RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/793487 / KG ZA 26-797 NB/GR
Proces-verbaal van mondeling vonnis in kort geding van 15 september 2026 (deel 2)
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 10 september 2026,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J. du Bois,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2] (Portugal),
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. H. Vosmeijer.
1 De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 15 september 2026 verscheen [eiser] met mr. Du Bois. Namens [gedaagde] verscheen mr. Vosmeijer via een digitale videoverbinding. [eiser] heeft de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie. [eiser] heeft verweer gevoerd tegen de reconventionele vorderingen en een pleitnota in het geding gebracht (en deels voorgedragen). Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten. In verband met de spoedeisendheid van de zaak heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan. In verband met de spoedeisendheid van de zaak wordt het proces-verbaal van de uitspraak in twee delen afgegeven, te weten één deel met de beslissing en het onderhavige deel met de verdere uitwerking. Dit laatste deel volgt uiterlijk op 29 september 2026.
2 Inleiding
Partijen zijn in 2010 getrouwd in Portugal. Bij beschikking van 15 augustus 2025 is door deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld (hierna: de beschikking). Tot de gemeenschap behoort onder meer een woning aan [adres] (hierna: de woning), waar [eiser] na de scheiding is blijven wonen, alsmede een woning in Portugal, waar [gedaagde] thans woont. Ten aanzien van deze woningen zijn in de beschikking twee spoorboekjes opgenomen om tot verdeling te komen. De rechtbank besliste ten aanzien van de woning, uitvoerbaar bij voorraad, dat “indien binnen of na verloop van [een, vzr] periode van in totaal vier maanden blijkt dat de vrouw de woning niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de vrouw, […, vzr] de woning [dient, vzr] te worden verkocht en geleverd aan een derde”. [eiser] heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking, zonder een aparte grief te richten tegen de aan haar gegunde termijn om de woning over te kunnen nemen; zij heeft het hof verzocht te bepalen dat zij in de woning kan blijven wonen.
[eiser] heeft [gedaagde] op 4 juni 2026 bij deze rechtbank in kort geding gedagvaard met als inzet een deugdelijke taxatie van de woning in Portugal zodat de verdeling daarvan kan worden voltooid. Bij vonnis van 13 juli 2026 is – in reconventie – aan [gedaagde] vervangende toestemming verleend om makelaar Kitty Blank opdracht te geven de woning in [plaats] te verkopen. Daarbij is [eiser] op straffe van een dwangsom veroordeeld haar medewerking te verlenen aan alle handelingen en toestemmingen die Kitty Blank in het kader van het verkoopproces nodig acht. Het kortgedingvonnis van 13 juli 2026 heeft kracht van gewijsde.
Op 10 september 2026 heeft [gedaagde] een bod van € 732.000,00 op de woning van een derde geaccepteerd.
[eiser] stelt in de dagvaarding dat sprake is van een nieuwe ontwikkeling. Zo heeft de ABN AMRO bank op 11 september 2026 een nieuwe hypotheekofferte uitgebracht. Die offerte heeft betrekking op de woning en gaat uit van een marktwaarde van € 625.000,00 met een huidige hypotheek van € 108.396,69. Daarnaast wordt aan [eiser] een bedrag van € 88.000,00 aan aanvullende financiering aangeboden. Bij brief van 11 september 2026 heeft ABN AMRO aan [eiser] het volgende laten weten: “Gelet op het bovenstaande vertrouw ik erop dat deze offerte voldoende basis biedt om de woning aan mevrouw [eiser] toe te delen en de verdere afwikkeling van de verdeling mogelijk te maken.” De offerte dient uiterlijk 25 september 2026 te worden geaccepteerd.
