis in de plaats
treedt van de noodzakelijke wilsverklaring van de man voor de levering van zijn aandeel in
de woning aan de vrouw. De notariskosten verbonden aan de levering zullen door de vrouw
dienen te worden gedragen.”
In het dictum van het vonnis staat:
“ in conventie en in reconventie
veroordeelt de man om, indien de vrouw uiterlijk binnen drie maanden na dit vonnis
aan de man schriftelijk heeft aangetoond dat zij de woning aan [adres]
tegen de waarde van € 555.000 kan overnemen onder ontslag
van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek, op eerste verzoek van de
vrouw en/of de notaris zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw;
bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1, dit vonnis
op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de
notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij zijn aandeel in de woning aan de vrouw levert:
en in het geval de vrouw niet binnen drie maanden na het vonnis aan de man schriftelijk heeft kunnen aantonen dat zij in staat is om de woning onder de in 5.1 bedoelde voorwaarden over te nemen:
veroordeelt de vrouw om haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering
van de woning aan [adres] aan (een)
derde(n) (…)”
Naar aanleiding van het vonnis heeft de vrouw een financieel adviseur ingeschakeld teneinde te bewerkstelligen dat zij het aandeel van de man kan financieren en om zijn ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen.
Op 7 juli 2026 heeft hypotheekverstrekker Syntrus Hypotheken (hierna: Syntrus) een financieringsvoorstel aan de vrouw gedaan. Op 13 juli 2026 heeft de vrouw dit voorstel geaccepteerd en daarna heeft zij de door Syntrus gevraagde documenten verstrekt. Op 14 juli 2026 heeft de notaris de conceptakte van verdeling naar partijen gestuurd. Op 19 augustus 2026 heeft de financieel adviseur de vrouw een bericht gestuurd waarin – onder meer – staat:
“Aansluitend op ons gesprek en alle aangeleverde gegevens bevestig ik dat:
Syntrus een aanbod heeft gedaan om
-
[de man] uit de hoofdelijkheid te ontslaan van de lopende hypotheek.
-
De hypotheek dusdanig te verhogen dat in combinatie met je ingebrachte vermogen [de man] kan worden uitgekocht op basis van de vastgestelde waarde van EUR 555.000,-.
Het dossier is compleet en akkoord op één document na. Het bleek dat je een inschrijving hebt bij de Kamer van Koophandel voor een eenmanszaak.
Normaliter moet dan je IB aangifte over 2025 worden aangeleverd, zodat ze kunnen constateren dat de eenmanszaak inactief is en geen schulden en/of verplichtingen heeft, maar die aangifte hebben jullie nog niet gedaan.
Met Syntrus is een compromis gesloten, dat ze willen kijken naar een aparte verklaring van je accountant, dat er in 2025 geen inkomen uit zelfstandigheid is genoten, omdat je in loondienst bent gegaan en dat er in de eenmanszaak verder geen verplichtingen en/of schulden zitten.
De accountant is aanstaande maandag terug van vakantie en zal dit dan aanleveren.”
De advocaat van de vrouw heeft voorgaand bericht van de financieel adviseur op 20 augustus 2026 aan de advocaat van de man doorgestuurd en daarbij het volgende vermeld:
“Hieronder treft u de e-mail van de financieel adviseur van cliënte aan. Hiermee toont cliënte,
binnen de door de rechtbank gestelde termijn, aan dat zij de woning onder de door de
rechtbank gestelde voorwaarde kan overnemen. Het concept van de akte van verdeling
ontving uw cliënt reeds van de notaris. Het is nu enkel nog wachten op het afgeven van de
verklaring vanuit de bank.”
De vrouw heeft op 25 augustus 2026 de door Syntrus verzochte verklaring bij de accountant opgevraagd. De accountant heeft die verklaring diezelfde dag verstrekt.
