ECLI:NL:RBDHA:2026:30138

Datum uitspraak
23-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/09/702906 HA ZA 26-359
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdeling woning informele samenlevers. Man heeft regresvordering op de vrouw vanwege investering bij aankoop van de woning (artikel 6:10 BW).

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/702906 / HA ZA 26-359

Vonnis van 23 september 2026

in de zaak van

[de man] te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat: mr. L.E. de Jong,

de zaak is inhoudelijk behandeld door mr. C. Elsinga,

tegen

[de vrouw] te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat: mr. C.J. de Jongh-Moolenaar.

Partijen zullen hierna ‘de man’ en ‘de vrouw’ worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 2 april 2026, met producties 1 tot en met 11;

  • de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties A tot en met N;

  • de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 14 tot en met 18;

  • het tussenvonnis van 17 juni 2026, met een datum voor de mondelinge behandeling

  • de akte van de vrouw met producties O en P.

1.2.

Op 27 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting naar voren is gebracht.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond zonder samenlevingsovereenkomst.

2.2.

Op 15 juni 2022 hebben partijen de woning gelegen aan [adres] gekocht voor een koopsom van € 475.000 (‘de woning’).

2.3.

Ten behoeve van de aankoop van de woning hebben partijen een waarborgsom van € 47.500 en een bedrag van € 149.971,52 moeten voldoen. De man heeft deze bedragen, € 197.471,52 in totaal, betaald vanuit de verkoopopbrengst van zijn vorige woning.

2.4.

Partijen hebben een hypothecaire geldlening afgesloten bij Rabobank ter hoogte van (oorspronkelijk) € 291.000 voor de (resterende) financiering van de aankoop van de woning.

2.5.

Bij notariële leveringsakte van 1 augustus 2022 is de woning aan partijen geleverd.

2.6.

Op 4 maart 2023 hebben partijen op hun beider naam een (krediet)overeenkomst gesloten met FCA Capital Nederland, uit hoofde waarvan FCA een personenauto heeft gekocht en aan hen heeft geleverd (‘de leaseovereenkomst’). De leaseovereenkomst heeft een looptijd van 60 maanden. Het maandelijkse termijnbedrag bedraagt € 301,45. De auto kan bij het aflopen van de overeenkomst worden overgenomen als partijen op dat moment € 22.087,09 in totaal hebben betaald, aangevuld met een slottermijn van € 4.000,09.

2.7.

In november 2024 hebben partijen hun relatie verbroken. De vrouw heeft de woning verlaten.

2.8.

Uit een taxatierapport van 12 februari 2025 volgt een marktwaarde voor de woning van € 495.000.

2.9.

Per 1 juni 2026 is er € 12.686,01 afgelost op de hypothecaire geldlening.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

De man vordert, samengevat, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. de gezamenlijke woning toedeelt aan de man tegen € 495.000 en de vrouw veroordeelt om mee te werken aan de overdracht en levering van de woning aan hem, onder de bepaling dat partijen met elkaar zullen afrekenen en dat de man drie maanden de tijd krijgt om financiering te regelen en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening,

  2. indien toedeling van de woning aan de man niet mogelijk is, de vrouw veroordeelt om mee te werken aan verkoop van de woning aan een derde, door (i) binnen één week nadat dit bekend is geworden, mee te werken aan het geven van een verkoopopdracht aan de makelaar en vervolgens mee te werken aan alle handelingen die de makelaar noodzakelijk acht en om (ii) binnen 48 uur na berichtgeving van de notaris over levering van de woning aan een potentiële koper, mee te werken aan alle handelingen die nodig zijn voor de notariële levering van de woning aan koper;

  3. dit een en ander steeds onder de bepaling dat (i) rekening wordt gehouden met de vordering van de man van € 197.471,52 en de helft van de eigenaarslasten van de woning (PM) en (ii) dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde wilsverklaring of toestemming van de vrouw zoals bedoeld in artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) als zij de hiervoor bedoelde medewerking niet verleent of toestemming niet geeft, (iii) met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.2.