3 Het geschil
in conventie
Na wijziging en vermeerdering van eis vordert [eiser]:
primair
I. de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam van 13 juli 2026, gewezen onder zaaknummer C/13/787793 / KG ZA 26-396 MK/EV, te schorsen voor zover die tenuitvoerlegging strekt tot voortzetting van het verkoopproces en verkoop en levering van de woning aan de [adres] aan een derde, gedurende een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn waarbinnen de overname en toedeling van de woning aan haar kan worden geëffectueerd;
II. [gedaagde] te veroordelen zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overname, toedeling en levering van de woning aan haar, waaronder begrepen het tijdig ondertekenen van alle voor de overname, toedeling en levering noodzakelijke stukken en akten en het verrichten van alle overige handelingen die voorde financiële en notariële afwikkeling van de overname noodzakelijk zijn;
III. voor het geval [gedaagde] de onder II bedoelde medewerking niet of niet tijdig verleent, aan haar vervangende toestemming te verlenen en haar te machtigen om de voor de overname, toedeling en levering van de woning aan haar noodzakelijke handelingen te verrichten zonder nadere medewerking van [gedaagde], alsmede te bepalen dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor de overname, toedeling en levering vereiste toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde];
IV. [gedaagde] te gebieden gedurende de onder l bedoelde schorsing iedere verdere handeling gericht op verkoop en levering van de woning aan een derde achterwege te laten en, voor zover noodzakelijk, zijn medewerking te verlenen aan het stilleggen van het verkooptraject, waaronder begrepen het instrueren van Kitty Blank Makelaardij om het verkooptraject gedurende de schorsing niet voort te zetten;
V. te bepalen dat gedurende de onder l bedoelde schorsing geen dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 13 juli 2026 door haar worden verbeurd wegens het niet verlenen van medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan een derde;
subsidiair
VI. voor het geval de Voorzieningenrechter van oordeel is dat de verkoop en levering van de woning aan [adres] aan een derde doorgang dient te vinden, [gedaagde] te veroordelen zijn volledige medewerking te verlenen aan het te gelde maken van zijn aandeel in de woning in Portugal, waaronder, voor zover rechtens mogelijk, begrepen het verlenen van zijn medewerking aan de verkoop en levering van zijn aandeel daarin;
VII. een zodanige voorziening te treffen als de Voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht, teneinde haar gedurende een korte en afgebakende termijn in staat te stellen de thans door ABN AMRO aangeboden financiering te effectueren en vervolgens de overname, toedeling en levering van de woning aan haar te voltooien; en
VIII. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
[gedaagde] voert verweer.
in reconventie
[gedaagde] vordert:
-
hem te machtigen/vervangende toestemming te verlenen om namens [eiser] opdracht te verstrekken aan makelaar Kitty Blank het verkooptraject met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] te voltooien en daarbij alle handelingen namens haar te verrichten in verband met het voltooien van het verkoopproces door of vanwege de verkoopmakelaar nodig zijn;
-
hem te machtigen/vervangende toestemming te verlenen voor de levering van de onder i. genoemde onroerende zaak aan de koper;
-
[eiser] te gebieden uiterlijk drie weken voor de geplande levering aan koper de woning te ontruimen en te verlaten en deze ontruimd te houden, onder afgifte van alle sleutels aan hem/Kitty Blank makelaar;
-
[eiser] te veroordelen haar medewerking te verlenen aan alle handelingen in verband met (herstel)werkzaamheden die in het kader van het verkoopproces door of vanwege de verkoopmakelaar nodig zijn in en om de onder i. genoemde woning;
-
aan de veroordelingen genoemd onder iii. en iv. een dwangsom te verbinden van € 2.500 per dag of deel daarvan dat [eiser] daaraan niet voldoet;
-
voor het geval [eiser] niet aan de veroordeling genoemd onder iii. voldoet, hem te machtigen te bewerkstelligen dat zij met behulp van de deurwaarder en de sterke arm van politie en justitie op haar eigen kosten zal worden ontruimd;
-
te bepalen dat de kosten in verband met de makelaar, herstelwerkzaamheden en de levering voor rekening van partijen ieder voor de helft komen; en
-
[eiser] te veroordelen in de reële proceskosten ad € 10.000.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling in conventie en reconventie
De vorderingen in conventie worden alle afgewezen. Er ligt een beschikking van 15 augustus 2025 en daarin is het onderhavige geschil onherroepelijk beslist. De beschikking heeft dus, in zoverre gezag van gewijsde.
Nadien is [eiser] een executiegeschil gestart, waarin op 13 juli 2026 vonnis is gewezen door de kortgedingrechter van deze rechtbank, met als uitkomst dat de executie van de beschikking niet wordt geschorst.
In deze procedure vraagt [eiser] opnieuw om de tenuitvoerlegging van de beschikking te schorsen. Zij stelt dat sprake is een ‘novum’, een nieuwe omstandigheid waardoor [gedaagde] misbruik van bevoegdheid maakt als de beschikking en/of het vonnis van 13 juli 2026 ten uitvoer wordt/worden gelegd. Dat novum komt er dan op neer dat [eiser] inmiddels wél financiering heeft gekregen voor € 625.000,00, c.q. het bedrag dat zij voor de woning wil betalen. In de beschikking staat nu juist dat [eiser] overname van de woning binnen een bepaalde termijn, die inmiddels is verstreken, moet realiseren. Vanaf dat moment had en heeft [gedaagde] het recht om de woning te verkopen volgens het spoorboekje. Daar is hij nu (bijna) in geslaagd en zelfs tegen een koopsom die € 107.000 hoger ligt dan het door [eiser] geboden bedrag; vrijdag 18 september 2026 vindt ondertekening van de koopovereenkomst plaats bij de notaris. Middels deze procedure wordt [gedaagde] daarin echter gedwarsboomd, terwijl het novum dat [eiser] nu aanvoert niet relevant is. De door de bodemrechter aan [eiser] gegunde termijn om de woning van [gedaagde] over te nemen, heeft zij immers ongebruikt laten verstrijken.
[eiser] kan zich daarom niet verzetten tegen verkoop van de woning aan een derde overeenkomstig de beschikking van 15 augustus 2025.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [eiser] deze procedure lichtvaardig en zonder grond is gestart, is aan haar zijde sprake van misbruik van bevoegdheid. Dat zou een reële proceskostenveroordeling kunnen rechtvaardigen, ware het niet dat [gedaagde] geen specificatie van zijn advocaatkosten in het geding heeft gebracht. Daarom wordt de kostenveroordeling beperkt tot het forfaitaire bedrag van de proceskosten.
In reconventie wordt aan [gedaagde] vervangende toestemming verleend om namens [eiser] het verkooptraject te voltooien, zoals onder i. gevorderd. [gedaagde] hoeft niet wederom het risico te lopen dat hij afhankelijk is van de medewerking van [eiser]. Hij heeft immers al drie procedures achter de rug in het kader van de afwikkeling. Voor het leveren van de woning aan een derde, zoals onder ii. gevorderd, wordt ook vervangende toestemming verleend.
De ontruiming, zoals onder iii. gevorderd, zal worden toegewezen, met de sterke arm; dus als [eiser] niet meewerkt aan de ontruiming van de woning drie weken vóór levering aan een derde, dan heeft [gedaagde] het recht daarvoor de deurwaarder en de politie in te schakelen. [eiser] zal conform vordering iv. worden veroordeeld mee te werken aan de (herstel)werkzaamheden aan de woning die de makelaar noodzakelijk acht, op straffe van de onder v. gevorderde dwangsom; welke gelet op de inkomenspositie van [eiser] wordt gematigd tot € 250 per dag, met een maximum van € 25.000.
Vordering vii. zal worden afgewezen, omdat die niet thuishoort in kort geding. Dat is iets voor de bodemrechter, daar het gaat over de verdeling van de kosten en de afwikkeling van de gemeenschap. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de makelaar betaald zal worden uit de overwaarde.
De proceskostenveroordeling zoals onder viii. gevorderd, wordt op dezelfde grond toegewezen als de proceskostenveroordeling in conventie toewijsbaar werd geacht.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor het salaris advocaat in reconventie wordt aangesloten bij het tarief voor een eenvoudig kort geding (inclusief verstekzaken en zaken die tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren) De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ 341,00 |
|
- salaris advocaat conventie |
€ 1.177,00 |
|
- salaris advocaat reconventie |
€ 760,00 |
|
- nakosten |
€ 296,00 |
|
Totaal |
€ 2.574,00 |
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
weigert de gevraagde voorzieningen,
in reconventie
verleent [gedaagde] toestemming om namens [eiser] opdracht te verstrekken aan makelaar Kitty Blank het verkooptraject met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] te voltooien en daarbij alle handelingen namens haar te verrichten in verband met het voltooien van het verkoopproces die door of vanwege de verkoopmakelaar nodig zijn,
verleent [gedaagde] vervangende toestemming voor de levering van de onder 5.2. genoemde onroerende zaak aan de koper,
gebiedt [eiser] uiterlijk drie weken voor de geplande levering aan koper de woning te ontruimen en te verlaten en deze ontruimd te houden, onder afgifte van alle sleutels aan [gedaagde] dan wel verkoopmakelaar Kitty Blank,
machtigt [gedaagde] de ontruiming met behulp van de deurwaarder en de sterke arm van politie en justitie op kosten van [eiser] te bewerkstelligen indien zij niet aan de veroordeling onder 5.4. voldoet,
veroordeelt [eiser] haar medewerking te verlenen aan alle handelingen in verband met (herstel)werkzaamheden die in het kader van het verkoopproces volgens de verkoopmakelaar nodig zijn in en om de onder 5.2. genoemde woning;
veroordeelt [eiser] tot betaling van een dwangsom van € 250 per dag indien zij niet aan de veroordeling onder 5.6. voldoet, tot een maximum van € 25.000,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.574,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.