Op 31 augustus 2026 heeft de vrouw de definitieve hypotheekofferte ontvangen en getekend. Op 2 september 2026 heeft Syntrus laten weten dat het dossier finaal akkoord was en dat aan de notaris instructie werd gegeven voor het passeren van de akte van verdeling.
Op 4 september 2026 liet de advocaat van de man weten dat volgens de man niet tijdig een bindende offerte was verstrekt en dat daarom de zogenaamde verkooproute, zoals bepaald onder 5.3 van het vonnis, geldt. De man heeft [makelaar] (hierna: de makelaar) benaderd voor verkoop van de woning. Op 7 september 2026 heeft de makelaar de vrouw benaderd over de voorgenomen verkoop. Diezelfde dag stuurde de notaris een bericht naar de vrouw waarin onder meer staat:
“Van [de man] heb ik doorgekregen, dat hij de akte van verdeling niet zal tekenen.
Aangezien de termijn waarbinnen een en ander door jou aan hem moest worden medegedeeld niet gehaald is, kunnen wij de akte van verdeling niet passeren zonder zijn toestemming.”
Op 14 september 2026 is de vrouw overgegaan tot dagvaarden in kort geding.
3 Het geschil
in conventie
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair:
de man te veroordelen tot nakoming van punt 5.1 van het vonnis van 22 mei 2026 en daarbij te bepalen dat de man op eerste verzoek van de vrouw en/of de notaris zijn medewerking verleent aan de notariële levering van zijn aandeel in de woning aan [adres] aan de vrouw;
subsidiair:
aan de vrouw een extra termijn van vier weken te verlenen, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, om het aandeel van de man in de woning over te nemen en daarbij te bepalen dat de man op eerste verzoek van de vrouw en/of de notaris zijn medewerking verleent aan de notariële levering van zijn aandeel in de woning aan [adres] aan de vrouw;
II. te bepalen dat, indien de man niet tijdig voldoet aan het onder I. gevorderde, het vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij zijn aandeel in de woning aan de vrouw levert;
III. te bepalen dat de man het verkooptraject van de woning aan [adres] op grond van punt 5.3 van het vonnis van 22 mei 2026 dient te staken en gestaakt dient te houden en de man van Van Brussel Makelaardij daarover dient te informeren binnen twee dagen na de datum van afgifte van het vonnis;
IV. voor het geval de notaris geen uitvoering geeft aan het onder II. gevorderde, de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500 voor iedere dag dat hij niet aan het onder I. gevorderde voldoet;
V. de man te veroordelen in de proceskosten.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De vrouw heeft binnen drie maanden na het vonnis, te weten op 20 augustus 2026, schriftelijk aangetoond dat zij de woning tegen de waarde van € 555.000 kan overnemen onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. De notaris weigert de akte van verdeling te passeren op grond van punt 5.2 van het vonnis, omdat de man de notaris heeft bericht dat het passeren van de akte op grond van punt 5.2 van het vonnis onrechtmatig zou zijn. Volgens de vrouw is in het vonnis niet bepaald dat alles in kannen en kruiken moest zijn, maar zij moest binnen drie maanden aantonen dat het zou lukken. Dat heeft de vrouw gedaan.
Wanneer de lezing van de man zou worden gevolgd stelt de vrouw zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van een minimale termijnoverschrijding van slechts tien dagen. De consequentie die de man daaraan wil verbinden, namelijk het verkopen van de woning waardoor de vrouw met de kinderen op straat komt te staan, staat in geen enkele verhouding tot deze termijnoverschrijding. De man handelt onrechtmatig jegens de vrouw door zijn medewerking aan het passeren van de akte van verdeling niet te verlenen en het verkooptraject in gang te zetten. De vrouw heeft er alles aan gedaan om de financiering en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man zo snel als mogelijk te regelen, waarbij zij de pech had dat de zomervakantie in de periode van drie maanden viel. Dit is binnen een redelijke termijn gebeurd en de man is door de eventuele termijnoverschrijding niet benadeeld. De vrouw wordt daarentegen, en daarmee worden ook de kinderen, ernstig benadeeld bij voortzetting van het verkooptraject van de woning.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De man vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de vrouw te veroordelen alle verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de man op te volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren vraag- en laatprijs, en alle medewerking te verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren. Voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijft aan een of meer van de veroordelingen/ verplichtingen te voldoen. De man vordert tevens dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De vrouw had uiterlijk op 22 augustus 2026 een bindende hypotheekofferte moeten overleggen. Dit betreft een fatale termijn. De vrouw heeft deze termijn overschreden, hetgeen betekent dat het zogenaamde spoorboekje zoals is opgenomen onder 5.3 van het vonnis van 22 mei 2026 moet worden gevolgd en uitgevoerd. De vrouw is ernstig toerekenbaar tekort geschoten in nakoming en/of uitvoering van de in punt 5.3 sub c van het dictum genoemde veroordelingen. De makelaar heeft de vrouw meerdere keren tevergeefs verzocht haar medewerking te verlenen. Gelet op de weigerachtige houding van de vrouw acht de man een dwangmiddel in de vorm van een dwangsom passend als voldoende prikkel om de veroordeling alsnog na te komen.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
in conventie en reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, worden deze hierna gezamenlijk behandeld.
In het vonnis van 22 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de vrouw gelegenheid krijgt om de man uit te kopen op basis van een marktwaarde van de woning van € 555.000,00. In het dictum onder 5.1 is de man veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan notariële levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw, indien de vrouw uiterlijk binnen drie maanden na het vonnis schriftelijk aan de man heeft aangetoond dat zij de woning tegen een waarde van € 555.000,00 kan overnemen onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. In dit kader is in rechtsoverweging 4.5 opgenomen dat de vrouw uiterlijk binnen drie maanden na het vonnis aan de man aan de hand van een voor aanvaarding gerede (dus bindende) offerte moet aantonen dat zij het overnemen van het aandeel van de man kan financieren en zijn ontslag uit hoofdelijkheid van de aansprakelijkheid kan bewerkstelligen.
Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de in het vonnis opgenomen bepaling omtrent de termijn moet worden uitgelegd en of de vrouw binnen de gestelde termijn aan haar verplichtingen heeft voldaan. Hierbij stelt de vrouw zich primair op het standpunt dat zij uiterlijk op 22 augustus 2026 moest aantonen dat zij de woning kon overnemen waarbij de man zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en dat zij hieraan heeft voldaan. Immers is er op 20 augustus 2026 aan de advocaat van de man bericht dat Syntrus op 19 augustus 2026 een aanbod deed om de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de lopende hypotheek te ontslaan en de hypotheek dusdanig te verhogen zodat de vrouw, in combinatie met ingebracht vermogen, de man kon uitkopen op basis van de vastgestelde waarde van € 555.000. Dat de daadwerkelijke hypotheekofferte pas op 31 augustus 2026 werd ontvangen en getekend doet aan het voorgaande volgens de vrouw, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter haar standpunt, niet af.