De man legt hieraan ten grondslag dat partijen ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van de woning en dat ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen op grond van artikel 3:178 BW. Partijen hadden de woning niet kunnen kopen zonder zijn investering van € 197.471,52. Dit bedrag moet worden verrekend in die zin dat de helft hiervan wordt gedragen door de vrouw. Partijen hebben dit afgesproken en de vrouw zal ongerechtvaardigd worden verrijkt ten koste van de man als er niet wordt verrekend (artikel 6:212 BW). De aanspraak van de man vloeit ook voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) en hij kan regres nemen op de vrouw, omdat hij meer heeft voldaan ter voldoening van een gezamenlijke schuld dan waartoe hij gehouden was in hun onderlinge verhouding (artikel 6:6 BW en artikel 6:10 BW). De vrouw heeft daarnaast ook niet voldoende bijgedragen in haar aandeel in de gezamenlijke lasten.

3.3.

De vrouw voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

In reconventie

3.4.

De vrouw vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. de man veroordeelt om binnen twee weken na datum van dit vonnis mee te werken aan verkoop en levering van de woning aan een derde door een verkoopopdracht te geven aan [makelaarskantoor] B.V. te [plaats 1], omgaand de benodigde documenten en sleutels van de woning aan te leveren, direct 50% van (de aanbetaling van) de makelaarskosten te betalen en mee te werken aan het bepalen van de verkoop- of vraag- en laatprijs binnen de door de makelaar gestelde termijn;

  2. bepaalt dat indien partijen geen overeenstemming bereiken over de verkoop-, vraag- of laatprijs, de makelaar deze in overleg met de vrouw bindend zal vaststellen en eventueel zal wijzigen indien verkoop uitblijft, waarbij de vrouw gerechtigd is om in samenspraak met de makelaar te bepalen of het bod geaccepteerd wordt of een tegenbod doet;

  3. bepaalt dat de man moet meewerken aan bezichtigingen en ervoor moet zorgen dat de schade aan het huis is hersteld en dat het huis en de tuin schoon en opgeruimd ogen voor bezichtigingen, door de vrouw in afwezigheid van de man te controleren, en dat de man (met zijn familie en vrienden) de woning voor iedere bezichtiging zal verlaten;

  4. bepaalt dat de man alle andere handelingen zal verrichten die noodzakelijk zijn voor de verkoop en levering van de woning waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris wordt verzocht, binnen de door hen gestelde termijnen;

  5. bepaalt dat de man (i) de vrouw buiten zijn aanwezigheid toelaat in de woning op elk door haar gewenst moment en haar per omgaande op zijn kosten de sleutels van de woning geeft en (ii) meewerkt aan het tekenen van de koopovereenkomst en het leveren van de woning via de notaris binnen de door de notaris gestelde termijn;

  6. de vrouw vervangende toestemming verleent om, indien de man niet meewerkt aan verkoop en levering binnen de gestelde termijn, mede namens hem het koopcontract en/of de leveringsakte te ondertekenen en alle handelingen te verrichten die voor de verkoop en levering van de woning aan een derde noodzakelijk zijn;

  7. bepaalt dat de overwaarde van de woning (na aftrek van makelaars- en notariskosten, aflossing van de hypotheekschuld en ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid) (bij toedeling) bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld, aldus dat de notaris 50% van de overwaarde, vermeerderd met eventueel door de man verschuldigde dwangsom en na te noemen verrekenposten, zal overmaken aan de vrouw;

  8. de man veroordeelt om aan de vrouw een woonvergoeding te betalen van 4% van de helft van de overwaarde op jaarbasis met ingang van de datum van haar vertrek uit de woning (2 november 2024) tot aan de dag van levering van de woning aan een derde (c.q. toedeling), te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der voldoening;

