RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12310432 VV EXPL 26-420
datum uitspraak: 7 september 2026
Vonnis van de kantonrechter in kort geding
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. P.J. Remmelts,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. I. Tol.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 6 augustus 2026, met bijlagen;
-
de e-mail van [gedaagde] van 21 augustus 2026, met bijlagen;
-
de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
Op 24 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.
2 De beoordeling
Waar gaat het over?
Havensteder verhuurt sinds 19 februari 2024 aan [gedaagde] de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). Zij woont daar met haar twee meerderjarige zonen. Verder staat [persoon A] (hierna: [persoon A] ) op het adres van de woning ingeschreven in de basisregistratie personen. Op 27 mei 2026 heeft bij de woning een explosie plaatsgevonden, waarna de burgemeester op dezelfde dag heeft besloten de woning te sluiten voor de duur van twee weken. Havensteder heeft vervolgens bij brief van 3 juni 2026 de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Op 5 juni 2026 is er bij de woning weer een explosie geweest. De burgemeester heeft de sluiting toen met twee weken verlengd en daarna nog een keer met twee weken. Op 8 juli 2026 zijn [gedaagde] en haar zonen teruggekeerd naar de woning. Havensteder eist nu dat zij wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning. [gedaagde] is het hiermee niet eens. De eis wordt echter toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Kort geding
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Havensteder heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
Havensteder heeft een spoedeisend belang bij de eis, omdat gesteld wordt dat [gedaagde] na de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst zonder recht of titel in de woning verblijft en Havensteder wil dat daaraan een einde komt. Ook is er de vrees voor een volgende explosie zolang [gedaagde] en haar zonen in de woning verblijven.
Ontruiming
Op grond van art. 7:231 lid 2 van Burgerlijk Wetboek (BW) was Havensteder vanwege de burgemeesterssluiting van de woning bevoegd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Omdat [gedaagde] zich daar niet bij neerlegt, moet in deze procedure worden gekeken of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of Havensteder haar bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW).
Geoordeeld wordt dat voldoende aannemelijk is dat in een gewone procedure niet geconcludeerd zal worden dat de ontbinding of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, moet de rechter terughoudend zijn. De omstandigheden van het geval, namelijk twee explosies in korte tijd en een sluiting van de woning van totaal zes weken, zijn zodanig dat niet op voorhand kan worden gezegd dat het vorderen van de ontruiming onaanvaardbaar is. Dat nog een bestuursrechtelijke procedure tegen de burgemeestersluiting loopt, maakt het ook niet onaanvaardbaar, omdat volgens vaste rechtspraak niet hoeft te worden gewacht op de uitkomst daarvan. Verder wordt voorlopig geoordeeld dat niet valt in zien dat en waarom Havensteder haar bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding heeft misbruikt. Er is namelijk geen sprake van een situatie waarin Havensteder in redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid heeft kunnen komen, want er is geen onevenredigheid tussen haar belang om op genoemde wijze op te treden en het belang van [gedaagde] dat hierdoor wordt geschaad.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Uiteraard heeft [gedaagde] belang bij behoud van de woning. Duidelijk is dat verlies van de woning ingrijpend is. Onderkend wordt ook dat het voor haar lastig zal zijn om andere woonruimte te vinden. Deze gevolgen en haar persoonlijke omstandigheden zijn echter niet zodanig bijzonder dat die opwegen tegen het belang van Havensteder bij ontruiming van de woning. De twee explosies hebben voor onrust in de buurt gezorgd. Vrijwel zeker zijn die explosies niet gericht tegen [gedaagde] , maar wel is het gelet op de rapportages van de politie aannemelijk dat ze samenhangen met de criminele activiteiten van [persoon A] of mogelijk die van (een van) haar zonen. [persoon A] heeft misschien nooit in de woning gewoond, maar hij staat er wel ingeschreven. Volgens [gedaagde] is zij bezig om hem uit te schrijven, maar dat was op de dag van de zitting nog niet gebeurd. Verder kan het zijn dat zij niets wist van de activiteiten van [persoon A] , maar door in te stemmen met zijn inschrijving, terwijl zij, zoals op zitting duidelijk is geworden, hem niet tot nauwelijks kende, heeft zij een risico genomen. Dat geldt ook voor het onderdak blijven bieden aan haar zonen, terwijl [gedaagde] , zo heeft zij op zitting erkend, in ieder geval van de oudste in enige mate op de hoogte was van zijn strafrechtelijke bezigheden. Een en ander betekent dat niet kan worden uitgesloten dat het bij de twee explosies blijft, met alle mogelijke gevolgen van dien voor onder meer de omwonenden en woningen van Havensteder.
De conclusie is dat het voldoende aannemelijk is dat in een gewone procedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde] de woning moet verlaten omdat zij daar vanwege de buitengerechtelijke ontbinding zonder recht of titel verblijft en dat het gerechtvaardigd is om daarop vooruit te lopen. De eis tot ontruiming wordt daarom toegewezen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt
(art. 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten,
€ 139,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.013,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (art. 233 Rv), omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.013,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
465