Volgens de man moest de vrouw uiterlijk op 22 augustus 2026 een voor aanvaarding gerede (dus bindende) offerte overleggen. Die offerte kwam er pas op 31 augustus 2026, waardoor de vrouw de termijn heeft overschreden. Overschrijding van deze volgens de man fatale termijn, moet volgens de man tot gevolg hebben dat het zogenaamde spoorboekje zoals opgenomen onder 5.3 in het vonnis moet worden gevolgd en dat de woning wordt verkocht aan een derde. Voor zover dit standpunt van de man wordt gevolgd, stelt de vrouw zich subsidiair op het standpunt dat het slechts een minimale overschrijding van tien dagen betreft die niet rechtvaardigt dat wordt overgegaan tot verkoop aan een derde waarbij de vrouw en kinderen van partijen op straat komen te staan. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Gelet op de door de vrouw overgelegde stukken, waaronder de e-mail van de notaris van 22 september 2026, heeft de vrouw naar het oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam aangetoond dat zij thans de woning kan overnemen waarbij de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. Sinds begin september 2026 is alles daartoe gereed. Aan de man kan zonder meer worden toegegeven dat de vrouw niet precies binnen drie maanden, en dus uiterlijk op 22 augustus 2026, een voor aanvaarding gerede (dus bindende) offerte heeft overgelegd. De vraag is of de termijn van drie maanden zo strikt moet worden toegepast, zoals de man voor ogen heeft. Het is aan de voorzieningenrechter om de handelingen van de vrouw te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Hierbij moet de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Ook kunnen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van belang zijn en geldt op grond van artikel 3:166 lid 3 jo. 6:2 Burgerlijk Wetboek dat deelgenoten in hun rechtsbetrekking verplicht zijn zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Uit het vonnis volgt dat het doel en de strekking van de beslissing is dat partijen eerst meewerken aan toebedeling van de woning aan de vrouw en dat de woning pas aan een derde wordt verkocht, wanneer blijkt dat de vrouw niet in staat is de woning binnen een bepaalde termijn over te nemen en de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek te doen ontslaan. De in het vonnis opgenomen termijn van drie maanden is opgenomen met het doel om op relatief korte termijn duidelijkheid te verkrijgen over de financiële mogelijkheden van de vrouw en dus ook als stimulans voor de vrouw om spoedig en voldoende actie te ondernemen. In welke mate van precisie de vrouw gehouden kan worden aan die termijn is dan ook afhankelijk van de mate van waarschijnlijkheid dat zij de financiering rond zou kunnen krijgen en van de mate waarin zij vaart heeft gemaakt met het verkrijgen van bedoelde duidelijkheid.
De vrouw heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de door haar ingebrachte stukken voldoende onderbouwd dat zij haar zonder meer haar best heeft gedaan om zo snel als mogelijk uitsluitsel te verkrijgen over de mogelijkheid om de woning over te nemen en de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Zo heeft zij op de dag van het vonnis contact opgenomen met haar financieel adviseur om het een en ander in gang te zetten. In de weken daarna werden documenten verzameld en ingediend en werd een notaris benaderd voor het opstellen van de conceptakte van verdeling. Op 7 juli 2026 deed Syntrus een financieringsvoorstel en stuurde een lijst met door de vrouw aan te leveren stukken. Op 14 juli 2026 heeft de vrouw het voorstel geaccepteerd en in de periode daarna heeft zij de gevraagde stukken ingediend.
Op 19 augustus 2026 deed Syntrus een aanbod en vroeg nog één document op. Dit betrof een document over de nog bij de KvK ingeschreven, maar reeds gestaakte, eenmanszaak van de vrouw. Dit document stond niet op de eerder door Syntrus verstrekte lijst van in te dienen stukken, dus de vrouw wist pas op 19 augustus 2026 dat ze dit document nog moest opvragen en opsturen. De stelling van de man dat de vrouw uit eigen beweging informatie over de eenmanszaak bij Syntrus moest indienen en dat het haar te verwijten valt dat zij dat niet gedaan heeft, volgt de voorzieningenrechter niet. Ter zitting heeft de vrouw hierover namelijk onweersproken toegelicht dat deze eenmanszaak al in 2021 dan wel 2022 is gestaakt en dat zij in de veronderstelling was dat dat ook was verwerkt bij de KvK. De voorzieningenrechter acht het daarom niet verwijtbaar dat de vrouw er niet aan