I. de man mede op grond van de redelijkheid en billijkheid en ongerechtvaardigde verrijking veroordeelt om de helft van de huur te betalen die de vrouw voor hem heeft betaald in de periode dat zij samen in [plaats 2] woonden (50% van € 27.800) € 13.900;

de man veroordeelt om bewijs te overleggen van door hem betaalde aflossingen / woonlasten tot aan datum levering (c.q. toedeling) van de woning en om de helft van alle teruggaven van de belastingdienst, hypotheekrenteaftrek, gemeentelijke belastingen en energieleveranciers en andere teruggaven (definitieve aanslagen en teruggaven) aan te tonen binnen één week na vonnisdatum en te betalen binnen 14 dagen na vonnisdatum (in elk geval 50% van alle door de man ontvangen financiële voordelen), op een door de vrouw aan te wijzen bankrekening;

de man mede op grond van de redelijkheid en billijkheid, artikel 3:172 BW en/of op grond van de regels voor ongerechtvaardigde verrijking veroordeelt om aan de vrouw haar inbreng van € 30.000 uit eigen vermogen, handelingen en investeringen voor het onderhoud en de instandhouding van het gemeenschappelijk goed, i.e. de woning, te betalen op basis van de beleggingsleer, zijnde 6% van de verkoopwaarde, te berekenen zodra de verkoopprijs bekend is en op te nemen in het vonnis en bepaalt dat de man dit bedrag aan de vrouw zal betalen binnen 14 dagen na vonnisdatum althans binnen 14 dagen na verkoop (c.q. toedeling) van de woning door overschrijving van dit bedrag naar een door de vrouw aan te wijzen bankrekening en te bepalen dat alle door de man uit hoofde van dit vonnis aan de vrouw te betalen bedragen direct bij de notaris bij de levering van de woning aan de koper met het aandeel van de man in de overwaarde van de woning worden verrekend en aan de vrouw worden betaald tegelijk met de betaling aan haar door de notaris van haar aandeel in de overwaarde;

bepaalt dat het leasecontract voor de auto in stand blijft tot het einde van de looptijd, waarbij de vrouw alle lasten zal blijven betalen;

indien de rechtbank de man in staat stelt de vrouw uit te kopen: te bepalen dat de man binnen twee maanden na vonnisdatum moet aantonen dat hij de door de rechtbank te bepalen uitkoopsom kan betalen op basis van de taxatie van de makelaar, onder verrekening als hiervoor omschreven van de aan de vrouw toekomende bedragen en dat indien de man de woning niet kan betalen, deze direct na ommekomst van twee maanden na vonnisdatum moet worden verkocht, waarbij alle voorwaarden onder A tot en met R onverkort gelden, waarbij de vrouw de makelaar zonder tussenkomst en schriftelijke toestemming van de man, opdracht kan geven tot verkoop van de woning;

onder oplegging van een dwangsom van € 250 per dag(deel) dat de man niet volledig voldoet aan (een deel van) dit vonnis;

met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

3.5.

De vrouw legt aan haar vorderingen ten grondslag dat haar belang bij directe verkoop van de woning aan een derde groter is dan het belang van de man bij toedeling van de woning aan hem. De man heeft geen aanspraak op terugbetaling van zijn investering, want partijen hebben afgesproken dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de overwaarde. Die afspraak geldt niet voor een investering die de vrouw in de woning heeft gedaan, die wel volledig aan haar moet worden terugbetaald. Verder moet nog verrekening plaatsvinden van diverse andere posten.

3.6.

De man voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

In conventie en in reconventie

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie betreffen de vermogensrechtelijke afwikkeling van de affectieve relatie van partijen en zullen gezamenlijk worden beoordeeld.

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de vrouw niet (meer) vordert dat de man schade aan de woning als gevolg van het boren van schroeven in het kozijn repareert en/of gedoogt dat zij de woning in kan wanneer zij dat wil. De vrouw beschikt volgens de man over de sleutels van de woning en kan daar naar binnen, zolang zij dit met hem afstemt. Daarop heeft de vrouw verteld dat er geen spullen meer van haar in de woning staan en dat zij er niet meer hoeft te zijn. Voor zover de vorderingen (onder 3.4.C en 3.4.E) hierop zien, behoeven die geen bespreking meer.

