GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 25/2389 en 25/2390
uitspraakdatum: 29 september 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 29 augustus 2025, nummers ARN 24/5362 en 24/9338, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Tribuut (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken [adres1] 5 (hierna: de woning) en [adres2] 8 G9 (hierna: de garagebox) te [plaatsnaam] , voor de jaren 2023 en 2024 vastgesteld op € 225.000 en € 19.000 (2023) respectievelijk € 235.000 en € 19.000 (2024). Tegelijk met deze beschikkingen zijn aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) van € 225 respectievelijk € 238 in verband met de woning en van € 19 respectievelijk € 19 in verband met de garage opgelegd. Voorts zijn er aanslagen rioolheffing van € 99 respectievelijk € 104 en afvalstoffenheffing van € 255 respectievelijk € 272 opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen en de aanslagen bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van procesrecht en belanghebbende veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar tot een bedrag van € 200.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 21 juli 2026 een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026. De heffingsambtenaar is met kennisgeving niet verschenen. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Belanghebbende is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep op donderdag 6 augustus 2026 om 10:30 uur. Belanghebbende heeft in een brief, ingekomen op 21 juli 2026, verzocht deze zitting te verplaatsen omdat hij “’s morgens niet aanwezig kan zijn zonder zijn gezondheid en leven in gevaar te brengen”. De griffier van het Hof heeft bij bericht van 23 juli 2026 aan partijen meegedeeld dat de zitting van 6 augustus 2026 doorgang zal vinden, maar dat de aanvangstijd is gewijzigd naar 13:30 uur. Een afschrift van dit bericht is per aangetekende brief van 23 juli 2026, geadresseerd aan het in belanghebbendes hogerberoepschrift opgegeven adres [adres1] 5, [plaatsnaam] . Volgens de gegevens van Track & Trace van PostNL is op 25 juli 2026 om 14:59 uur voor ontvangst van deze brief getekend. Het Hof gaat daarom ervan uit dat belanghebbende op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting is op 10 augustus 2026 een verzoek om uitstel van de zitting bij het Hof binnengekomen. Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar en bewoner van de woning. Het betreft een in 1965 gebouwde rijwoning met berging. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 145 m² en is gelegen op een perceel met een oppervlakte van 163 m2. Belanghebbende is tevens eigenaar van de eveneens in 1965 gebouwde garagebox met een oppervlakte van 26 m2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van procesrecht en belanghebbende veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar tot een bedrag van € 200.
3 Geschil
In geschil is of:
-
de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van procesrecht;
-
de waarden van de woning en de garagebox op de waardepeildatum te hoog zijn vastgesteld;
-
de aanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld; en of
-
belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 100.000.
Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de overige vragen bevestigend en concludeert tot vermindering van de vastgestelde waarden en van de aanslagen en tot vergoeding van schade.
De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvattingen toegedaan en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4 Beoordeling van het geschil
Vooraf
Vastgesteld wordt dat belanghebbende ook voor de jaren 2013, 2014 en 2017 tot en met 2022 beroep heeft ingesteld inzake de WOZ-waarden van de woning en de garagebox en – in sommige jaren – de rioolheffing en de afvalstoffenheffing, dat al deze beroepen ongegrond zijn verklaard,1 dat de hoger beroepen voor de jaren 2017, 2019, 2021 en 2022 eveneens ongegrond zijn verklaard,2 en dat het beroep in cassatie voor het jaar 2017 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard met toepassing van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie.3
Uitnodiging zitting Rechtbank
Belanghebbende is niet ter zitting van de Rechtbank verschenen. Belanghebbende klaagt in hoger beroep erover dat in de uitspraak van de Rechtbank is opgemerkt dat belanghebbende de aangetekende brief met de uitnodiging voor de zitting heeft geweigerd. Volgens belanghebbende heeft hij nog nimmer een brief van PostNL geweigerd.
De Rechtbank heeft verder vastgesteld dat nadien de uitnodiging per gewone post is verstuurd. Belanghebbende heeft deze vaststelling, evenals de ontvangst van de uitnodiging, in hoger beroep niet bestreden. Dit betekent dat belanghebbende rechtsgeldig door de Rechtbank is uitgenodigd voor de zitting van 6 augustus 2026.
Misbruik van procesrecht
De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van procesrecht, zodat belanghebbendes beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Redengevend daarvoor is dat belanghebbende jaarlijks bezwaar- en (hoger)beroepschriften indient tegen de WOZ-beschikking en de daarmee samenhangende lokale heffingen, dat hij daarbij telkens dezelfde niet onderbouwde gronden naar voren brengt waarbij tevens de gemeente, de heffingsambtenaar, politici en rechters worden beschuldigd van misdrijven, dat hij zonder kennisgeving niet op de zitting is verschenen en dat hij geregeld rechters wraakt.
Artikel 3:13 en 3:15 Burgerlijk Wetboek (BW) bieden de bestuursrechter een wettelijke grondslag om een beroep dat misbruik van bevoegdheid behelst, niet-ontvankelijk te verklaren.4
Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door de burger tegen de overheid aangewend rechtsmiddel, gelet op de – soms zeer verstrekkende – bevoegdheden waarover de overheid beschikt. Alleen als over de zwaarwichtige gronden geen enkele twijfel bestaat, volgt niet-ontvankelijkverklaring. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt die overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht.5
Het Hof is met belanghebbende van oordeel dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van misbruik van recht. In dit verband is het relevant dat het gaat om jaarlijks terugkerende WOZ-beschikkingen met samenhangende aanslagen lokale heffingen. Daardoor heeft belanghebbende jaarlijks een concreet en valide (financieel) belang om daartegen rechtsmiddelen aan te wenden. Van een overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten is geen sprake. Bovendien behelzen de door belanghebbende ingediende bezwaar- en beroepschriften telkens feitelijke kwesties die jaarlijks moeten worden onderzocht. Aan de gefundeerdheid van de motivering van een bezwaar- of beroepschrift worden geen eisen gesteld, zodat belanghebbendes niet onderbouwde gronden en klachten over diverse overheids- en bestuursorganen op zichzelf evenmin misbruik van recht opleveren. Verder zijn partijen niet verplicht om aan een uitnodiging voor de zitting gevolg te geven, zodat het niet verschijnen ter zitting, ook als dit tevoren niet wordt aangekondigd, niet aan belanghebbende kan worden tegengeworpen. En wat betreft de geregelde wrakingsverzoeken wordt opgemerkt dat in de wrakingsprocedure zelf reeds een sanctiemogelijkheid op misbruik is opgenomen (in artikel 8:18 lid 4 Awb), zodat geen aanleiding bestaat om bij geregeld gebruik van het recht om te wraken, misbruik van recht aan te nemen.
Gelet op het voorgaande zijn de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ten onrechte door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. In dat geval dient het Hof de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank (artikel 8:115 lid 1 letter a Awb). Op grond van artikel 8:116 Awb kan het Hof de zaak echter ook zelf afdoen als het vindt dat de zaak geen nadere behandeling door de Rechtbank behoeft. Het Hof ziet geen aanleiding om de zaak zelf af te doen, nu het door belanghebbende bij de Rechtbank ingediende beroepschrift feitelijke kwesties omvat die door de Rechtbank nog moeten worden onderzocht.
5 Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet in het vorenstaande aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht. Voor een vergoeding van de proceskosten ziet het Hof geen aanleiding, nu niet is gebleken dat belanghebbende dergelijke kosten heeft gemaakt.
6 Beslissing
Het Hof:
-
verklaart het hoger beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
-
wijst de zaak terug naar de Rechtbank voor een nieuwe beoordeling; en
-
draagt de heffingsambtenaar op het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.R. van der Heide en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.