heeft gedacht om uit eigen beweging nog informatie hierover aan Syntrus te verstrekken. Syntrus gaf de vrouw de mogelijkheid om een verklaring van de accountant te overleggen waaruit blijkt dat er in 2025 geen inkomen uit zelfstandigheid was genoten en met name dat er geen schulden meer waren in de eenmanszaak. De accountant was op 19 augustus 2026 nog op vakantie tot 25 augustus 2026 en het betreffende document werd op laatstgenoemde dag door de accountant afgegeven en bij Syntrus ingediend. Uit deze gang van zaken blijkt volgens de voorzieningenrechter dat de vrouw zo snel als mogelijk heeft gehandeld om de financiering rond te krijgen. Van enige vertraging die haar kan worden aangerekend is niet gebleken. Hierbij moet ook in ogenschouw worden genomen dat de termijn van drie maanden nagenoeg de hele zomervakantie besloeg, wat hoogstwaarschijnlijk ook voor enige vertraging heeft gezorgd die zich buiten de invloedssfeer van de vrouw bevond. Ten aanzien van de verklaring van de accountant is dat overduidelijk het geval. Uiteindelijk lag er op 31 augustus 2026, slechts een paar dagen na 22 augustus 2026, een bindende hypotheekofferte die de vrouw diezelfde dag nog heeft ondertekend. Op 3 september 2026 was alles gereed voor passeren bij de notaris. Verder is nog van belang dat er voor het einde van de termijn van drie maanden geen signalen waren dat de financiering niet rond zou komen. Er lag al een aanbod op grond van de financiële gegevens van de vrouw en wat resteerde was slechts een controle of de eenmanszaak nog schulden had.
In het licht van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de termijnoverschrijding met betrekking tot de bindende hypotheekofferte niet zodanig is dat de vrouw haar kans om de woning over te nemen heeft verspeeld. Bovendien is een beroep op de termijnoverschrijding in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hierbij is relevant dat de kinderen van partijen baat hebben bij behoud van de woning door de vrouw zodat zij in hun vertrouwde huis en omgeving kunnen blijven wonen. Dit is wat de man aanvankelijk zelf ook voor ogen stond. Dit belang is niet door het voortschrijden van de tijd verminderd, zoals de man betoogt. Ter zitting is duidelijk geworden dat de man, na ontvangst van zijn deel van de overwaarde, een woning wenst te kopen en dus wil verhuizen. Wanneer de nu nog gezamenlijke woning aan een derde wordt verkocht, heeft dit het onwenselijke gevolg dat de kinderen niet één, maar twee keer moeten verhuizen. Het belang van de man bij een mogelijk hogere verkoopopbrengst en daarmee hogere overwaarde weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen voornoemd belang van de vrouw en kinderen bij behoud van de woning.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de primaire vordering onder I. en de vorderingen onder II. en III. van de vrouw in conventie worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De man moet op eerste verzoek van de vrouw en/of de notaris zijn medewerking verlenen aan de notariële levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw en het verkooptraject, zoals opgenomen onder 5.3. van het vonnis van 22 mei 2026, staken en gestaakt houden en de door hem ingeschakelde makelaar daarover informeren.
De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de notaris, nu het geschil waarmee hij geconfronteerd werd in dit vonnis is beslecht, uitvoering zal geven aan het onder II. gevorderde in geval de man niet zal voldoen aan de veroordeling. De gevorderde dwangsom acht de voorzieningenrechter dan ook niet aangewezen.
Nu de vorderingen van de vrouw in conventie worden toegewezen, heeft dat tot gevolg dat de vordering van de man in reconventie wordt afgewezen.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
veroordeelt de man tot nakoming van punt 5.1 van het vonnis van 22 mei 2026 en bepaalt daarbij dat de man op eerste verzoek van de vrouw en/of notaris zijn medewerking verleent aan de notariële levering van zijn aandeel in de woning aan [adres] aan de vrouw;
bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan het onder I. gevorderde, het vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij zijn aandeel aan de vrouw levert;
bepaalt dat de man het verkooptraject van de woning aan [adres] op grond van 5.3 van het vonnis van 22 mei 2026 dient te staken en gestaakt dient te houden en dat de man [makelaar] hierover dient te informeren binnen twee dagen na datum van het vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.
lp