ECLI:NL:RBOVE:2026:5885

Datum uitspraak
22-09-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
11960132 \ CV EXPL 25-3334
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser stelt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst en vordert achterstallig loon. Daarnaast beroept hij zich op een retentierecht en houdt schilderijen van gedaagde onder zich. Gedaagde stelt dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarnaast vordert ze schadevergoeding van eiser vanwege het overnemen van klanten en vordert ze afgifte van de schilderijen. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat eiser recht heeft op loon. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat eiser moet betalen voor de overgenomen klanten en dat de schilderijen terugggeven moeten worden. Na verrekening van de vorderingen over en weer moet eiser nog een bedrag een gedaagde betalen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 11960132 \ CV EXPL 25-3334

Vonnis van 22 september 2026

in de zaak van

[partij A] , handelend onder de naam [bedrijf 1],

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna: [partij A],

gemachtigde: mr. S.K. Tuithof,

tegen

[partij B] , handelend onder de naam [bedrijf 2],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

hierna: [partij B],

gemachtigde: mr. A.J.A.M. Veen-Brom.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 30 oktober 2025,

  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie,

  • de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

  • de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis,

  • de akte vermeerdering van eis van [partij A],

  • aanvullende producties van [partij B] die zien op de beslaglegging van de schilderijen,

  • de akte wijziging van eis van [partij B], en

  • de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[partij B] en [partij A] zijn moeder en zoon. [partij B] voert een administratiekantoor. In 2023 werd zij ernstig ziek. [partij A] en [partij B] hebben daarna gesprekken gevoerd over het overnemen van het administratiekantoor door [partij A]. Op advies van een fiscaal jurist is [partij A] in 2023 op de loonlijst van [partij B] gezet.

2.2

Vervolgens is [partij A] door [partij B] geplaatst bij een klant van [partij B] voor twee dagen per week voor het uitvoeren van werkzaamheden voor die klant. Nadat de klant deze opdracht beëindigde heeft [partij B] [partij A] opdracht gegeven om klanten te acquireren.

2.3

Op enig moment daarna is de relatie tussen partijen – ernstig - verslechterd. De tussen partijen overeengekomen samenwerking is per email van 24 november 2024 opgezegd tegen 31 december 2024. Na deze beëindiging is [partij A] zijn eigen administratiekantoor begonnen en heeft hij een aantal klanten overgenomen van [partij B].

Na de beëindiging van hun samenwerking zijn partijen in conflict geraakt over de financiële afwikkeling van hun samenwerking.

2.4

Partijen huurden een opslagbox bij AllSafe in Enschede. In de opslagbox bevonden zich vier schilderijen van [partij B]. Deze schilderijen is [partij A] onder zich gaan houden, met een beroep op een retentierecht. [partij B] heeft vervolgens conservatoir beslag laten leggen op de schilderijen. De schilderen bevinden zich nu in gerechtelijke bewaring.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1

Na vermeerdering van eis vordert [partij A]– samengevat –

  • veroordeling van [partij B] tot betaling van € 24.552,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 22.781,66;

  • een verbod voor [partij B] om klanten van [partij A] te benaderen op straffe van een dwangsom van € 250,– per overtreding en per dag met een maximum van € 5.000,–;

  • veroordeling van [partij B] in de proceskosten en – ten slotte –

  • opheffing van het door [partij B] gelegde conservatoire beslag op de vier schilderijen.

Ter zitting heeft [partij A] zijn vordering verminderd met een bedrag van € 2.203,–.

3.2

Volgens [partij A] kwalificeren de tussen partijen gemaakte afspraken als een arbeidsovereenkomst en heeft hij over het jaar 2024 nog recht op € 12.319,46 bruto aan loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging. Daarnaast vordert [partij A] vergoeding van diverse kosten die hij heeft moeten maken en waarvoor hij [partij B] aansprakelijk stelt.

3.3

[partij B] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure. Volgens [partij B] is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst en heeft [partij A] geen recht op betaling van loon. Ook de andere vorderingen worden door [partij B] betwist.

3.4

[partij B] vordert in reconventie – samengevat – en na wijziging van eis

  • veroordeling van [partij A] tot betaling van de door [partij B] geleden schade ter hoogte van € 74.180,75, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • een verklaring voor recht dat [partij A] geen retentierecht heeft op de schilderijen die zich in gerechtelijke bewaring bevinden bij de deurwaarder;

  • te bepalen dat de betreffende schilderijen aan [partij B] dienen te worden afgegeven en – voor zover vereist – te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de toestemming of medewerking van [partij A] tot afgifte van de schilderijen, en

  • veroordeling van [partij A] in de proceskosten in de beslagprocedure en deze procedure.