Verdeling van de woning

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij (voor gelijke delen) gezamenlijk eigenaar zijn van de woning en dat sprake is van een eenvoudige gemeenschap zoals bedoeld in artikel 3:166 BW. Partijen willen dat de woning wordt verdeeld, maar zijn het er niet over eens hoe er moet worden verdeeld.

4.4.

De man heeft stukken overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij financieel in staat is de woning over te nemen tegen de getaxeerde waarde van € 495.000. Als dit toch niet haalbaar blijkt, kan de woning alsnog worden verkocht. De vrouw wil niet dat de woning aan de man wordt toegedeeld en vordert dat deze direct wordt verkocht aan een derde, omdat dan een hogere verkoopopbrengst wordt gerealiseerd. De man verblijft niet eens in de woning en wil deze slechts doorverkopen, aldus de vrouw.

4.5.

Als een van de deelgenoten in de gezamenlijke woning wil blijven wonen (en dit financieel gezien ook kan), wordt die mogelijkheid doorgaans geboden. De vrouw heeft onvoldoende aanknopingspunten aangereikt voor de conclusie dat een zo hoog mogelijke opbrengst enkel kan worden bereikt door (directe) verkoop van de woning aan een derde. De woning stond al langere tijd te koop toen partijen deze zelf kochten en moet (nog steeds) worden gerenoveerd. De man heeft weersproken dat hij in het geheel niet in de woning verblijft. Het klopt dat hij veel bij zijn ouders verblijft, maar dit heeft te maken met gezondheidsklachten en inmiddels gaat het weer beter met hem. De man bestrijdt dat hij van plan is de woning weer door te verkopen en heeft toegelicht waar die gedachte mogelijk vandaan komt. Nu de vrouw hier vervolgens niets of onvoldoende tegenover heeft gezet, is er geen reden om te twijfelen aan de lezing van de man.

4.6.

Dit betekent dat de rechtbank de woning zal toedelen aan de man, onder de opschortende voorwaarde dat hij kan aantonen dat hij in staat is de volledige eigendom van de woning te financieren en de vrouw kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Indien hij hier niet in slaagt, moet de woning worden verkocht (en geleverd) aan een derde. De man heeft toegezegd daaraan te zullen meewerken.

4.7.

Omdat de laatste taxatie langer dan een half jaar geleden heeft plaatsgevonden, moet de woning opnieuw worden getaxeerd. Partijen willen [makelaarskantoor] B.V. hiervoor inschakelen en zijn het erover eens dat een eventuele verkoopopdracht ook aan deze makelaar zal worden gegeven. Partijen dienen de kosten voor de taxatie gelijk te dragen. Dit geldt ook voor alle (makelaars-, notaris- en overige) kosten die behoren bij een eventuele verkoop van de woning aan een derde. Indien de man (het aandeel van de vrouw in) de woning overneemt, komen de overdrachtskosten voor zijn rekening. De vrouw vordert dat de man de helft van de kosten van de makelaar direct voldoet. Dit wordt afgewezen, omdat de vrouw niet heeft toegelicht waarom de man hiertoe gehouden is. Genoemde kosten kunnen zoals te doen gebruikelijk worden voldaan via de notaris.

4.8.

De makelaar zal de vraag- en laatprijs vaststellen. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar vordering om hierbij een doorslaggevende stem te hebben en eenzijdig wijzigingen te kunnen aanbrengen en te kunnen bepalen of een bod geaccepteerd wordt of niet (3.4.B). Gewoonlijk doet de makelaar dit in samenspraak met partijen. Dat er in dit geval aanleiding is om hierover anders te oordelen, is niet gesteld of gebleken.

4.9.

Partijen kunnen desgewenst aanwezig zijn bij de taxatie, maar niet bij eventuele bezichtigingen. Het is aan de man om, als bewoner van de woning, de taxatie en/of bezichtigingen in praktische zin te regelen met de makelaar. De man heeft toegezegd dat hij de makelaar sleutels van de woning zal geven en ervoor zal zorgen dat de woning opgeruimd is als er bezichtigingen zijn. De vrouw heeft niet bestreden dat de man niet veel meer dan dat kan doen, omdat de woning nog moet worden gerenoveerd en de tuin niet is aangelegd.

4.10.

De rechtbank zal de wijze van verdeling van de woning en de hiervoor besproken voorwaarden uiteenzetten in het dictum, uit te voeren binnen een termijn naar redelijkheid.

Verdeling van de overwaarde

4.11.

Omdat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning komt de overwaarde hen in beginsel gezamenlijk toe. De man stelt echter dat hij een vordering op de vrouw heeft, omdat hij bij de financiering van de aankoop van de gezamenlijke woning meer heeft bijgedragen dan zij heeft gedaan en had moeten doen.

4.12.

Omdat sprake is (geweest) van ‘informeel samenwonenden’, moet aan de hand van het algemene verbintenissenrecht worden beoordeeld of de man voor zijn investering in (de aankoop van) de woning een vergoedingsrecht ten aanzien van de vrouw geldend kan maken. Onderzocht moet worden of tussen partijen een overeenkomst bestaat die, mede in aanmerking genomen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW, (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt (artikel 6:213 BW). Van een dergelijke overeenkomst kan sprake zijn als partijen met betrekking tot de vraag voor wiens rekening de kosten van hun samenleving of specifieke uitgaven moeten komen, uitdrukkelijk dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Aanspraak op vergoeding van bepaalde uitgaven die ten gunste zijn gekomen van de ander is daarnaast mogelijk indien is voldaan aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW), ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW), of aan de voorwaarden van artikel 6:10 BW. Een vergoedingsrecht kan in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval ook voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid.1

4.13.

In artikel 6:10 BW is bepaald dat hoofdelijk schuldenaren verplicht zijn bij te dragen in de schuld en kosten, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in de onderlinge verhouding aangaat. Indien een schuldenaar voor een groter gedeelte heeft bijgedragen, kan hij zich verhalen op de medeschuldenaar (regresrecht). Het artikel omschrijft niet hoe dit deel moet worden vastgesteld. De vraag hoe moet worden bepaald voor welk gedeelte de schuld de hoofdelijk medeschuldenaar ‘aangaat’ in de zin van artikel 6:10 BW kan niet in algemene zin worden beantwoord. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt, om te bepalen welke betekenis en welk gewicht toekomt aan deze feiten en omstandigheden.2

4.14.

De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van dat wat partijen hierover uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding van de schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden. Voorts is van belang in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. De beginselen van ongerechtvaardigde verrijking kunnen ook een rol spelen. Het is niet wenselijk als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen, omdat de uitzonderingen dan belangrijker zouden zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hiervoor genoemde omstandigheden en beginselen uitsluitsel geeft, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing.3

4.15.

In het licht van het voorgaande stelt de rechtbank het volgende voorop. Tussen partijen is niet in geschil dat zij de woning samen hebben gekocht en dat hieruit een gezamenlijke schuld voortvloeit. De vrouw betwist niet dat zij ten aanzien van de gezamenlijke schuld in de onderlinge verhouding voor de helft draagplichtig is. Dat de man ten behoeve van de gezamenlijke schuld een bedrag van € 197.471,52 uit eigen middelen heeft voldaan en dat de gezamenlijke schuld voor het overige is gefinancierd met een gezamenlijke hypothecaire geldlening, staat ook vast.

4.16.

Anders dan de vrouw stelt, is niet gebleken dat de overwaarde aan partijen gemeenschappelijk toekomt. De vrouw heeft niet onderbouwd dat partijen dit hebben afgesproken, ook niet nadat de man dit gemotiveerd heeft bestreden. Zij heeft slechts verwezen naar verklaringen van haar moeder en de partner van haar moeder en Whatsappberichten van de man en heeft ten aanzien van de inhoud van deze stukken bovendien ter zitting onderkend dat hieruit niet veel meer volgt dan dat de man plannen heeft (gehad) om een testament te laten opstellen en dat hierin niet wordt gerept over investeringen of vergoedingsrechten of (het antwoord op) de vraag wat er moet gebeuren als de relatie wordt beëindigd. Daar komt bij dat de vrouw op haar beurt (volledige) vergoeding vordert van een investering van € 30.000 die zij zou hebben gedaan, hetgeen niet past bij een afspraak dat ieder van partijen aanspraak heeft op de helft van de overwaarde. De vrouw heeft hier geen goede verklaring voor kunnen geven.

4.17.

Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de (betwiste) afspraak bestaat. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat partijen geen afspraken hebben gemaakt, waardoor wordt teruggevallen op (dat wat hiervoor is overwogen over) het bepaalde in artikel 6:10 BW. Dit betekent dat de man een regresvordering heeft op de vrouw voor de helft van het door hem geïnvesteerde bedrag van € 197.471,52, derhalve € 98.735,76.

4.18.

De vordering van de vrouw tot vergoeding van een bedrag van € 30.000 kan niet worden toegewezen. Aan deze vordering heeft zij (onder meer) artikel 3:172 BW ten grondslag gelegd. Daartoe stelt de vrouw dat zij ten behoeve van de woning bepaalde uitgaven heeft gedaan. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar vordering slechts wat bankafschriften zonder onderliggende facturen overgelegd. Zij heeft niet inzichtelijk gemaakt hoeveel zij heeft uitgegeven aan wat, terwijl dit bij betwisting door de man wel op haar weg lag. Ook desgevraagd ter zitting is zij hier onvoldoende op ingegaan. Namens haar is niet meer naar voren gebracht dan dat het bedrag van € 30.000 het verschil is tussen haar saldo bij aanvang van de relatie en het beëindigen daarvan. De vrouw heeft niet aangetoond met welk bedrag haar (bank)saldo in genoemde periode is verlaagd, laat staan of dit is gebeurd doordat zij kosten ten behoeve van de woning voor haar rekening heeft genomen. Hoewel tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw in overleg met de man ongeveer € 3.500 heeft uitgegeven aan een warmtepomp en een vloer in een kamer, staat daar als onweersproken tegenover dat de man vergelijkbare uitgaven heeft gedaan voor bijvoorbeeld elektra. Kortom, nu niet is komen vast te staan dat de één meer heeft bijgedragen dan de ander en de vrouw haar vordering niet deugdelijk heeft onderbouwd, kan geen sprake zijn van een vergoedingsrecht van € 30.000.

4.19.

De vordering van de vrouw tot vergoeding door de man van een bedrag van € 13.900 wordt ook afgewezen. Het is aan de vrouw om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat de man ten koste van haar ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat zij huur heeft betaald voor haar (eigen) voormalige huurwoning in [plaats 2], terwijl de man onder meer heeft aangevoerd dat hij destijds beschikte over een eigen woning. Dit kan niet worden vastgesteld aan de hand van bankafschriften die niet voldoende concreet zijn toegelicht, waarmee de vrouw ook bij deze vordering heeft willen volstaan. Het beroep op de redelijkheid en billijkheid faalt daarom eveneens.

De lasten van de woning en de gebruiksvergoeding

4.20.

Partijen zijn op grond van het bepaalde in artikel 3:172 BW ook na hun uiteengaan en dus tot aan de datum van verkoop en levering van de woning (aan de man dan wel een derde) in beginsel gehouden naar evenredigheid van hun aandeel, ieder voor de helft, bij te dragen in de eigenaarslasten van de woning. Voorts bepaalt artikel 3:169 BW dat iedere deelgenoot bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken. Dit brengt mee dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de ander gebruikt, verplicht is de ander schadeloos te stellen voor het feit dat hij geen gebruik kan maken van zijn eigendom, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding.4 Deze vergoeding wordt toegekend als de rechter dat redelijk en billijk vindt.

4.21.

In de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekking tussen partijen beheersen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de eigenaarslasten vanaf de datum van het verbreken van de relatie (2 november 2024) volledig voor rekening van de man zullen komen, omdat hij per die datum als enige over de woning heeft beschikt. Het aandeel van de vrouw hierin, evenals haar aandeel in de hypotheekrente, zal worden weggestreept tegen de maandelijkse gebruiksvergoeding die de man aan de vrouw verschuldigd is. Partijen hebben ter zitting te kennen gegeven zich hiermee te kunnen verenigen.

4.22.

Dit betekent dat de hypotheekrente die de vrouw heeft betaald in de periode van 2 november 2024 tot en met mei 2025, onverschuldigd is betaald. De rechtbank kan de man niet verplichten om dit bedrag aan de vrouw terug te betalen, omdat de vrouw geen vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling heeft ingesteld. Het ligt echter voor de hand dat de vrouw deze vordering nader zal onderbouwen, en dat dit zal worden verrekend bij verkoop van (het aandeel van de vrouw in de woning aan de man althans verkoop van) de woning (aan een derde). De hypotheekaflossingen komen ten goede van degene die die heeft betaald. De vrouw heeft afgelost tot en met mei 2025. Alles wat daarna is betaald, heeft de man betaald.

4.23.

De door de vrouw gevorderde inzage in teruggaven van gemeentelijke belastingen, energielasten en overige teruggave met betrekking tot de woning behoeft hiermee geen bespreking meer. Daarbij komt dat de man ondanks zijn gemotiveerde verweer niettemin stukken heeft overgelegd, ten aanzien waarvan de vrouw niet heeft weersproken dat de door haar bedoelde inzage daarmee is gegeven.

De leaseovereenkomst

4.24.

De vrouw maakt dagelijks gebruik van de (lease)auto en wil deze aan het eind van de looptijd misschien overnemen. Daarom wil zij de leaseovereenkomst graag uitdienen. De man wil dit liever niet, omdat de overeenkomt zijn financieringsmogelijkheden beperkt.

4.25.

Het is niet mogelijk de leaseovereenkomst voor afloop van de looptijd op één naam te zetten. Bij tussentijdse beëindiging moet er een boete worden betaald, die de vrouw naar eigen zeggen nu niet kan betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw de maandelijkse termijnen altijd voor haar rekening heeft genomen. Omdat de vrouw heeft bevestigd dat zij dit zal blijven doen en bereid is de man hiervoor te vrijwaren, komt het de rechtbank niet onredelijk voor om de leaseovereenkomst te laten uitdienen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de overeenkomst nog ongeveer een jaar loopt en dat de man niet heeft betwist dat de vrouw belang heeft bij het gebruik van de auto. De man heeft in het kader van zijn vordering om de woning toegedeeld te krijgen, bovendien betoogd dat hij (al weet dat hij) financieel in staat is de woning over te nemen. Dit is weliswaar berekend op basis van de oude taxatiewaarde, maar tegelijkertijd geldt dat inmiddels is komen vast te staan dat (de helft van) de investering van de man van € 197.471,52 zal terugkomen, waardoor wellicht extra ruimte zal ontstaan.

Dwangsommen

4.26.

De door de vrouw gevorderde dwangsommen zullen niet worden toegewezen, omdat de man zijn medewerking heeft toegezegd. De rechtbank zal bovendien bepalen dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van het deel van de opdracht aan de makelaar, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit blijkt dat de man of vrouw opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt of (mede) levert, indien een van partijen zijn of haar medewerking niet binnen de hiervoor genoemde termijnen verleent.

Proceskosten

4.27.

Nu partijen ex-partners zijn en er belang bij hebben dat de woning wordt verdeeld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

5.1.

stelt de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning van partijen als volgt vast:

5.2.

partijen geven binnen een week na datum van dit vonnis samen opdracht aan [makelaarskantoor] B.V. te [plaats 1] (‘de makelaar’) om de woning zo spoedig mogelijk te taxeren. Beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn. De makelaar stelt de actuele vrije verkoopwaarde voor partijen bindend vast. Partijen moeten ieder de helft van de kosten van de taxatie betalen;

primair: toedeling van de woning aan de man

5.3.

de woning wordt toegedeeld aan de man tegen de door de makelaar te taxeren waarde, onder de opschortende voorwaarde dat hij binnen drie maanden nadat de makelaar de waarde heeft vastgesteld, aan de vrouw aantoont dat hij in staat is de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en haar kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld;

5.4.

als aan de hiervoor genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de vrouw haar aandeel in de woning uiterlijk binnen een maand na het moment waarop de man aantoont dat hij de benodigde financiering kan verkrijgen, bij een door de man aan te wijzen notaris leveren aan de man. De vrouw verkrijgt hierdoor een vordering uit hoofde van overbedeling op de man. Deze vordering is gelijk aan de helft van de som van de taxatiewaarde verminderd met (i) de actuele hypotheekschuld; (ii) een bedrag van € 98.735,76 (50% van € 197.471,52) en (iii) 50% van het bedrag dat de man per 1 juni 2025 heeft voldaan aan de aflossingen op de gezamenlijke hypotheek. Het totaalbedrag moet de man ten tijde van de levering bij de notaris aan de vrouw betalen. De man moet in dit geval de kosten betalen van de levering bij de notaris van (het aandeel van de vrouw in) de woning aan hem;

subsidiair: verkoop van de woning aan een derde

5.5.

indien en voor zover niet wordt voldaan aan de hiervoor onder 5.3 genoemde voorwaarden, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde. Om dit te realiseren zullen partijen gezamenlijk binnen twee weken nadat blijkt dat de man de benodigde financiering niet kan verkrijgen, een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraag- en laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;

5.6.

partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder (maar niet beperkt tot):

  1. het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het laten bezichtigen van de woning door potentiële kopers;

  2. partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. Ook tekenen zij op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij een door de koper aangewezen notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;

  3. partijen betalen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering van de woning aan een derde;

  4. partijen zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd;

5.7.

verklaart voor recht dat de man een regresvordering heeft op de vrouw ter hoogte van € 98.735,76 (50% van € 197.471,52) en veroordeelt de vrouw om dit bedrag bij de verdeling van de gezamenlijke woning aan de man te voldoen uit haar aandeel van de overwaarde;

5.8.

bepaalt dat de man een regresvordering op de vrouw heeft ter hoogte van 50% van het bedrag dat hij per 1 juni 2025 heeft voldaan aan de aflossingen op de gezamenlijke hypotheek en veroordeelt de vrouw om dit bedrag bij de verdeling van de gezamenlijke woning aan de man te voldoen uit haar aandeel van de overwaarde;

5.9.

na verrekening van de regresvorderingen van de man op de vrouw (rov. 5.7 en 5.8) zal de alsdan resterende (netto) verkoopopbrengst van de woning tussen partijen gelijkelijk worden verdeeld;

zowel in geval van toedeling van (het aandeel van de vrouw in) de woning aan de man als in geval van verkoop van de woning aan een derde:

5.10.

bepaalt dat wanneer een van partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijnen zijn of haar medewerking verleent aan de verkoop en levering van de woning (aan de man althans een derde), treedt dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats van het deel van de opdracht aan de makelaar, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële leveringsakte, waaruit blijkt dat de man of vrouw opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt dan wel (mede) levert aan de koper;

overig

5.11.

bepaalt dat de eigenaarslasten vanaf 2 november 2024 volledig voor rekening komen van de man, omdat hij per die datum als enige over de woning beschikt. Het aandeel van de vrouw hierin, evenals haar aandeel in de hypotheekrente, zal worden weggestreept tegen de maandelijkse gebruiksvergoeding die de man aan de vrouw verschuldigd is;

5.12.

bepaalt dat de gezamenlijke leaseovereenkomst die partijen hebben gesloten met FCA Capital (contractnummer [nummer]) zal worden voortgezet tot aan het einde van de looptijd. De vrouw is in de verhouding met de man voor deze schuld volledig draagplichtig en zal de man ter zake vrijwaren. De vrouw heeft aan het einde van de leaseovereenkomst als enige de mogelijkheid om de auto van de leasemaatschappij over te nemen;

5.13.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij in conventie en in reconventie de eigen proceskosten draagt;

5.14.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.15.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

Type: 2513.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »