RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724045 / KG ZA 26-814
Vonnis in kort geding van 2 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. S.A.E. van Poppel,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. K. el Joghrafi.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 augustus 2026 met vijf bijlagen;- de conclusie van antwoord met één bijlage;- de mondelinge behandeling van 24 september 2026.
2 De zaak in het kort
[eiser] en [gedaagde] hadden een affectieve relatie. Uit die relatie zijn twee – thans nog minderjarige – kinderen geboren. Die relatie is medio 2025 geëindigd. Partijen hebben op dit moment nog een woning in gezamenlijke eigendom, ieder voor de onverdeelde helft. In deze procedure vordert [eiser] het tijdelijk exclusieve gebruik van de woning, de verkoop van de woning aan een derde en een voorlopige omgangsregeling ten aanzien van de kinderen. In reconventie vordert [gedaagde] eveneens een voorlopige omgangsregeling. Partijen hebben voor een deel afspraken kunnen maken. De overige vorderingen wijst de voorzieningenrechter af.
3 De vorderingen in conventie en reconventie
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. bepaalt dat [eiser] met ingang van één week na betekening van dit vonnis en voor de duur van één jaar, doch uiterlijk tot datum levering van de koopwoning aan de koper(s), met uitsluiting van [gedaagde] gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , met inbegrip van de zich daarin bevindende inboedel;
II. [gedaagde] veroordeelt om de woning binnen één week na betekening van het vonnis te verlaten, met medeneming van uitsluitend diens roerende zaken, en de woning daarna niet meer te betreden zonder uitdrukkelijke toestemming van [eiser] ;
III. [gedaagde] veroordeelt om bij het verlaten van de woning alle sleutels aan [eiser] af te geven;
IV. bepaalt dat er een voorlopige omgangsregeling geldt tussen [eiser] en de minderjarige kinderen, waarbij:
Primair: de kinderen van maandagochtend tot en met vrijdagmiddag in de daaropvolgende week bij [eiser] in de gemeenschappelijke woning verblijven en van vrijdagmiddag, uit school, tot maandagochtend, naar school, bij [gedaagde] ;
Subsidiair: indien het exclusief gebruiksrecht van de koopwoning niet aan [eiser] wordt toegekend, bepaalt dat de kinderen één keer in de twee weken van vrijdagmiddag tot en met maandagochtend bij [eiser] zijn, waarbij [eiser] de kinderen op vrijdag op school ophaalt en op maandag naar school brengt en de kinderen elke schoolvakantie de helft van de tijd bij [eiser] verblijven;
V. [gedaagde] veroordeelt om volledige medewerking te verlenen aan het in de verkoop brengen en verkopen, in de breedste zin van het woord, van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , waarbij partijen binnen twee weken na dit vonnis een makelaar benaderen om de verkoop ter hand te nemen, waarbij de woning zo spoedig mogelijk wordt geleverd aan een derde en de overwaarde, na aftrek van de hypothecaire geldlening en de verkoopkosten, tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld;
VI. bepaalt dat, indien partijen niet in onderling overleg tot een keuze kunnen komen voor een makelaar binnen één week na afgifte van deze beschikking, [makelaar] te [plaats] als makelaar wordt aangesteld voor de verkoop van de woning en te bepalen dat de makelaar bindend kan adviseren in de vraag- en verkoopprijs alsmede de oplevertermijn;
VII. bepaalt dat [gedaagde] haar medewerking dient te verlenen aan het in de verkoop brengen en verkopen van voornoemde woning en indien [gedaagde] niet binnen de gestelde termijnen, meewerkt aan de verkoop en/of levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , verzoekt [eiser] deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats te laten treden van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door [gedaagde] van de opdracht tot dienstverlening voor de makelaar, alsmede de koopovereenkomst en van de door de notaris op te stellen akte van levering;
VIII. bepaalt dat [gedaagde] uiterlijk één dag voor de met een derde overeengekomen leveringsdatum de woning dient te ontruimen met al haar spullen en met afgifte van de sleutels aan de makelaar, waarbij de woning in nette en opgeruimde staat aan de koper(s) dient te worden opgeleverd;
IX. bepaalt dat [gedaagde] bij niet-naleving van het onder I tot en met VIII bepaalde een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan na betekening van dit vonnis.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Ook vordert [gedaagde] in reconventie een voorlopige omgangsregeling waarbij de kinderen eenmaal per 14 dagen van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij [eiser] verblijven, waarbij [eiser] de kinderen ophaalt en terugbrengt.
4 De beoordeling
Het toetsingskader in kort geding
Het gaat hier om in kort geding in conventie en reconventie gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of [eiser] , respectievelijk [gedaagde] bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
Partijen maken afspraken over de voorlopige omgangsregeling
De voorzieningenrechter begint met vordering IV van [eiser] en de reconventionele vordering van [gedaagde] die zien op de voorlopige omgangsregeling. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling akkoord bereikt over de voorlopige omgangsregeling. Het bereikte akkoord komt neer op een voortzetting van de huidige situatie, te weten dat de kinderen eenmaal per 14 dagen van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur bij [eiser] verblijven, waarbij [eiser] de kinderen ophaalt en terugbrengt naar [gedaagde] .
De voorzieningenrechter begrijpt partijen aldus dat zij deze afspraak wensen op te nemen in het dictum. In het dictum van dit vonnis zal daarom naar deze afspraak worden verwezen.
De vordering tot het exclusieve gebruik van de woning is ingetrokken
Ten aanzien van vorderingen I tot en met III kan de voorzieningenrechter kort zijn. [eiser] heeft deze vorderingen tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Deze vorderingen behoeven dus geen inhoudelijke behandeling meer.
De vordering tot verkoop van de woning wordt afgewezen
Tot slot de vordering tot gedwongen verkoop van de gezamenlijke woning. Deze vordering wordt afgewezen.
[eiser] wil dat de gemeenschappelijke woning wordt verkocht, zodat hij in staat wordt gesteld om zelf een andere woning te kopen. [gedaagde] wil zelf de woning overnemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] laten weten ermee akkoord te zijn om [gedaagde] een termijn van drie maanden te geven om uit te zoeken wat haar mogelijkheden zijn om de woning over te nemen. [gedaagde] heeft in dit kader uitgelegd dat zij niet kan instemmen met een termijn van drie maanden omdat zij niet weet wat het beloop is van de schulden van [eiser] en, in het verlengde daarvan, welke vorderingen [eiser] eventueel op haar heeft. Dit kan effect hebben op de verdeling van de overwaarde van de woning en dus op haar financiering.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het is voor zowel [eiser] als [gedaagde] in dit stadium volstrekt onduidelijk wat de mogelijkheden zijn van [gedaagde] om de woning over te nemen. Ook het bepalen van een termijn waarbinnen [gedaagde] moet onderzoeken of zij de woning kan overnemen, acht de voorzieningenrechter weinig zinvol. Dat komt omdat [gedaagde] voor haar financiering afhankelijk is van de vraag of zij nog schulden heeft aan [eiser] . Die schulden kunnen haar aandeel in de overwaarde van de woning verminderen, waardoor zij extra financiering nodig zal hebben. Bij die stand van zaken is het nu prematuur om de door [eiser] gevraagde voorzieningen te treffen, zeker omdat toewijzing daarvan grote gevolgen heeft, niet alleen voor [gedaagde] maar ook voor de kinderen. Duidelijk is dat er huiswerk ligt bij partijen (en hun advocaten). Pas als dat huiswerk is gedaan en duidelijk is dat [gedaagde] de woning niet kan overnemen, waarna zij geen medewerking verleent aan de verkoop ervan, is denkbaar dat reden bestaat voor toewijzing van een voorziening zoals gevorderd. Vorderingen V tot en met VIII worden daarom afgewezen.
Gezien al het voorgaande wordt ook de in vordering IX gevorderde dwangsom afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en reconventie
constateert dat partijen de in punt 4.2 opgenomen afspraak hebben gemaakt ten aanzien van de voorlopige omgangsregeling,
wijst de overige vorderingen af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026 4041/1980