3.5

Volgens [partij B] heeft [partij A] klanten van [partij B] overgenomen zonder daarvoor te betalen. Als gevolg daarvan vordert [partij B] schadevergoeding. [partij A] heeft erkend dat hij moet betalen voor de overgenomen klanten, maar hij betwist de hoogte van de door [partij B] gevorderde schadevergoeding.

3.6

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

De vorderingen van [partij A]

4.1

De kantonrechter onderzoekt eerst wat partijen precies hebben afgesproken en of deze afspraken kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. Wat partijen hebben afgesproken moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedoeling van partijen en de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. Vervolgens moet worden beoordeeld of deze rechten en plichten voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.

Partijen zijn een arbeidsovereenkomst overeengekomen

4.2

Een arbeidsovereenkomst bestaat uit drie elementen, er moet sprake zijn van (1) de verplichting tot het verrichten van arbeid, (2) loon en (3) een gezagsverhouding.

4.3

Partijen hebben afgesproken dat [partij A] werkzaamheden zou verrichten voor [partij B] en dat [partij A] daarvoor een financiële vergoeding zou ontvangen. Bovendien blijkt uit de door [partij B] en [partij A] gegeven toelichting dat [partij B] degene was die [partij A] instructies gaf. Zo moest [partij A] in opdracht van [partij B] bij een specifieke klant van [partij B] werkzaamheden verrichten. Toen deze klant wegviel, moest [partij A] in opdracht van [partij B] nieuwe klanten acquireren. In een familiaire relatie wordt weliswaar minder snel een gezagsverhouding aangenomen, maar uit de hiervoor genoemde omstandigheden blijkt dat er desondanks sprake was van gezagsverhouding.

4.4

Met deze afspraken is voldaan aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst zoals die hiervoor al zijn opgesomd. Dat partijen niet de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst te sluiten – zoals [partij B] stelt – doet daar niets aan af: als de gemaakte afspraken voldoen aan de vereisten van een arbeidsovereenkomst, dan is er simpelweg sprake van een arbeidsovereenkomst.

4.5

[partij A] heeft een kopie overgelegd van een door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst. [partij B] heeft de echtheid van haar handtekening op de kopie uitdrukkelijk betwist. De kantonrechter laat – gelet op wat hiervoor onder 4.3en 4.4 is overwogen – een bewijsopdracht over de echtheid van die handtekening achterwege, nu al op andere wijze is komen vast te staan dat de tussen partijen gemaakte afspraken kwalificeren als een arbeidsovereenkomst.

[partij A] heeft recht op loon

4.6

Partijen zijn het erover eens dat hun samenwerking is geëindigd op 31 december 2024. Nu sprake was van een arbeidsovereenkomst had [partij A] tot dat moment recht op betaling van loon.

Volgens [partij A] bedroeg het loon € 2.500,– bruto per maand, [partij B] stelt dat sprake was van een vergoeding van € 2.250,– bruto per maand. Uit de toelichting van partijen ter zitting is gebleken dat zij maandelijks afspraken welk bedrag [partij A] ontving en dat de hoogte van dat bedrag afhankelijk was van de liquiditeit van de onderneming van [partij B]. [partij A] heeft een overzicht van het maandelijks nettoloon over het jaar 2024 overgelegd (Dagvaarding: productie 6) en welke netto bedragen hij al heeft ontvangen. [partij B] heeft dat overzicht niet betwist.

De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van dat overzicht. Volgens [partij A] komt het netto bedrag van € 11.611,34 overeen met een bedrag van € 12.319,46 bruto. Dat betekent dat [partij A] nog recht heeft op betaling van loon over het jaar 2024 ter hoogte van € 12.319,46 bruto.

Wettelijke verhoging

4.7

Nu [partij A] recht heeft op betaling van loon en dat loon te laat is betaald, is [partij B] de wettelijke verhoging verschuldigd over het te laat betaalde loon. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. Uit de toelichting van partijen is gebleken dat [partij A] steeds loon ontving als er voldoende liquiditeit was binnen de onderneming van [partij B]. Bovendien heeft [partij A] niet betwist dat [partij B] door zijn toedoen een (opdracht van een) klant heeft verloren, waardoor [partij B] een behoorlijke omzet misliep, die – mede – bedoeld was om het loon van [partij A] te betalen. Dit betreft weliswaar omstandigheden in de risicosfeer van een werkgever, maar gezien de omvang van de onderneming, het feit dat [partij A] wist dat de liquiditeit niet altijd toereikend was en daar eerder geen probleem van maakte én de familieverhouding tussen partijen, acht de kantonrechter een matiging van de wettelijke verhoging billijk.

De nevenvorderingen van [partij A] worden afgewezen

4.8

Naast de loonvordering vordert [partij A] betaling van diverse geldbedragen die hij stelt te goed te hebben van [partij B]. [partij A] heeft als productie 18 een Excel-overzicht overgelegd waarin verschillende bedragen zijn opgesomd. Een deel van deze vorderingen heeft [partij A] ter zitting ingetrokken. Resterend vordert [partij A] een bedrag van € 540,– aan rente voor een geldlening die hij heeft afgesloten omdat hij geen loon heeft ontvangen. Verder vordert hij voor de huur van een opslagbox een bedrag van € 522,–. Tot slot vordert [partij A] meerdere bedragen voor uitgevoerde werkzaamheden voor diverse klanten. Voor die werkzaamheden bedraagt de vordering in totaal € 6.531,40.

4.9

Uit het door [partij A] overgelegde overzicht blijkt niet op grond waarvan [partij B] gehouden is de bedragen aan [partij A] te betalen. [partij A] heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan [partij B] gehouden is om de rente van een geldlening te betalen die [partij A] heeft afgesloten en evenmin op grond waarvan [partij B] de helft van de huur van de opslagbox moet betalen: niet gebleken is dat partijen daarover afspraken hebben gemaakt. Bovendien heeft [partij A] ter zitting verklaard dat het huurcontract van de opslagbox op zijn naam is gezet en niet meer op naam van [partij B] staat. Wat betreft de werkzaamheden voor klanten is niet gebleken dat [partij B] daartoe opdracht heeft gegeven: [partij A] heeft zelf besloten die werkzaamheden te verrichten. Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake, daarvoor heeft [partij A] onvoldoende feiten gesteld en [partij B] heeft deze vorderingen gemotiveerd betwist.

4.10

Nu [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld, wordt niet aan bewijslevering toegekomen en zullen deze vorderingen worden afgewezen.

Conclusie

4.11

Dan resteert de vraag welk gedeelte van de vordering van [partij A] in totaal toewijsbaar zou zijn. Uit het door [partij A] als productie 18 overgelegde overzicht blijkt dat hij diverse bedragen in mindering heeft gebracht op zijn vordering:

  • de kosten van een modelauto (€ 185,–),

  • de borg voor de opslag (€ 280,–),

  • de kosten voor enkele overnachtingen (€ 945,–) en

  • bedragen van € 2.424,11 en € 601,64.

In het totaal is de vordering met € 4.431,75 netto verminderd, dat van het netto equivalent van € 13.551,41 (€ 12.319,46 bruto + 10% wettelijke verhoging) dient te worden afgetrokken. Dat gedeelte van de vordering zou toewijsbaar zijn, maar de vordering van [partij B] in reconventie zal (gedeeltelijk) worden toegewezen zodat [partij A] na verrekening van de vorderingen geen vordering meer heeft op [partij B]. Dat betekent ook dat de door [partij A] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente zullen worden afgewezen.

Het verbod om klanten van [partij A] te benaderen wordt afgewezen

4.12

[partij A] heeft een aantal administratieklanten van [partij B] overgenomen. Enkele klanten zijn bij [partij B] gebleven. Volgens [partij A] heeft [partij B] enkele door [partij A] overgenomen klanten benaderd. Volgens [partij B] heeft zij alleen medegedeeld aan de klanten dat ze niet langer voor hen werkt.

4.13

De kantonrechter stelt vast dat partijen geen concurrentie- en/of relatiebeding zijn overeengekomen op grond waarvan het [partij B] niet toegestaan was om klanten van [partij A] te benaderen. Daarbij komt dat ook helemaal niet is komen vast te staan dat [partij B] geprobeerd heeft klanten van [partij A] te bewegen naar haar over te stappen. Derhalve heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd op grond waarvan het [partij B] verboden moet worden om klanten van [partij A] te benaderen. De vordering wordt daarom afgewezen.

Het conservatoire beslag is rechtmatig gelegd

4.14

De vordering van [partij A] tot opheffing van het beslag is niet toewijsbaar omdat dit rechtmatig is gelegd. Hierna zal in reconventie worden geoordeeld dat [partij A] helemaal geen retentierecht had en de schilderijen aan [partij B] moet teruggeven.

De vorderingen van [partij B]

[partij A] moet betalen voor de klanten die zijn overgenomen

4.15

[partij B] vordert in reconventie schadevergoeding als gevolg van de overname van klanten van [partij B] door [partij A]. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] klanten van [partij B] heeft overgenomen. Niet is gebleken dat partijen een prijs voor de overname van de klanten hebben afgesproken. Wel heeft [partij A] ter zitting erkend dat hij moet betalen voor de overname van klanten van [partij B]. De berekening van de schadevergoeding van [partij B] heeft [partij A] betwist.

De kantonrechter volgt [partij A] in zijn stelling dat de berekening van [partij B] niet als uitgangspunt kan worden genomen voor de vraag wat [partij A] moet betalen aan [partij B]. In de berekening is namelijk geen rekening gehouden met het feit dat [partij A] slechts een deel van de klanten van [partij B] heeft overgenomen en niet de gehele onderneming van [partij B].

4.16

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] toegelicht hoeveel hij betaald heeft voor klanten van een derde partij die hij heeft overgenomen. [partij B] heeft ter zitting gezegd te willen aansluiten bij het bedrag dat [partij A] voor eerder overgenomen klanten heeft betaald. [partij B] is vervolgens uitgegaan van twintig klanten die door [partij A] zijn overgenomen en een bedrag van € 1.300,– per klant. Het gaat dan om een totaal bedrag van € 26.000,–. Daartegen heeft [partij A] geen bezwaar meer gemaakt. De kantonrechter wijst daarom een bedrag van € 26.000,– toe als betaling voor het overnemen van de klanten van [partij B].

[partij A] moet de schilderijen teruggeven

4.17

[partij A] hield vier schilderijen van [partij B] onder zich. Tussen partijen is niet in geschil dat de schilderijen van [partij B] zijn. [partij A] stelt echter dat hij een retentierecht heeft en de schilderijen onder zich kan houden zolang [partij B] de vordering van [partij A] niet heeft voldaan. Het is mogelijk om in het kader van een loonvordering een retentierecht in te roepen, maar daarvoor is wel vereist dat tussen de vordering van [partij A] en verplichting tot afgifte van de schilderijen voldoende samenhang bestaat. Dat is niet het geval. De schilderijen houden immers geen verband met de werkzaamheden die [partij A] heeft uitgevoerd voor [partij B]. Ter zitting heeft [partij A] toegelicht dat de schilderijen in de opslag of bij hem thuis stonden, zodat zijn broer niet zou weten dat de schilderijen er nog waren indien [partij B] zou overlijden. Er is dus geen enkele samenhang met de loonvordering. Dat betekent dat [partij A] zich niet kon beroepen op een retentierecht en dat de schilderijen weer afgegeven moeten worden aan [partij B]. De door [partij B] gevorderde verklaring voor recht en afgifte van de schilderijen zijn dus toewijsbaar. Nu [partij A] ter zitting heeft verklaard dat hij zich zal refereren aan het oordeel van de kantonrechter wat betreft de teruggave van de schilderijen, is de kantonrechter van oordeel dat de vordering dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde samenwerking van [partij A] op grond van artikel 3:300 BW kan worden afgewezen.

De gevorderde beslagkosten worden afgewezen

4.18

[partij B] vordert [partij A] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen, omdat [partij B] heeft verzuimd de beslagstukken volledig in het geding te brengen. Zo ontbreekt het exploot van overbetekening van het beslag aan de beslagene.

Conclusie in conventie en in reconventie

4.19

Nu de hoogte van het toewijsbare gedeelte van de vordering in reconventie de vordering in conventie overstijgt wordt de vordering van [partij A] in conventie afgewezen. Ter zitting heeft [partij B] namelijk gesteld dat als zij loon verschuldigd is aan [partij A], dit verrekend dient te worden met de aan [partij B] te betalen vergoeding voor het overnemen van de klanten. Zij heeft dus een beroep op verrekening gedaan. Aan de voorwaarden van verrekening is voldaan. Nu de vordering in reconventie de vordering in conventie overstijgt, betekent dat het toewijsbare gedeelte van de (geld)vorderingen in conventie wordt afgewezen en in reconventie wordt, na verrekening, een bedrag toegewezen zoals in het dictum is bepaald.

De proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd

4.20

Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie:

5.1

wijst de vorderingen af,

in reconventie:

5.2

veroordeelt [partij A] om aan [partij B] te betalen een bedrag van € 26.000,– netto, te verminderen met het netto equivalent van € 13.551,41 bruto, welk netto equivalent vervolgens met een bedrag van € 4.431,75 netto moet worden verminderd zoals bepaald onder 4.11., te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het na vermindering resterende bedrag, met ingang van de datum van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,

5.3

verklaart voor recht dat [partij A] geen retentierecht heeft op de schilderijen van [partij B] die zich in gerechtelijke bewaring bevinden,

5.4

bepaalt dat de schilderijen die zich in gerechtelijke bewaring bevinden aan [partij B] dienen te worden afgegeven,

5.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

in conventie en in reconventie:

5.6

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. en 5.4. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.S. Kuipers op 22 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »